Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/4.4.2
4.4.2 Effectiviteit
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715374:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dat stond – wellicht veelzeggend – ook voorop in de opsomming van criteria waar volgens de minister naar moest worden gekeken bij de keuze voor een bepaald handhavingsstelsel. Zie: Kamerstukken II 2008/09, 31700 VI, nr. 69, p. 2 en 5.
Groenhuijsen 2002, p. 24.
Vgl. Van Kempen 2019a, p. 10.
Yoon 2001, p. 37.
Ashworth & Horder 2013, p. 33; Crijns 2012, p. 11; Yoon 2001, p. 39.
Yoon 2001, p. 37.
Yoon 2001, p. 40-42.
Vgl. Buisman 2020, p. 68; Schünemann 1978, p. 14; Hulsman 1972, p. 91. Van symboolwetgeving in deze zin zal overigens zelden sprake zijn. Zelfs als de verwachting niet is dat individuen zullen worden bestraft, kan het doel bijvoorbeeld nog zijn om bepaalde normen in te prenten. Zie ook: Kamerstukken II 1990/91, 22008, nr. 2, p. 27 (Beleidsplan Zicht op wetgeving).
Denk daarnaast aan wetgeving die de normen en waarden van bepaalde groepen in de samenleving bevestigt of een uiting is van een bepaald compromis of uitstel van een oplossing (Klink 2002, p. 15-19).
Husak 2004, p. 216 -217.
Böse 2011, p. 36.
Husak 2004, p. 221. Zie ook voetnoot 1423.
Vgl. Haveman 1998, p. 77.
Vgl. Buisman 2020, p. 68; Van Kempen 2019a, p. 12. De redenering is mijns inziens iets te kort door de bocht, omdat binnen het functionalistische perspectief ook andere strafdoelen een rol kunnen spelen (zie: Böse 2011, p. 36; Husak 2004, p. 215 en 217; Hulsman 1972, p. 82-86). Onder preventie versta ik hier overigens onder meer het voorkomen van schade en vormen van gedragsbeïnvloeding (social engineering). Zie: Böse 2011, p. 36; Husak 2004, p. 217; Hulsman 1972, p. 82-86. Tegen het idee dat preventie de enige reden voor strafbaarstelling kan zijn, is overigens natuurlijk ook op meer principieel, rechtsfilosofisch niveau het nodige in te brengen (zo ook: Ashworth 2000, p. 254).
Husak 2004, p. 217; Mousourakis 1998, p. 69; Schünemann 1978, p. 14. Omdat het strafrecht er vermoedelijk nooit in zal slagen álle strafbaar gestelde gedragingen te voorkomen, kan het doel overigens hooguit zijn de hoeveelheid criminaliteit zoveel mogelijk terug te dringen (Husak 2004, p. 218-219).
De Roos 1987, p. 78.
Yoon 2001, p. 50.
Datzelfde geldt ook voor de effectiviteit van het strafrecht in het algemeen (Christie 1977, p. 9).
Van Veen 1988, p. 4-5.
Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 417.
Reijntjes meent bijvoorbeeld dat al te hoge verwachtingen van het strafrecht misplaatst zijn (Reijntjes 1977, p. 432).
Klip 2010, p. 591.
Uit Beijerse 2002, p. 1991.
Van Klink 2002, p. 17-18; Van Klink 1998, p. 72. Zie ook: Van Klink 1998, p. 236-237; Rozemond 1996, p. 171.
Smith 2011, p. 828. Zie in vergelijkbare zin over het in het kader van de communistische dreiging opgerekte artikel 131 Sr: Strijards 1986, p. 44.
Plaisier 2003, p. 470. Net als de vaststelling dat de samenspanningsregeling in de dagelijkse praktijk maar zelden bruikbaar is, hoeft dat echter weinig te zeggen over effectiviteit, nu het ook gaat om strafbare feiten die nu eenmaal relatief weinig voorkomen (Reijntjes 1977, p. 431).
Mols & De Roos 1992, p. 225.
Reijntjes 1977, p. 425.
Reijntjes 1977, p. 425.
New Dimensions of Security in Europe 1975, p. 36 en voetnoot 51. Vgl. Rotman 2019, p. 629. Rozemond noemt in vergelijkbare zin de bestrijding van drugscriminaliteit die tot een stijging van drugscriminaliteit zou hebben geleid (Rozemond 1996, p. 172).
