Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/VI.3.7
VI.3.7 Het hoger beroep
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS379794:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Een voorbeeld is de casus Van Huizen, waarover de rechtbank opmerkte: 'Het gaat in deze zaak zeer beknopt weergegeven — om de beëindiging van de samenwerking tussen Johan en Aart in de Vennootschap.' Zie Rb. Rotterdam 13 december 2006, JOR 2006/86 (Van Huizen), ro. 4.1. Naast de uittreding ging het onder meer over de winstbestemming en de vernietiging van de besluiten van de aandeelhoudersvergadering.
Hof Den Bosch 12 maart 2002, ARO 2002/72 (Hooymans).
Hof Arnhem 22 april 2003, ARO 2003/91 (Sonder).
OK 16 mei 1991, NJ 1992, 203 (Van Baarsen/Van Vliet), ro. 4.1-4.2. 'Een onbevredigende processuele complicatie', aldus commentator Slagter, TVVS 1991, p. 272. Hij achtte ingrijpen door de wetgever nodig omdat de aandelen door de wandaden van de aandeelhouders vaak reeds voor de uittreding in waarde dalen.
OK 25 maart 1995 en 27 november 1997, NJ 1998, 538 (Ramp/Lensen). Overigens eiste aandeelhouder Ramp in hoger beroep blijkbaar zijn eigen niet-ontvankelijkheid. De OK stelde voorop (ro. 3.4) dat dit onderdeel van het petitum 'onbegrijpelijk' was, er viel niet 'enige zin toe te kennen' aan deze eis. Commentator Slagter (Ondernemingsrecht 1999, p. 58-59) vond het 'terecht' dat de OK in haar laatste uitspraak opmerkingen maakte over de slordige en ondeskundige wijze van procederen in deze zaak. Hij gaf aan dat, al is het hof Amsterdam in hoger beroep bevoegd de (schadevergoedings)vorderingen te beoordelen, de OK dan nog steeds onbevoegd blijft, ook al is zij aan dit hof verbonden.
OK 19 januari 2006, JOR 2006/127 (Fin(d)it).
Zie ook de uitleg in Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 18. De tekst van de verwijzingszin in art. 2:336 lid 3 BW luidde in het wetsvoorstel enigszins anders, maar door een wijziging van redactionele aard, Kamerstukken 18 905, nr. 7 (NvW), p. 1, is de thans geldende wettekst tot stand gekomen.
HR 11 september 1996, NJ 1997, 177 (Zondag Beheer).
Zie HR 11 september 1996, NJ 1997, 177 (Zondag Beheer), m. 3.2, waarin hij zijn overwegingen uit HR 5 juni 1992, NJ 1993, 204 (Bayfme/Van Leeuwen) herhaalde. Zie over deze vorm van partijwisseling ook Asser procesrecht/Bakels, Hammerstein en Wesseling- van Gent 4 (2009), nr. 48. In de commentaren op de uitspraak van de Hoge Raad inzake Zondag Beheer werd aan deze processuele regel geen enkele aandacht besteed, met uitzondering van Asser (1997), p. 69-71, die zijn instemming betuigde.
Tweemaal in hoger beroep komen van hetzelfde vonnis is in het geheel niet toegestaan, ondervond broer Geert in de zaak Hooymans. Tegen het vonnis was reeds geappelleerd. Een tweede gang naar de OK leidde tot haar overweging dat hij 'zijn kruit verschoten' had. De OK verklaarde broer Geert niet-ontvankelijk. Zie OK 7 oktober 2008, JOR 2008/333 (Hooymans).
Zie Snijders, Klaassen en Meijer (2007), nr. 318.
Zie ook Leijten (1997), p. 79. Hij beschreef de situatie onder art. 337 Rv (oud), maar die verschilde op dit punt niet van het sinds 2002 geldende artikel. Zie ook Sanders/Westbroek (2005), p. 373-374, die 'er niet gerust op' waren dat de rechtbank er aan dacht haar tussenvonnis op het punt van de toewijzing van de vordering vatbaar te verklaren voor appel.
Aldus uitdrukkelijk OK 27 november 1997, NJ 1998, 538 (Ramp/Lensen), m.3.8. Zie ook OK 19 januari 2006, JOR 2006/127 (Fin(d)it), ro. 4.10, waarin de OK stelde dat geen hogere voorziening openstond tegen vonnis waarin de door de deskundige te hanteren uitgangspunten werden geformuleerd.
In eerste aanleg kan de rechtbank alle vorderingen tussen de aandeelhouders behandelen. De uitstotings- of uittredingsvordering is niet zelden één van de elementen waarover men twist.1 In hoger beroep lopen de diverse vorderingen in verband met de relatieve competentiebepaling in art. 2:336 lid 3 BW uiteen.
