Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/1.III.B.2.a
a. Van onderschikking naar bovenschikking/volledige integratie
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS479847:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Aldus H.J. Leenen, J.W. van Zundert, ‘Coördinatie landinrichting en ruimtelijke ordening’.
Aldus J.M. Polak, Problemen van Nederlands ruilverkavelingsrecht, p. 10. Zie tevens J. Vink, ‘Planologie en Ruilverkaveling’, p. 163-169.
Aldus A. de Leeuw, De agrarische ruilverkaveling, p. 133-134, alsmede J. Vink, ‘Planologie en Ruilverkaveling’, p. 163-169.
Besluit van 19 juli 1941, Stct. 139, geschorst ingevolge het K.B. Bezettingsmaatregelen d.d. 17 september 1944 en weer in werking getreden krachtens K.B. van 5 september 1945. Zie tevens hfdst. I, onderdeel E.l.
Zie A. de Leeuw, De agrarische ruilverkaveling, p. 135.
Wet van 27 november 1947, houdende vaststelling van de Herverkavelingswet Walcheren (Stb. H 400). Zie tevens hfdst. I, onderdeel E.4.
Aldus A. de Leeuw, De agrarische ruilverkaveling, p. 135. Zie tevens C. Polak, ‘Ruimtelijke ordening’, in: TKL 1950, p. 253.
Ruilverkaveling en stedebouw: rapport uitgebracht door een commissie uit het Nederlands instituut voor volkshuisvesting en stedebouw, opgenomen in: Bestuurswetenschappen mei 1947.
Aldus J.M. Polak, Problemen van Nederlands ruilverkavelingsrecht, p. 10.
Aldus A. de Leeuw, De agrarische ruilverkaveling, p. 135.
Zie tevens hfdst. I, onderdeel F.l.
Kamerstukken II 1953/1954, 2063, nr. 5, p. 14. Zie tevens H.J. Leenen, J.W. van Zundert, ‘Coördinatie landinrichting en ruimtelijke ordening”.
Zie nader grenspost 1, hfdst. I, onderdelen F.5 en G.l.
Zie bijv. Kamerstukken II 1982/1983, 15907, nr. 10, p. 6 e.v.
W. Brussaard, ‘Vijftig jaar ruimtelijke ordening en landbouw’, p. 633 spreekt dan ook van ‘de ruimtelijke ordening als partner’. S.D.P. Kole, Het beheerplan voor Natura 2000-gebieden, p. 247 stelt in dit verband dat de WILG ‘complementair’ is to.v. de WRO.
Handelingen II 1975/1976, nr. 2458. Zie nader hfdst. I, onderdelen F.5 en G.1.
Aldus H. Buiter, J. Korsten, Land in aanleg, p. 105.
Kamerstukken II 1979/1980, 15907, nr. 3, p. 15. Zie tevens P. de Haan e.a., Toelichting op de Landinrichtingswet, p. 29-30.
Landinrichting en ruimtelijke ordening hebben nogal wat raakvlakken. In beide gevallen gaat het om gebiedsgericht beleid dat in belangrijke mate is gericht op ontwikkeling, behoud en bescherming van de fysieke leefomgeving, in het ene geval betreffende concreet aangewezen landelijke gebieden, in het andere ter zake van de bestemming, inrichting en gebruik van gronden en gebouwen in het algemeen.1
De verhouding tussen landinrichting en ruimtelijke ordening is echter sinds jaar en dag met recht moeizaam te noemen. Lange tijd zijn de beide onderwerpen zelfs volledig gescheiden geweest. De Ruilverkavelingswetten van 1924 en 1938 bestreken een volledig ander gebied dan de destijds geldende en hiervoor besproken Woningwet 1901.2 Zo is in het kader van het hiervoor in onderdeel 1 beschreven uitbreidingsplan uit de Woningwet 1901 opgemerkt dat de Ruilverkavelingswet 1938 uitging van de (onjuiste) veronderstelling dat het vaststellen van dergelijke plannen enkel plaatsvond met het oog op de uitbreiding van bebouwde kommen, terwijl het agrarische (buiten) gebied wel degelijk (mede) betrokken kon worden bij de door de gemeente toegepaste ruimtelijke ordening.3 De ‘gescheiden behandeling’ van ruimtelijke ordening en landinrichting binnen de Ruilverkavelingswetten van 1924 en 1938 was derhalve niet juist.
In 1941 werd, in het kader van een wijziging van de Ruilverkavelingswet 1938, 4 een nieuw lid 2 aan artikel 10 toegevoegd, waardoor de mogelijkheid ontstond, zij het in beperkte mate, om onroerende zaken, gelegen binnen de bebouwde kom, alsmede gronden die in de nabije toekomst via een uitbreidingsplan zouden worden bestemd als (onder meer) bouwterrein, in de ruilverkaveling te betrekken, zij het enkel ‘… met het oog op de aansluiting van de wegen, waterloopen en kaden met de daartoe behorende kunstwerken.’ De invoering van deze uitzonderingsbepaling versterkte de algemeen aangenomen gedachte dat de Ruilverkavelingswet 1938 zich verzette tegen ruilverkavelingen in gebieden waarop een uitbreidingsplan – en sinds 1945 ook een wederopbouwplan – van toepassing was.5 Waar ruimtelijke ordening optrad, hield de ruilverkaveling zich afzijdig.