Schmidt 1891b, p. 291.
Rozemond 1996, p. 172.
Moore 2005, p. 14-15.
Jareborg 2005, p. 530.
Moore 2012, p. 664.
Husak 2004, p. 211-212.
Zie bijvoorbeeld: Kamerstukken II 1990/91, 22268, nr. 7, p. 10. Hoewel de minister ook wel heeft benadrukt dat de effectiviteit van de bestrijding van criminaliteit bij de strafbepaling juist voorop staat (zie: Kamerstukken II 1990/91, 22268, nr. 5, p. 4).
De beperkende functie van het beginsel wordt dan uitgehold (Van Kempen 2019a, p. 21).
Husak 2004, p. 226-227; Ashworth 2000, p. 247.
Buisman 2020, p. 68; Kamerstukken II 2008/09, 31700 VI, nr. 69, p. 5; Kamerstukken II 1990/91, 22008, nr. 2, p. 28 (Beleidsplan Zicht op wetgeving).
Böse 2011, p. 39. Vgl. ook: Reijntjes 2003, p. 474.
Kamerstukken II 2015/16, 29279, nr. 334, p. 12. Zie ook: Drupsteen & Kleijs-Wijnnobel 1991, p. 41. De keuze voor (een combinatie van) middelen in een concreet geval zou dan vanuit functionalistisch oogpunt idealiter moeten worden gemaakt door experts uit diverse disciplines (Kamerstukken II 2015/16, 29279, nr. 334, p. 12). Het opportuniteitsbeginsel maakt dat ook mogelijk (Kelk 1987, p. 259). Dat waarborgt dan niet zozeer de belangen van de samenleving, maar maakt het mogelijk de meest effectieve en efficiënte oplossing te kiezen. Zie voor kritiek op de rol van professionals: Christie 1977.
Buisman 2020, p. 68; Kamerstukken II 2008/09, 31700 VI, nr. 69, p. 5.
Peters 1966, p. 171-172.
Van Kempen 2019a, p. 5; Asp e.a. 2011, p. 88; Asp e.a. 2009, p. 707; Minkkinen 2006, p. 528; Yoon 2001, p. 85.
Yoon 2001, p. 102.
Yoon 2001, p. 85; Ashworth 2000, p. 244. Yoon meent zelf overigens dat negatieve generale preventie niet tot terughoudendheid met de inzet van het strafrecht in de voorfase noopt, aangezien mensen ook (en misschien juist wel beter) kunnen worden afgeschrikt als ook aangrenzende gedragingen worden bestraft. Daarmee ziet hij mogelijk wel over het hoofd dat een teveel aan afschrikking (kwantitatief) wellicht wel de intensiteit (kwalitatief) van de afschrikking aantast.
Kamerstukken II 1991/92, 22268, nr. 5, p. 5-6. Dat zou in de logica van de minister dan wellicht ook gelden voor de overheveling van strafbepalingen naar het bestuursrecht.
Jareborg 2005, p. 529-530.
Rotman 2019, p. 629-630; Ashworth & Horder 2013, p. 34; Moore 2012, p. 664; Moore 2005, p. 14-15; Yoon 2001, p. 96-97. In vergelijkbare zin was het strafrecht van vóór de Verlichting door een overmaat aan strafbare feiten en disproportioneel hoge straffen overbelast geraakt en had het (mede daardoor) aan gezag en maatschappelijke impact ingeboet (Dupont 1979, p. 67. Zie ook voetnoot 198). Volgens Moore neemt respect voor wetgeving vooral af als strafbaarstellingen wordt gehandhaafd die zien op (a) gedragingen die onder privéomstandigheden worden verricht en niet door derden worden waargenomen, (b) waarbij de actoren sterk gemotiveerd zijn en van een afschrikkend effect door strafbaarstelling weinig te verwachten valt en (c) die niet schadelijk zijn voor anderen dan de vrijwillige deelnemers (Moore 2005, p. 14). Als dat klopt, kunnen veel liberale grenzen aan het strafrecht ook vanuit empirisch oogpunt worden verdedigd (Moore 2012, p. 664-665).
Buisman 2020, p. 68; Van Kempen 2019a, p. 12; De Valkeneer, Dizier & Seron 2019, p. 288; Klip 2010, p. 590; De Roos 1987, p. 78-79.
Vgl. Spek 2010, p. 229-230.