In § VI.3.a kwam reeds aan de orde dat in hoger beroep de OK de bevoegde rechterlijke instantie is. In de praktijk wordt deze bijzondere competentie nog al eens over het hoofd gezien.
Uittredende broer Geert (of zijn advocaat) maakte het op dit punt bont. Van het eerste vonnis van de rechtbank ging hij in hoger beroep bij de OK, doch de OK zag zich genoodzaakt de zaak deels te verwijzen naar het Hof Den Bosch, voor zover de grieven zich niet richtten tegen de uittredingsbeslissing maar tegen de andere geschilpunten, zoals een schadevergoedingsvordering. Vervolgens vernietigde de OK het uittredingsvonnis van de rechtbank gedeeltelijk en wees zij de zaak terug naar de Rechtbank Den Bosch voor verdere behandeling. Nadat de rechtbank vervolgens in één van haar tussenvonnissen twee deskundigenberichten beval (een aanvullende door de al benoemde deskundige en een nieuwe door een andere deskundige), stelde broer Geert hiertegen hoger beroep in bij het hof te Den Bosch. In het onbevoegdheidsincident verklaarde laatstgenoemde zich terecht onbevoegd en verwees zij de zaak ter verdere afdoening naar de OK.2
In een andere casus — eveneens een uittredingszaak tussen twee broers — zag broer Willem die hoger beroep had ingesteld bij het gewone hof, zijn fout in. In het onbevoegdheidsincident deelde hij de mening van broer Henny en vroeg hij verwijzing naar de OK. Het Arnhemse Hof zag dat het inderdaad ex art. 2:343 jo. 2:336 lid 3 BW bevoegdheid ontbeerde en verwees de zaak. Broer Willem werd logischerwijze veroordeeld in de kosten van het incident.3
Het probleem kan zich eveneens voordoen indien de geschillenregelingvordering en een hiermee samenhangende vordering beide bij de OK terechtkomen. In eerste instantie is de rechtbank van de woonplaats van de vennootschap waarin de aandelen gehouden worden, bevoegd van de uittredingsvordering kennis te nemen. Indien de gedagvaarde medeaandeelhouder ook woont of zetelt in dit arrondissement, kan de rechtbank de schadevergoedingsvordering van de uittredende aandeelhouder tegelijk behandelen. De vorderingen zien immers veelal op hetzelfde feitencomplex. Het is het gedrag van de gedaagde medeaandeelhouder dat tot de wens tot uittreding en de vraag naar schadevergoeding aanleiding geeft. In hoger beroep scheiden de wegen zich echter. De uittredingsprocedure behoort tot het exclusieve domein van de OK, terwijl de schadevergoeding wegens onrechtmatig gedrag op het bord van het gewone hof, met toepassing van de normale competentie, terecht dient te komen. Dit leidt nog al eens tot procesrechtelijke problemen.
Twee jaar na de invoering van de wettelijke geschillenregeling ging het al mis. In mei 1991 stelde de OK dat slechts zij ex art. 2:336 lid 3 jo. 2:343 lid 1 BW bevoegd was in hoger beroep van de uittredingsvordering kennis te nemen. De veroordeling tot het betalen van een schadevergoeding behoorde tot het domein van de gewone rechter. Op dat punt ontbeert een wettelijk voorschrift dat de OK competent maakt.4
In 1995 zag de OK zich eveneens genoodzaakt enige rechtsoverwegingen te wijden aan de omvang van de rechtsstrijd in hoger beroep. Met een verwijzing naar haar arrest inzake Van Baarsen/Van Vliet stelde zij dat slechts de grieven die met betrekking tot de uittreding voor behandeling in aanmerking kwamen. Het hoger beroep betreffende de andere beslissingen van de rechtbank, zoals de schadevergoedingsvordering, diende behandeld te worden door de gewone rechter, in casu het Hof Arnhem. Nadat de rechtbank vervolgens de prijs van de aandelen alsook de hoogte van de schadevergoeding had vastgesteld, ontkwam de OK er in 1997 niet aan deze procesrechtregels nogmaals aan de eisende aandeelhouder uit te leggen. De aandeelhouder wenste namelijk wederom het hele vonnis van de rechtbank aan te vallen en aan het oordeel van de OK te onderwerpen. 5
Het kan ook spaak lopen. In 2006 zag de OK zich andermaal genoodzaakt partijen erop te wijzen dat zij in hoger beroep bevoegd was om over de uittredingsvordering te oordelen, maar niet over de diverse vorderingen tot schadevergoeding wegens gesteld onrechtmatige gedragingen. In casu lag de bevoegdheid voor al deze laatstgenoemde vorderingen bij de gewone meervoudige kamer van het hof te Amsterdam, doch niet bij de (aan hetzelfde hof verbonden) OK. Omdat zich tegen het eerste vonnis van de rechtbank waarin de uitstoting werd bevolen geen grief richtte, kon de OK niet anders dan de eiser niet-ontvankelijk verklaren. De uittreding stond vast.6
Naast de afwijkende rechterlijke competentie gelden in hoger beroep de normale procesrechtelijke regels. Omdat zowel het toewijzend vonnis tot uitstoting of uittreding als het vonnis waarin de prijs is vastgesteld niet uitvoerbaar bij voorraad kunnen worden verklaard (zie § VI.3.6.c), heeft het instellen van hoger beroep ex art. 350 lid 1 Rv schorsende werking.
