Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/2.1
2.1 Inleiding
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS481358:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Memorie van Antwoord aan de Tweede Kamer bij het wetsvoorstel dat leidde tot de eerste Wet op de ondernemingsraden (Kamerstukken II, 884, nr. 5, p. 11).
Kamerstukken II, 884, nr. 5, p. 11.
Sociale grondrechten worden in de Memorie van Antwoord (Kamerstukken II 1975-1976, 13 873, nr. 7, p. 3) gedefinieerd als rechtsnormen die beogen te leiden tot een samenleving waarin de burger volledige ontplooiingsmogelijkheden heeft.
Kamerstukken II 1975-1976, 13 873, nr. 3, p. 11. Voor een uitgebreidere beschouwing over de horizontale werking van grondrechten verwijs ik naar de Memorie van Antwoord aan de Eerste Kamer bij de totstandkoming van de grondwetswijziging in 1983 (Kamerstukken I 1976-1977, 13 873, nr. 55b, p. 16-22).
Halverwege de vorige eeuw werd in brede kring erkend dat werknemers het recht hadden hun stem te laten horen en om gehoord te worden over verschillende aangelegenheden die de onderneming betroffen waarin zij werkzaam waren.1 Omdat collectieve arbeidsovereenkomsten doorgaans eindig zijn, zag de regering daarin onvoldoende basis om die stem vorm te geven. Slechts een wettelijke basis zou volstaan als algemene en hechte grondslag voor medezeggenschap van de werknemers in de onderneming.2 Die basis zou de Wet op de ondernemingsraden moeten gaan bieden. Het belang dat de wetgever sindsdien hecht aanmedezeggenschap spreekt uit het feit dat hij daaraan in 1983 in art. 19 lid 2, als een van de sociale grondrechten,3 een bepaling heeft gewijd in de Grondwet: ‘De wet stelt regels omtrent de rechtspositie van hen die arbeid verrichten en omtrent hun bescherming daarbij, alsmede omtrent medezeggenschap.’. Zover het de medezeggenschap van werknemers betreft kent art. 19 lid 2 hen geen rechtstreekse aanspraken toe. De bepaling heeft geen horizontale werking; zij legt de wetgever de plicht op regels te stellen die de medezeggenschap concretiseren.4