De Hullu 2021, p. 17; Buisman 2020, p. 68; Hulsman 1972, p. 87-88 en 91; Drupsteen & Kleijs-Wijnnobel 1991, p. 41; Kamerstukken II 1990/91, 22008, nr. 2, p. 27-28 (Beleidsplan Zicht op wetgeving). Vgl. Yoon 2001, p. 96. De invoering van nieuwe strafbepalingen dwingt autoriteiten dan immers om een selectie te maken in de normen die ze wel of niet actief gaan handhaven, waardoor het handhavingstekort verder toeneemt (Yoon 2001, p. 102).
Kamerstukken II 1990/91, 22268, nr. 6, p. 4. Zie ook: Mols & Wöretshofer 1993, p. 66.
Lintz 2007, p. 189 en 244. Zie ook voetnoot 1278. Lintz wijst er wel op dat moderne opsporingsmiddelen, zoals de telefoontap en het ontsleutelen van chatberichten, de kans op ontdekking wel hebben vergroot (Lintz 2007, p. 245; Mols & Wöretshofer 1993, p. 66).
Ashworth & Zedner 2014, p. 100-101. Een dergelijke verplichting tot het doen van aangifte bestaat reeds voor ernstige misdrijven (zie artikel 135 en 136 Sr en artikel 160 Sv). Gelet op artikel 78 Sr en artikel 129 Sv geldt die verplichting ook voor poging tot en voorbereiding van dergelijke misdrijven (zie ook: Smidt 1891b, p. 75 en 77; Kamerstukken II 1913/14, 286, nr. 3, p. 102). De zinssnede “indien het misdrijf is gevolgd” in artikel 135 en 136 lid 1 Sr is wat misleidend, nu het misdrijf dat “is gevolgd” dus ook een poging of voorbereiding kan zijn.
Ashworth & Zedner 2014, p. 100.
Van Kempen 2019a, p. 5.
Prakken & Roef 2004, p. 258.
Prakken & Roef 2004, p. 259. Als vooraf al duidelijk is dat een zaak op deze wijze zal worden afgedaan, rijst wel de vraag of de inzet van dwangmiddelen nog enig strafvorderlijk doel dient en geoorloofd is (Prakken & Roef 2004, p. 259-261 en 265-266).
Van Kempen 2019a, p. 5; Rogan 2019, p. 214-215; Minkkinen 2006, p. 522; Jareborg 2005, p. 523 en 526; Brown 2001, p. 1305.
Zie bijvoorbeeld: Van Kempen 2019a, p. 5; Crijns 2012, p. 15; Kaiafa-Gbandi 2011, p. 17; Asp e.a. 2011, p. 88; Asp e.a. 2009, p. 707; Minkkinen 2006, p. 522; Jareborg 2005, p. 526; Husak 2004, p. 232; Ashworth 2000, p. 244; Haveman 1998, p. 47; Kahan 1996, p. 638; Mousourakis 1995, p. 54; Kleinig 1986, p. 5; Feinberg 1984, p. 24; Hulsman 1972, p. 91; Bos 1971, p. 11. Zie ook: Towards an EU Criminal Policy 2011, p. 7; EHRM 15 november 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:1115JUD002413011 (A en B v. Noorwegen), par. 133; EHRM 23 november 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:1123JUD007305301 (Jussila v. Finland), par. 43. Er zijn echter ook strafbare gedragingen (vooral overtredingen) die maar weinig stigmatisering met zich brengen. Zie: Ashworth 2000, p. 236; EHRM 23 november 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:1123JUD007305301 (Jussila v. Finland), par. 43.
Ashworth 2000, p. 244; Kahan 1996, p. 644-645; Zimring & Hawkins 1973, p. 193. Zie ook: Boutellier 2002, p. 123. De impact van stigmatisering is bovendien groter bij burgers die dieper in de samenleving zijn ingeburgerd dan bij geïsoleerde individuen die zich buiten de samenleving plaatsen, terwijl er bij die eerste groep minder noodzaak voor stigmatisering lijkt te zijn dan bij de tweede groep (Zimring & Hawkins 1973, p. 193). Overigens kan tegen het voorgaande wel worden ingebracht dat natuurlijke en rechtspersonen met een goede maatschappelijke positie doorgaans ook beter bestand zijn tegen de nadelige gevolgen van stigmatisering (Van de Bunt 1989, p. 17), al wordt de impact van stigma volgens Zimring en Hawkins door iedereen anders ervaren, afhankelijk van hoeveel waarde iemand hecht aan de opinie die bepaalde groepen over hem of haar hebben (Zimring & Hawkins 1973, p. 193). Uit onderzoek naar jeugddetentie bleek ook dat vooral jongens die hun detentie als onverdiend beschouwden zich vaker schaamden en van mening waren dat ze door hun detentie werden gestigmatiseerd (zie: A.M. van der Laan e.a., Ik zit vast. Een exploratieve studie naar emotionele verwerking van justitiële vrijheidsbeneming door jongeren (WODC-onderzoek), bijlage bij Kamerstukken II 2007/08, 24587, nr. 289, p. 13).