Deze ‘zwart-wit’-benadering van de relatie tussen ruilverkaveling en ruimtelijke ordening onderging enige modernisering in 1947, ter gelegenheid van de invoering van de Herverkavelingswet Walcheren.6 In deze wet was bepaald dat de gebieden waarvoor een wederopbouwplan gold enkel met goedkeuring van de minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting bij de herverkaveling mochten worden betrokken.7 Het was nu, in tegenstelling tot hetgeen in voorgaande wettelijke regelingen het geval was, dus mogelijk dat ruimtelijke ordening en landinrichting elkaar (deels) overlapten. Er was niet langer sprake van twee strikt gescheiden sporen. Enige synergie tussen beide beleidsthema’s bleek mogelijk.
Binnen de kaders van de Ruilverkavelingswet 1954 vond een verdere aanpassing en uitdieping van de relatie tussen landinrichting en ruimtelijke ordening plaats. Mede door de invloed van het rapport ‘Ruilverkaveling en Stedebouw’8 uit 1947 heeft de samenhang tussen beide elementen een plaats gekregen binnen de derde ruilverkavelingswet. Allereerst is, door de in onderdeel F.l van het vorige hoofdstuk beschreven verbrede doelstelling van de wet (behartiging in plaats van bevordering van landbouwbelangen), voor het eerst een (kleine) opening gecreëerd in de wettekst voor andere dan landbouwkundige belangen, die gemoeid zouden kunnen zijn bij ruilverkavelingsprojecten. Deze verbrede doelstelling, neergelegd in artikel 2 van de wet, bood een ingang voor (onder meer) belangen in het kader van de ruimtelijke ordening. Voorts is in artikel 9 van de wet bepaald dat bestemmingsmaatregelen ingevolge de Woningwet en ruilverkavelingen tegelijkertijd op eenzelfde gebied moeten kunnen worden toegepast.9 Onder het regime van de Ruilverkavelingswet 1954 konden, op basis van artikel 9, gronden, gelegen in een bebouwde kom of in een uitbreidingsplan, in het te verkavelen plan worden opgenomen.10
Bovenstaande openingen in de wettekst nemen echter niet weg dat ook de derde ruilverkavelingswet nog steeds als ‘zuiver agrarische wet’ moest worden gekenmerkt: het primaat lag nog duidelijk bij de agrarische belangen.11 Ruilverkaveling mag dan, als vorm van planologie, verwantschap hebben met de ruimtelijke ordening, de wetgever beschouwt de ruilverkaveling nog immer als zelfstandig instrument met een eigen, hoofdzakelijk agrarisch, karakter. Het navolgende citaat uit de Memorie van Antwoord bij de Ruilverkavelingswet 1954 illustreert dit treffend:
“De ondergetekenden kunnen met de hier aan het woord zijnde leden meegaan, wanneer deze stellen, dat ruilverkaveling een planologische ordening is, mits daarbij in het oog wordt gehouden, dat deze planologische ordening zich primair afspeelt in de agrarische sfeer. De opmerking dat deze ordening niet te scheiden is van een uitbreidings- c.q. streekplan, wensen de ondergetekenden zo te verstaan, dat tussen deze verschillende planologische maatregelen een coördinatie nodig is, welke allereerst gevonden moet worden in een goede samenwerking tussen de voorbereidende en uitvoerende instanties en vervolgens verwezenlijkt wordt door de hogere instanties, in casu Centrale Cultuurtechnische Commissie, Gedeputeerde Staten en de Kroon."12
De overheid is zich derhalve bewust van de noodzaak tot een zekere coördinatie tussen ruilverkaveling en ruimtelijke ordening, maar ziet hier niet direct een rol voor (de wettekst van) de Ruilverkavelingswet 1954 weggelegd. Door een goede samenwerking tussen de diverse betrokken instanties zou de benodigde coördinatie vanzelf moeten plaatsvinden, zo was de gedachte.
Door de sterke focus op de agrarische belangen binnen de ruilverkavelingswetgeving was, onder vigeur van de drie opvolgende ruilverkavelingswetten, sprake van een ondergeschikte positie van de ruimtelijke ordening ten opzichte van de landinrichting.
