Einde inhoudsopgave
Accountantsaansprakelijkheid (R&P nr. CA20) 2019/5.3.4
5.3.4 Capita selecta inzake schade
mr. J.E. Brink-van der Meer, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. J.E. Brink-van der Meer
- JCDI
JCDI:ADS305342:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Algemeen
Juridische beroepen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Bij voordeel kan in geval van accountantsaansprakelijkheid gedacht worden aan: bespaarde kosten, belastingvoordelen en verzekeringsuitkeringen. Toxopeus-de Vries (2013), p. 231 e.v.
Lindenbergh (2014), nr. 10-15, Spier/Hartlief (2015), p. 260-261, 286 en 326.
HR 11 februari 1999, NJ 2000, 275 en HR 29 september 2000, NJ 2001, 105.
Gerechtshof ’s-Gravenhage 27 mei 2004, r.o. 9.8.
HR 13 oktober 2006, NJ 2008/527 r.o. 7.2.
Klaassen (2017), nr. 8.
Nass (2008), p. 185 e.v.
Lindenbergh (2014), nr.10-15, Spier/Hartlief (2015), p. 260-261, 286 en 326, Nass (2008), p. 185 e.v.
De verzekeringsplicht kan uit de wet, een verdrag of een overeenkomst voortvloeien. Nass (2008),p. 185 e.v.
Artikel 12 Verordening Accountantsorganisaties en Nass (2008), p. 185 e.v.
Heeft de aangesprokene de mogelijkheid om de schade (alsnog) te beperken, dan kan deze zich niet met succes op een schadebeperkingsplicht van de benadeelde beroepen, aldus HR 24 januari 1997, NJ 1999/56 m.nt. C.J.H. Brunner (Staat/De Ridder), Lindenbergh, (2014), nr. 10-15.
Lindenbergh (2014), nr. 10-15, Keirse (2003).
Model Algemene voorwaarden variant 1, zoals op 19 juni 2017 gedeponeerd bij de Griffie van de Rechtbank te Amsterdam onder nummer 39/2017.
Blaisse (2013), p. 13 e.v.
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II (2009), nr. 212, Huizink, in: GS Rechtspersonen, artikel 175 Boek 2 BW, aant. 5a.4.
Zie uitgebreider: Kroeze (2004), Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II (2009), nr. 209 e.v. en daar vermelde literatuur, Van Schilfgaarde (1997), p. 1 e.v., Kroeze (2000), p. 257 e.v, Huizink (2016), nr. 184, Overkleeft (2008), p. 2 e.v., Veenstra (2008), p. 140 e.v., HR 2 december 1994, NJ 1995/288, (Poot/ABP), HR 12 december 1997, NJ 1998/348, HR 14 juli 2000, NJ 2001/685, HR 13 oktober 2000, NJ 2000/699(S/SOBI) en HR 16 februari 2007, NJ 2007/256 (Tuin Beheer).
Huizink, in: GS Rechtspersonen, artikel 175 Boek 2 BW, aant. 5a.5.
Van Emden & De Haan (2014), paragraaf 8.3.
Huizink, in: GS Rechtspersonen, artikel 175 Boek 2 BW, aant. 5a.8.
Kroeze (2004), p. 220 e.v. Zie tevens: J.M.M. Maeijer in zijn noot bij HR 16 februari 2007, NJ 2007/ 256 (Gebroeders Tuin Beheer/Houthoff Buruma), Van Wijk (2008), p. 25 e.v., Timmerman (2006). Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme volgen dit standpunt niet, zie Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II (2009), nr. 209 e.v.
Blaisse (2013), p. 13 e.v.
Voordeel voor de benadeelde
Indien een beroepsfout naast schade tevens voordeel voor de benadeelde heeft opgeleverd, moet dit voordeel bij de vaststelling van de te vergoeden schade in rekening worden gebracht, voor zover dit redelijk is (artikel 6:100 BW).1 Hierbij is van belang dat het voordeel daadwerkelijk genoten moet zijn.2 Een belangrijke voorwaarde voor voordeelstoerekening is dat de schade en het voordeel moeten voorvloeien uit ‘een zelfde gebeurtenis’. De Hoge Raad legt een strenge maatstaf aan met betrekking tot de vraag wat onder ‘een zelfde gebeurtenis’ dientte worden verstaan.3 De vraag of sprake is van ‘een zelfde gebeurtenis’ is aan de orde gekomen in het geschil dat ten grondslag ligt aan het Vie d’Or arrest. De aansprakelijk gestelde accountant beroept zich hier op voordeelstoerekening. Het hof4 overweegt dat geen plaats is voor voordeelstoerekening. Het hof onderbouwt dit standpunt als volgt. De polishouders bij Twenteleven zijn op een unit-linked verzekering overgestapt en kunnen sindsdien geprofiteerd hebben van gestegen beurskoersen. Dit mogelijke voordeel is echter niet het gevolg van dezelfde gebeurtenis waardoor zij schade hebben geleden. De schade van de polishouders is geleden als gevolg van de onrechtmatige daad van de accountants. De koerswinsten zijn daarentegen het gevolg van de keuze die de polishouders hebben gemaakt voor een unit-linked verzekering. De Hoge Raad oordeelt met betrekking tot het hiertegen ingestelde cassatiemiddel dat het onderdeel faalt.