Vanuit dat oogpunt lijkt de opkomst van het (punitieve) bestuursrecht een goede ontwikkeling, aangenomen dat dat rechtsgebied inderdaad minder stigmatiseert. De inzet van het strafrecht kan dan tot de echt ernstige gevallen worden beperkt (Crijns 2012, p. 16). Voor zover het strafrechtelijke label als zodanig aan stigmatisering bijdraagt, treedt bij een dergelijke verhuizing wel een interessante paradox op. Het verwijderen van minder ernstige delicten uit het strafrecht zou namelijk het effect kunnen hebben dat bij de resterende (daarna gemiddeld ernstigere) strafbaarstellingen meer stigmatisering optreedt. Anders gezegd: door het strafrecht minder in te zetten, wordt het minder problematisch om het resterende strafrecht in te zetten. Omgekeerd zou het in het strafrecht binnenhalen van minder ernstige delicten als gevolg kunnen hebben dat het strafrechtelijke label minder betekenisvol en dus minder stigmatiserend wordt. Daarbij moet wel bedacht worden dat stigmatisering vermoedelijk niet alleen (en wellicht niet eens vooral) voort zal vloeien uit het strafrechtelijke label als zodanig (zie: Report on Decriminalisation 1980, p. 51), maar ook uit de veroordeling (strafrechtelijk of anderszins) en het feit waarvoor wordt veroordeeld. Wellicht kan stigmatisering beter worden begrepen als noodzakelijk onderdeel van de straf waarmee nadere beperkingen voor wat betreft toegang tot werk, woning en sociaal contact worden opgelegd. Als het strafrecht minder zou stigmatiseren, zou dan paradoxaal genoeg juist zwaarder moeten worden gestraft om dezelfde afschrikkende werking te behouden. Zie: Vold, Bernard & Snipes 2002, p. 215.
Kamerstukken II 1990/91, 22268, nr. 6, p. 4. Zie ook: Kamerstukken II 1990/91, 22268, nr. 5, p. 12-13; Kamerstukken II 1991/92, 22268, nr. 4, p. 10; De Jong 1992, p. 54; Groenhuijsen 1991, p. 424; De Jong 1989b, p. 186.
Zie ook: Kamerstukken II 1990/91, 22268, nr. 5, p. 12-13.
Plaisier 2003, p. 470. Zie ook: Groenhuijsen 1991, p. 424; Kamerstukken II 1991/92, 22268, nr. 4, p. 10.
Groenhuijsen 1991, p. 424. Vgl. ook: Ter Brake 1986, p. 382.
Plaisier 2003, p. 470.
De eerste vraag die moet worden beantwoord is dus of het strafrecht in de voorfase effectief werkt.1 Het strafrecht kan volgens Groenhuijsen bijvoorbeeld pas ultimum remedium zijn als het een redelijk doel dient en daarbij enig rendement oplevert.2 Anders gezegd: de inzet van het strafrecht kan nooit noodzakelijk zijn als deze niet effectief is.3 Dat moet nadrukkelijk los worden gezien van de hierna nog te bespreken subsidiariteitstoets. Vanuit communitaristisch oogpunt kon, zoals hiervoor in §4.3.1.3 aan bod kwam, betrekkelijk eenvoudig worden gesteld dat, indien geen alternatieven voor (naar zijn aard strafrechtelijke) vergelding beschikbaar zijn, het strafrecht per definitie het enige middel en daarmee ultimum remedium is. Die redenering moet vanuit functionalistisch oogpunt worden verworpen. Zelfs als alternatieve vormen van handhaving ontbreken, moet eerst worden nagegaan of het strafrecht wel in staat is het beoogde doel te bereiken.4 De effectiviteit van het strafrecht moet dus altijd, onafhankelijk van de beschikbaarheid van alternatieven, worden onderzocht.5 De enkele afwezigheid van alternatieven maakt het strafrecht wellicht ultimum, maar nog geen remedium.
