Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/2.5.3.1
2.5.3.1 Concrete toetsing
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS482175:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Gerards 2009, p. 169.
Zie de vorige noot.
Zie de voorlaatste noot.
EHRM 19 september 2000 (I.J.L. e.a. t. Verenigd Koninkrijk), § 97.
Gerards e.a. 2013 (II), commentaar op art. 38, aant. C.1.2, met verwijzing naar EHRM 26 april 2011 (Enukidze en Girgvliani t. Georgië), § 286.
Zie EHRM 19 september 2000 (I.J.L. e.a. t. Verenigd Koninkrijk). Voorts EHRM 11 december 2008 (Panovits t. Cyprus), NJ 2009, 215 (m.nt. Reijntjes), § 87-88.
Vgl. EHRM 10 september 2002 (Allen t. Verenigd Koninkrijk), FED 2003/589 (m.aant. Thomas), NJCM-Bulletin 2003, p. 160.
Zie Koopman 1996, p. 182 en Dekens 2006, p. 13. Illustratief is de formulering in EHRM 29 juni 2007 (O’Halloran en Francis t. Verenigd Koninkrijk), NJ 2008, 25 (m.nt. Alkema); FED 2008/81 (m.aant. Thomas), § 52: ‘the court considered the right to remain silent and the privilege against self-incrimination in the following terms’ (cursivering toegevoegd).
Vgl. EHRM 11 juli 2006 (Jalloh t. Duitsland), NJ 2007, 226 (m.nt. Schalken); NJCM-Bulletin, jrg. 32 (2007) (m.nt. Van Kempen), waarin het Hof een korte schets van zijn rechtspraak geeft.
In § 2.4.1 kwam aan de orde dat het EHRM primair is ingesteld om rechtsherstel in individuele gevallen te bieden. Het op het individu gerichte karakter van grondrechten impliceert een noodzaak van individualisering.1 Hun primaire functie is de menselijke waardigheid en de eigen mogelijkheden tot zelfontplooiing te waarborgen.2 Het Hof kan op zichzelf dan ook niet volstaan met een abstracte toetsing van de (beleids)voorschriften van de verdragsstaat tegen wie een klacht over schending is gericht. Het zal moeten nagaan of de toepassing daarvan in een individueel geval – gelet op de omstandigheden – resulteert in een onaanvaardbare aantasting van één of meer rechten of vrijheden.3
Daarbij geldt dat, wanneer partijen twisten over de feiten, het Hof zich primair zal baseren op de feiten zoals die zijn vastgesteld door de nationale rechter.4 Vooral in zaken waarin het Hof moet oordelen over een klacht over schending van art. 2 of art. 3 EVRM, acht het zich verplicht om zelf bijzonder grondig onderzoek te doen.5
Oordeel in aanleg beperkt tot ingediende klacht
De nadruk op de omstandigheden van het geval heeft tot gevolg dat het Hof zich in beginsel beperkt tot het geven van een oordeel over de ingediende klacht. Vanwege deze concrete toetsing geeft de inhoud van de individuele klacht (en ook datgene waarover niet of onvoldoende gemotiveerd wordt geklaagd)6 meer dan eens richting aan het oordeel van het Hof.7 De sterk casuïstische uitspraken die daarvan het gevolg zijn, maken het niet steeds gemakkelijk om daaruit algemeen geldende regels af te leiden.8 De aan het (eind)oordeel voorafgaande rechtsoverwegingen geven wel (enig) houvast; vooral wanneer het overwegingen ten overvloede betreft.9