A-G Timmerman wijst in dit verband op het feit dat het beleggingsrisico ook anders had kunnen uitvallen. Daarmee dient het beleggingsrendement te worden beschouwd als een gevolg van een keuze van de (oud-)polishouders en kan het niet worden beschouwd als een voordeel dat voortvloeit uit het onrechtmatig geoordeelde handelen van de accountants.5
Matiging
De rechter kan de toe te kennen schadevergoeding matigen. De bevoegdheid tot matiging van de wettelijke verplichting tot schadevergoeding is van dwingend recht (artikel 6:109 lid 3 BW).6
Indien toekenning van volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden, kan de rechter een wettelijke verplichting tot schadevergoeding matigen (artikel 6:109 lid 1 BW). Bij de gegeven omstandigheden kan gedacht worden aan: de aard van de aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht.7 De rechter dient zijn bevoegdheid tot matiging van de wettelijke verplichting tot schadevergoeding terughoudend toe te passen.8
De matiging mag niet geschieden tot een lager bedrag dan waarvoor de schuldenaar zijn aansprakelijkheid door verzekering heeft gedekt of verplicht was te dekken (artikel 6:109 lid 2 BW).9 Zoals in paragraaf 5.2.3 reeds aan de orde is gesteld, dient de accountantsorganisatie er voor zorg te dragen dat zij ter zake het risico van beroepsaansprakelijkheid van haarzelf en van de bij haar werkzame of aan haar verbonden medewerkers en andere personen in redelijke mate is verzekerd.10 Dientengevolge zal rechterlijke matiging van de wettelijke verplichting tot schadevergoeding bij beroepsaansprakelijkheid van de accountant (sorganisatie) alleen aan de orde kunnen zijn indien de schade het verzekerde bedrag overtreft. Ten aanzien van het gedeelte van de schade dat het verzekerde bedrag overtreft, zal er dan reden tot matiging kunnen zijn.
Schadebeperkingsplicht
Degene die schade11 lijdt (de benadeelde), heeft de plicht om de schade binnen redelijke grenzen te beperken.12 Aan de schadebeperkingsplicht mogen niet al te hoge eisen worden gesteld. Dit komt voort uit het feit dat de schade in eerste instantie is veroorzaakt door een normschending van de aangesproken accountant. Op de benadeelde rust de plicht om de schade te beperken vanaf het moment dat de benadeelde bekend is met de schadetoebrengende gebeurtenis. Doet de benadeelde dit niet, dan kan de rechter eventueel matigen op grond van eigen schuld van de benadeelde (zie paragraaf 5.6.1).
De schadebeperkingsplicht is opgenomen in het model Algemene voorwaarden13 zoals door de NBA geadviseerd. Opdrachtgever dient schadebeperkende maatregelen te nemen (artikel 11 lid 7). De accountantsorganisatie heeft als opdrachtneemster vervolgens het recht om de schade ongedaan te maken of te beperken door herstel of verbetering van de uitgevoerde werkzaamheden.
Verjaring
Een vordering tot vergoeding van schade verjaart vijf jaar na aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daar-voor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en in ieder geval twintig jaar na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt (artikel 3:310 lid 1 BW).
Afgeleide schade
De door een benadeelde opdrachtgever of derde te vorderen schade kan bestaan uit waardevermindering van aandelen. Hier is het leerstuk van de ‘afgeleide schade’ relevant. Ik sta stil bij dit leerstuk omdat Blaisse14 stelt dat in het Vie d’Or geschil sprake was van afgeleide schade van de polishouders.
Het leerstuk van de ‘afgeleide schade’ heeft betrekking op de schade die de aandeelhouder van een vennootschap lijdt als gevolg van de waardevermindering van zijn aandelen in de vennootschap, welke waardevermindering het gevolg is van de schade die is toegebracht aan het vermogen van de vennootschap door een wanprestatie of onrechtmatige daad van een derde (hierna: de derde- schadeveroorzaker).15 De aandeelhouder heeft in geval van afgeleide schade in beginsel geen vorderingsrecht jegens de derde-schadeveroorzaker. De vennootschap lijdt feitelijk de schade en de vennootschap zal in dat geval vergoeding van de schade van de derde-schadeveroorzaker moeten vorderen.16 Indien de vennootschap de derde-schadeveroorzaker niet tot vergoeding van de door haar geleden schade aanspreekt, ontstaat geen vordering van de aandeelhouder.17 De aandeelhouder kan slechts zelf schadevergoeding vorderen indien de derde-schadeveroorzaker een specifiek ter bescherming van de aandeelhouder geldende zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden.18 Huizink merkt op dat in dat geval de aandeelhouders rechtstreeks schade wordt toegebracht en dat in dat geval bezwaarlijk valt te spreken van afgeleide schade.19 Hij merkt dan ook op dat het begrip afgeleide schade ‘nogal verwarrend ’ is.
Door onder andere Kroeze is betoogd dat niet alleen een aandeelhouder maar ook een schuldeiser afgeleide schade kan lijden.20 Blaisse 21 deelt de mening van Kroeze en bepleit aan de hand van het begrip in bredere zin dat in het Vie d’Or geschil sprake is van afgeleide schade van de polishouders. Mijns inziens is echter sprake van rechtstreekse schade van de polishouders, ik ben het dan ook niet eens met Blaisse. Immers, er was sprake van een schending door de accountant van een specifiek ter bescherming van de polishouders geldende zorgvuldigheidsnorm. In dat geval kan de derde zelf schadevergoeding vorderen.