Een dergelijke effectiviteitstoets veronderstelt dat het strafrecht een doel heeft.6 Een middel kan immers alleen effectief zijn in relatie tot een bepaald doel.7 Daaruit volgt al direct dat als géén doel wordt nagestreefd – zoals bij symboolwetgeving vaak wordt gesteld – van strafbaarstelling moet worden afgezien.8 Vaak blijkt bij nader inzien echter dat ook met symboolwetgeving wel degelijk bepaalde doelen worden nagestreefd, zij het dat het dan niet om een gebruikelijk strafdoel gaat. In het kader van voorfasedelicten moet dan vooral worden gedacht aan wetgeving die de suggestie moet wekken dat de overheid daadkrachtig optreedt.9 Dergelijke doelen worden in de literatuur doorgaans niet als ‘echte’ doelen van het strafrecht gezien en blijven daarom verder buiten beschouwing.
Als wél een strafrechtelijk doel wordt nagestreefd, moet vanuit functionalistisch oogpunt eerst duidelijk worden welk doel dat is en of empirisch kan worden vastgesteld of en in welke mate dat doel is bereikt.10 Sommige auteurs stellen daarom dat het ultimum remedium-beginsel enkel betekenis kan hebben als het nagestreefde strafdoel preventie is.11 Onder het strafdoel vergelding zou het strafrecht namelijk per definitie ultimum remedium zijn, omdat het strafrecht de enige (redelijke) vorm van vergelding zou zijn.12 Bovendien is bij vergelding de straf niet zozeer een middel ter bereiking van een bepaald doel, maar eerder een doel op zich.13 De effectiviteit van vergelding is daardoor ook niet echt empirisch te onderzoeken. Hoewel deze redenering mijns inziens iets te kort door de bocht is, ligt het in het kader van dit onderzoek wel voor de hand om binnen het functionalistische perspectief preventie als strafdoel centraal te stellen.14 Per saldo sluit de consequentialistische denkwijze van het functionalisme beter aan bij het strafdoel preventie dan bij het strafdoel vergelding. Bovendien is vergelding hiervoor ook al uitgebreid aan bod gekomen.
De vraag is dan dus of het strafrecht in de voorfase erin slaagt strafbaar gesteld gedrag te voorkomen.15 Daarbij speelt criminologisch en ander empirisch onderzoek naar de effectiviteit van wetgeving een belangrijke rol.16 Vanuit functionalistisch oogpunt kan immers niet blind worden geloofd in de effectiviteit van het strafrecht; deze zal moeten worden aangetoond.17 De effectiviteit van het strafrecht in de voorfase is echter lastig vast te stellen.18 De Werkgroep Van Veen merkte ter rechtvaardiging van de strafbaarstelling van voorbereiding bijvoorbeeld wel op dat het stukmaken van zaken volgens haar maar weinig ‘rendement’ oplevert, omdat het in de gaten (blijven) houden van criminelen een grote politie-inzet vereist, terwijl daarmee weliswaar misdrijven worden voorkomen, maar de daders vervolgens weer nieuwe delicten plannen.19 Hazewinkel-Suringa en Remmelink voeren bij wijze van anekdotisch bewijs van de effectiviteit van de strafbaarstelling van voorbereiding aan dat politiefunctionarissen de daling van het aantal bankovervallen in 1995 ten opzichte van 1994 (van 316 naar 171) mede toeschreven aan de strafbaarstelling van voorbereiding, al zijn de auteurs tegelijkertijd – en mijns inziens terecht – terughoudend om daar harde conclusies uit af te leiden.20