Toen beginjaren zeventig de eerste schreden werden gezet richting de vervanging van de Ruilverkavelingswet 1954 door een nieuwe wettelijke regeling, de Landinrichtingswet, 13 bleek dat de toegenomen aandacht voor de samenhang tussen beide deelgebieden, een tendens die zich – zij het zeer voorzichtig – had aangediend bij de invoering van de Ruilverkavelingswet 1954, onder het regime van de Landinrichtingswet verder werd doorgevoerd. Van onderschikking verschoof de balans tussen ruimtelijke ordening en landinrichting geleidelijk richting bovenschikking.14 Deze nieuwe krachtsverhoudingen blijken duidelijk uit de navolgende passage uit de Nota naar aanleiding van het Eindverslag bij het wetsvoorstel Landinrichtingswet:
“Met landinrichting wordt (…) een deel van het instrumentarium aangeduid waarmee de inrichtingssituatie van het landelijk gebied meer geschikt kan worden gemaakt voor het vervullen van de daaraan gegeven ruimtelijke functies. Het landinrichtingsinstrumentarium kan worden verdeeld in instrumenten waarmee gebieden integraal worden ingericht en instrumenten waarmee afzonderlijke maatregelen en voorzieningen kunnen worden getroffen. In dit ontwerp worden regelen gegeven voor het geïntegreerd treffen van maatregelen en voorzieningen, zodat een combinatie van op verschillende beleidsterreinen nagestreefde doelstellingen kan worden verwezenlijkt. De in het ontwerp geregelde vormen van landinrichting (…) worden op grond daarvan multisectorale instrumenten genoemd. (…) Vanuit verschillende sectoren wordt aanspraak gemaakt op de in ons land beperkt beschikbare ruimte. In het kader van de ruimtelijke ordening vindt een afweging plaats van de verschillende sectorbelangen, aan de hand waarvan de aanspraken Icunnen worden gehonoreerd door het toekennen van relevante ruimtelijke juncties aan een gebied. Door het landinrichtingsbeleid en het beleid inzake de ruimtelijke ordening op elkaar af te stemmen, draagt het landinrichtingsbeleid bij aan de verwezenlijking van het ruimtelijk beleid. Het op elkaar afstemmen van het landinrichtingsbeleid en het beleid inzake de ruimtelijke ordening vindt plaats door de in dit ontwerp en de in het ontwerp tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (…), aanwezige dwarsverbanden te hanteren. Een zodanige relatie past in het tweesporenbeleid dat inhoudt, dat de besluitvorming over ruimtelijk relevante aangelegenheden zowel in het kader van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (Stb. 1962, 286) plaatsvindt, als in het kader van verschillende sectorwetten en -regelingen, waartoe de Landinrichtingswet zal behoren. Aan plannen in het kader van de ruimtelijke ordening worden in beginsel de ruimtelijke randvoorwaarden ontleend, waarbinnen de inrichting ten behoeve van de verschillende functies dient plaats te vinden. De uitgangspunten voor de inrichting worden vanuit de verschillende sectoren, die in een project aan de orde komen, gegeven. Bij landinrichting is landen tuinbouw doorgaans betrokken, hetgeen in de regel ook met natuur, landschap en openluchtrecreatie het geval is. Daarnaast komen ook andere beleidsterreinen voor.”15
Bovenschikking in optima forma derhalve: de ruimtelijke ordening geeft de functies van de verschillende gebieden aan, de landinrichting bepaalt vervolgens, met inachtneming van deze functies, de inrichting van deze gebieden en bevat het instrumentarium om de benodigde projecten uit te voeren. Welke instrumenten in een specifieke situatie moeten worden ingezet, hangt af van de functie(s) van het betrokken gebied.
De ruimtelijke ordening had, voor het eerst in de (landinrichtings)historie, een zelfstandige en zelfs leidende positie weten te verwerven ten opzichte van de landinrichting.16
De heerschappij van de agrarische ruilverkaveling was nu definitief voorbij. Het veranderende Nederlandse landschap, waarbij de agrarische belangen verwerden tot slechts één van de vele, had hiermee zijn weerslag op de verhoudingen in landinrichtingsland: de gevestigde agrarische dynastie was ten val gebracht en had plaatsgemaakt voor een veelheid aan doelen en belangen, waarbij de ruimtelijke ordening tot vertrekpunt werd genomen.
De komst van de Interimnota Landinrichtingswet17 tijdens de parlementaire behandeling van de Landinrichtingswet, bevestigde deze bovenschikking en zorgde, zo zou men kunnen concluderen, voor een (zo mogelijk) nog verdergaande symbiose tussen beide elementen. Landinrichting werd in deze nota namelijk geduid als integraal onderdeel van de ruimtelijke ordening.18
Van onderschikking tot bovenschikking tot volledige integratie in een periode van slechts enkele jaren: de ruimtelijke ordeningstrein leek niet meer te stoppen en denderde in volle vaart door het landinrichtingslandschap.
Een citaat uit de Memorie van Toelichting bij de Landinrichtingswet sluit hier mooi op aan:
”Voor de goede werking van het onderhavige wetsvoorstel achten de ondergetekenden het van groot belang, dat een zodanig samenspel tussen ruimtelijke ordening en landinrichting ontstaat, dat enerzijds de landinrichting een bijdrage tot het ruimtelijk beleid vormt en anderzijds de landinrichting zich binnen de marges van de ruimtelijke ordening kan ontplooien.”19
Een wisselwerking tussen landinrichting en ruimtelijke ordening derhalve. Zoals hierna zal blijken is de volledige integratie tussen beide elementen bij de vervanging van de Landinrichtingswet door de WILG behouden gebleven, zodat de in de Interimnota Landinrichtingswet uitgezette lijnen op dit vlak ook thans nog actueel zijn.