Mandeligheid
Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/6.4.3:6.4.3 Overdraagbaarheid
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/6.4.3
6.4.3 Overdraagbaarheid
Documentgegevens:
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS483576:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naast de vraag naar de beschikkingsbevoegdheid staat de vraag naar de overdraagbaarheid. In verband daarmee dient zich de volgende vraag aan: hoe is het gesteld met de overdraagbaarheid van een aandeel in een eenvoudige gemeenschap?
Voor een beschikkingshandeling is beschikkingsbevoegdheid vereist. Deze is gerelateerd aan een bepaald goed. Het gaat over de relatie tussen een bepaalde persoon en een bepaald goed. Voorafgaand aan de vraag naar de beschikkingsbevoegdheid laat zich de vraag naar de overdraagbaarheid van een onverdeeld aandeel in een gemeenschappelijk goed stellen. Met overdraagbaarheid wordt de eigenschapvan een goed aangeduid.1 In beginsel zijn eigendom, beperkte rechten en vorderingsrechten overdraagbaar. Deze goederen zijn niet persoonsgebonden. De persoon van de gerechtigde kan worden vervangen. Het staat partijen niet vrij deze eigenschap, dat wil zeggen de overdraagbaarheid, aan de eigendom of aan het beperkt recht te ontnemen. Dit sluit aan bij het gesloten systeem van het goederenrecht. De wet of de aard van het recht kan zich evenwel tegen overdracht verzetten. Het beginsel van de overdraagbaarheid is vastgelegd in art. 3:83 lid 1.
Voor het onverdeelde aandeel in een gemeenschap lijkt het eropdat we moeten kijken naar het derde lid van dit artikel. Alle ‘andere rechten’ – en het onverdeeld aandeel in een gemeenschap is daar eenvan2 – zijn slechts overdraagbaar wanneer de wet dit bepaalt.
Titel 3.7 houdt echter geen uitdrukkelijke bepaling in betreffende de overdraagbaarheid van het aandeel in gemeenschappelijk goed. De overdraagbaarheid van een onverdeeld aandeel in een gemeenschap moet onder andere uit art. 3:178 worden afgeleid en wordt verondersteld in art. 3:96.3