In de juridische literatuur worden namelijk grote vraagtekens gezet bij de effectiviteit van het strafrecht in de voorfase.21 Volgens Klip zou het strafrecht, als een in de kern reactief systeem, eigenlijk op een fundamenteel niveau ongeschikt zijn om gevaar mee te bestrijden.22 Uit Beijerse kwalificeerde in 2002 meer algemeen vrijwel alle nieuwe wetgeving in de afgelopen 15 jaar – waar ze, naar ik aanneem, ook de diverse uitbreidingen van de voorfase onder schaart – als “incidenten- en symboolwetgeving, die niet gericht is op een daadwerkelijke aanpak van de problemen, maar op een vergroting van de publieke geloofwaardigheid van het strafrecht.”23 In vergelijkbare zin bestempelt Van Klink het Nederlandse strafrechtelijk verbod op aanzetten tot haat en het (inmiddels geschrapte) Duitse verbod op het propageren van criminele handelingen als symboolwetgeving, die vooral is bedoeld om daadkracht uit te stralen, maar die feitelijk geen criminaliteit voorkomt of bestrijdt.24 Smith constateerde in 2011 dat de behoefte aan artikel 46 Sr uiteindelijk minder groot bleek dan aanvankelijk werd gedacht.25 Die conclusie trekt ook Plaisier, die in 2003 oordeelde dat de strafbaarstelling van voorbereiding maar weinig praktische betekenis heeft en – na onderzoek in de interne databanken van de rechtspraak – vaststelt dat artikel 46 Sr slechts negen keer in bijna tien jaar tijd is gebruikt door de gerechtshoven en de Hoge Raad.26 Ook Mols en De Roos trekken de noodzaak voor de strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen in twijfel en verwachten niet dat deze tot een verbetering van de beveiliging van de burger zullen leiden.27
Reijntjes meent verder dat een uitbreiding van de strafbaarheid van samenspanning ongeschikt is om de problemen in de voorfase te verhelpen.28 Zelfs in de strijd tegen staatsgevaarlijke organisaties ziet hij weinig baat in een uitbreiding van bijvoorbeeld de samenspanningsregeling.29 Vage samenspanningsbepalingen met een ruim toepassingsbereik zouden zelfs contraproductief kunnen zijn, omdat dergelijke onderdrukkend aandoende wetten opruiend kunnen werken.30 Ze zouden bovendien de normatieve gelding van andere strafbepalingen kunnen ondermijnen, met als gevolg dat het strafrecht als geheel minder goed functioneert.31 Ook is het maar zeer twijfelachtig of het wel daadwerkelijk mogelijk is voor de overheid om de greep op te samenleving te krijgen die nodig is om criminaliteit te voorkomen.32 Voor wat betreft contraproductieve effecten wordt in de literatuur tot slot nog opgemerkt dat de strafbaarstelling van het bezit van bepaalde goederen, waar vraag naar is ongeacht eventuele verbodsbepalingen, ertoe kan leiden dat de prijs van die goederen op de zwarte markt stijgt. Denk dan met name aan naar hun aard gevaarlijke of criminele (voorbereidings)middelen – zoals valse identiteitsbewijzen, hacksoftware, vuurwapens en bepaalde messen – waarvan het bezit strafbaar is gesteld (zie ook §2.2.3.3 en §2.2.3.4). Daarop wordt door distributeurs een zogenoemd strafbaarheidstarief gerekend.33 Als gevolg daarvan kan het voor de georganiseerde misdaad (meer) gaan lonen zich op de verkoop van die goederen te storten.34 Criminele organisaties kunnen vervolgens met de opbrengsten worden gefinancierd.35 Zo kan de strafbaarstelling van met name bezitsgedragingen paradoxaal genoeg juist bijdragen aan het in stand houden van andere vormen van criminaliteit en dus contraproductief zijn. Meer gericht empirisch onderzoek naar de effectiviteit van het strafrecht in de voorfase is mij niet bekend en speelt in ieder geval in de rechtsgeleerde discussie naar de wenselijkheid van het strafrecht in de voorfase geen rol van betekenis.
Als aan een dergelijk effectiviteitsonderzoek bovendien al te hoge eisen zouden worden gesteld, zou het strafrecht nooit kunnen worden ingezet, niet in de laatste plaats omdat die effectiviteit bijzonder lastig meetbaar is. Het functionalistische ultimum remedium-beginsel leidt zo in zijn meer extremere vormen uiteindelijk tot abolitionisme. Husak stelt daarom dat het criterium zo moet worden begrepen dat het doel dat de wetgever wilde bereiken, zonder de inzet van het strafrecht lastiger te bereiken moet zijn.36 Met een vergelijkbare redenering heeft de wetgever ook de algemene strafbaarstelling van voorbereiding gerechtvaardigd.37 Daarmee komt de lat echter wel erg laag te liggen.38 Een strafbaarstelling kan immers vrijwel altijd in een hypothetisch, toekomstig scenario een bijdrage leveren en staat doorgaans in ieder geval niet direct in de weg aan het bereiken van het nagestreefde doel. Zelfs als het strafrecht als zodanig haar doelen niet bereikt, kan strafdreiging bovendien altijd nog als vangnet een ondersteunende toegevoegde waarde hebben naast alternatieve vormen van preventie.39 Het strafrecht vormt tegenwoordig niet voor niets regelmatig het sluitstuk van andere vormen van hybride handhaving.40 Het strafrecht is dan niet zozeer een alternatief voor, maar veel meer een aanvulling op die regelgeving en in die zin dus geen ultimum remedium.41 Het beschikbaar maken van meerdere sanctieregimes sluit wel goed aan op de optimum remedium-gedachte, voor zover die inhoudt dat de overheid een breed scala aan middelen tot zijn beschikking moet hebben om op ongewenst gedrag te kunnen reageren, waaruit zij de meest passende kan kiezen.42 Dat biedt bestuursorganen ook de mogelijkheid om maatwerk te leveren.43 Bovendien kan, ook als het strafrecht als breed inzetbaar vangnet fungeert, worden betoogd dat het strafrecht ultimum remedium is, zolang dat vangnet pas in beeld komt als alternatieven in een bepaalde situatie tekortschieten. Het ultimum remedium-beginsel functioneert dan niet op het niveau van wetgeving (in abstracto), maar op het niveau van handhaving (in concreto).
Anders dan in de liberale benadering, speelt in het kader van de effectiviteit van het strafrecht de ernst van het feit geen rol van betekenis. Paradoxaal genoeg zou volgens Peters kunnen worden volgehouden dat strafbaarstelling juist bij de gedragingen die het minst strafwaardig zijn de meeste (preventieve) werking heeft, omdat mensen tegen de meest ernstige misdrijven uit zichzelf al de nodige weerstand zouden ervaren.44 Wel zou de afschrikkende werking en effectiviteit van het strafrecht volgens sommige auteurs afnemen naarmate er meer strafrecht is.45 Hoe meer gedragingen als crimineel worden bestempeld, des te ‘normaler’ wordt immers criminaliteit.46 De normbevestigende en stigmatiserende werking die van een veroordeling uitgaat, zou dus worden aangetast als het strafrecht op onbelangrijke rechtsgoederen zou reageren.47 Die redenering kan een nogal beperkte, kwantitatieve invulling van het ultimum remedium-beginsel opleveren, waarbij vooral de hoeveelheid strafbepalingen van belang is. Zo stelde de minister dat de strafbaarstelling van voorbereiding juist een vorm van deregulering was, omdat de wetgever met deze algemene strafbaarstelling niet meer genoodzaakt zou zijn allerlei losse gevaarzettingsdelicten zelfstandig strafbaar te stellen.48 Zo kon de minister paradoxaal genoeg volhouden dat een (forse) uitbreiding van strafbaarheid een positief effect had op de naleving van het ultimum remedium-beginsel.49
De vaststelling dat het strafrechtelijk apparaat niet beschikt over de middelen die nodig zijn om een bepaalde regel te handhaven, kan daarentegen wel een reden zijn om van strafbaarstelling af te zien.50 Een gebrek aan handhaving zou volgens sommige auteurs namelijk de morele autoriteit van het strafrecht ondermijnen en het respect voor wetten aantasten.51 Naast de strafmaat en de in §3.4.2.2 besproken kans op een succesvolle veroordeling, zijn daarom ook (en vooral) de pakkans en de kans op een succesvolle veroordeling belangrijke aandachtspunten.52 Dat pleit enerzijds voor het daadwerkelijk handhaven van eenmaal ingevoerde strafbaarstellingen en in die zin tegen de toepassing van het ultimum remedium-beginsel buiten het niveau van de wetgever.53 Anderzijds betekent dit wel dat enige terughoudendheid met de invoering van nieuwe strafwetgeving op zijn plaats is, vooral als de grenzen van de capaciteit van het strafrechtelijk systeem reeds zijn bereikt.54
Als het strafrecht in de voorfase wordt uitgebreid, is het dus prima facie van belang dat voorfasedelicten daadwerkelijk kunnen en zullen worden gehandhaafd. Tijdens de parlementaire behandeling van de invoering van de strafbaarstelling van voorbereiding werd er echter op gewezen dat zowel artikel 140 Sr als artikel 10a van de Opiumwet maar zelden ten laste worden gelegd, zodat de vraag rees of artikel 46 Sr niet hetzelfde lot zou zijn beschoren.55 De vraag rees bovendien of de terughoudende inzet van strafbaarstellingen in de voorfase in de kern niet terug te leiden was naar een gebrek aan tijd en capaciteit bij de politie.56 Ook als de politie geen gebrek aan tijd en capaciteit zou hebben, blijft het overigens nog maar de vraag of de politie daadwerkelijk bekend zal worden met gepleegde voorfasehandelingen. Voor wat betreft de opsporing van bijvoorbeeld samenspanning en voorbereiding van deelneming aan een terroristische organisatie merkt bijvoorbeeld Lintz op dat de kans dat de overheid op de hoogte raakt van heimelijke afspraken tussen burgers niet erg groot lijkt en dat ontdekking veelal op toeval zal berusten.57 Puur vanuit functionalistisch oogpunt valt die informatiepositie wellicht nog wel te verbeteren door het bijvoorbeeld strafbaar te stellen om na te laten de politie informatie te verschaffen als andere burgers met voorbereidingshandelingen bekend worden, maar dat brengt weer heel eigen problemen met zich mee.58 Bovendien is het maar zeer de vraag of ideologisch gemotiveerde deelnemers aan terroristische organisaties zich door strafbaarstelling van deelname zullen laten tegenhouden of dat een dergelijke strafbaarstelling niet zelfs tot bevestiging of versterking van hun overtuigingen zal leiden.59 Ook aan de opsporing en handhaving van voorfasedelicten kleven dus de nodige haken en ogen.
Overigens zou de daadwerkelijke vervolging van voorfasedelicten ook nadelige effecten kunnen hebben op het voorkomen van criminaliteit.60 Zo kan tijdens de vervolging mogelijk gevoelige, heimelijk verzamelde informatie in de openbaarheid komen die de politie anders wellicht nog voor andere doeleinden had kunnen gebruiken.61 Het ‘slechts’ stukmaken van de zaak en het extra in de gaten blijven houden van de verdachten kan daardoor onder omstandigheden – ironisch genoeg – nog altijd de voorkeur genieten, om zo de verzamelde gegevens geheim te kunnen houden.62 Iets vergelijkbaars speelt bij de bestraffing van voorfasedelicten. Gevangenisstraffen kunnen volgens sommige auteurs nieuwe criminaliteit veroorzaken, bijvoorbeeld doordat de stabiliteit en informele sociale controle wordt verminderd en het familieleven en werkzame leven van de veroordeelde ernstig worden aangetast, zowel gedurende de detentie als daarna.63 Denk in dat kader ook aan de stigmatisering die bestraffing met zich brengt. Enerzijds kan deze nog afschrikwekkender werken dan de sanctie zelf.64 Anderzijds kan deze volgens sommige auteurs (onder meer op grond van de labellingtheorie) ook leiden tot nieuwe criminaliteit.65 Dat pleit ervoor zoveel mogelijk minder stigmatiserende vormen van handhaving in te zetten.66
Per saldo lijkt men in de rechtsgeleerde literatuur dus niet erg overtuigd van de effectiviteit van strafbaarstellingen in de voorfase. Gelet op het gebrek aan behoefte aan onderzoek naar de effectiviteit van dergelijke strafbepalingen, lijkt het de wetgever daar echter ook niet primair om te draaien. Tijdens de parlementaire behandeling komt wel nog naar boven dat voorfasedelicten worden gebruikt om de inzet van opsporingsbevoegdheden te rechtvaardigen.67 Blijkbaar wordt uiteindelijk echter niet voor datzelfde artikel vervolgd.68 Ook Plaisier wijst op deze mogelijkheid van ‘onzichtbaar’ proactief gebruik, waarbij de opsporing begint op verdenking van voorbereiding van een misdrijf, maar dan alsnog een voltooid delict wordt afgewacht.69 Dat roept de vraag op of de effectiviteit van voorfasedelicten wellicht meer moet worden gezocht in de extra mogelijkheden die deze bieden om opsporingsmiddelen in te zetten of bewijsproblemen te omzeilen.70 Voor dergelijk gebruik bestaat volgens Plaisier echter minder aanleiding sinds de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden, zodat de toegevoegde waarde ook vanuit dat perspectief twijfelachtig blijft.71