Een praktische regel in verband met de concentratie van de hoger beroepmogelijkheid bij de OK is vervat in de tweede zin van art. 2:336 lid 3 BW. Art. 344 Rv is van (overeenkomstige) toepassing, al moet voor 'een meervoudige kamer' de OK' worden gelezen. Dit brengt mee dat in hoger beroep de zaak ter rolle van de enkelvoudige kamer staat ingeschreven en ook door deze kamer behandeld wordt. Eerst indien pleidooi wordt gevraagd of recht op stukken wordt verzocht, verwijst de enkelvoudige kamer de zaak naar de OK. Uit de toelichting volgt dat deze verwijzing dwingend is, en in zoverre dus aansluit bij de strekking van het algemene procesvoorschrift in civiele zaken dat een meervoudige kamer in hoger beroep beslist.7
Een voorbeeld van de toepassing van de algemeen geldende procesrechtelijke bepalingen was de uitspraak van de Hoge Raad inzake Zondag Beheer. In deze uittredingszaak ontstond een dispuut over de waardestijging van de aandelen tussen de peildatum voor de waardebepaling en de datum van de overdracht. 8 De aandelen waren reeds overgedragen en betaald, maar de uittredende aandeelhouder meende dat hem een hogere prijs toekwam dan de vastgestelde waarde. Inmiddels had hij zijn (gepretendeerde) vordering na het vonnis van de rechtbank, maar voor het verstrijken van de appeltermijn, gecedeerd aan een derde. In cassatie lag vervolgens de vraag voor of de cessionaris ontvankelijk was in zijn hoger beroep van een uittredingsvonnis ex art. 2:343 BW in eerste aanleg. De Hoge Raad stelde dat een rechtsverkrijgende onder bijzondere titel van een door de eisende partij geldend gemaakte vordering voor wat betreft de bevoegdheid tot het aanwenden van een rechtsmiddel moest worden aangemerkt als partij bij de uitspraak waarbij het rechtsmiddel openstaat. Deze regel was gegeven om te voorkomen dat de rechtsverkrijgende krachtens art. 67 Rv (oud, thans art. 236 Rv) gebonden zou zijn. De oorspronkelijke eiser was na de overdracht niet langer de schuldeiser en de vordering en het rechtsmiddel kwamen hem dus niet meer toe. Deze regel gold volgens de Hoge Raad eveneens voor het geval van Zondag Beheer. Het belang bij de vordering was overgegaan op de cessionaris. De OK had derhalve op goede gronden het appel ontvankelijk geacht 9
De verscheidene vonnissen in een geschillenregelingprocedure en de appellabiliteit van deze vonnissen leiden tot verwarring. Het tussenvonnis is een gedeeltelijk eindvonnis, voor zover op de uitstotings- of uittredingsvordering wordt beslist. Bij een dergelijk deelvonnis kan en moet van het eindvonnis geappelleerd worden, indien over de mogelijkheid van hoger beroep niets is bepaald.10
De gewone regels van art. 337 Rv gelden ook hier. Wijst de rechtbank bijvoorbeeld een uitstotingsvordering toe met de benoeming van deskundigen, maar zwijgt zij over de appellabiliteit, dan zal de uit te stoten aandeelhouder direct en binnen drie maanden (zie art. 339 Rv) hoger beroep tegen zijn uitstoting moeten aantekenen.11 Het probleem ontstaat indien de rechter tussentijds hoger beroep uitsluit. De deskundige moet namelijk wachten totdat het tussenvonnis onherroepelijk is geworden. Met de uitsluiting van hoger beroep gebeurt dit echter niet, zodat men wacht tot Pasen en Pinksteren op één dag vallen. Dit baat de snelheid van de procedure dus niet.12
Voor de twee bijkomende beslissingen van een geschillenregelingprocedure staat geen hogere voorziening open, aldus art. 2:338 lid 1 BW met betrekking tot de toestemmingsverlening voor de vervreemding van de aandelen en art. 2:339 lid 1 BW voor de deskundigenbenoeming. Ten aanzien van de beslissing omtrent de deskundigenbenoeming geldt dat de laatste zin van art. 2:339 lid 1 BW niet eng opgevat dient te worden. Omdat de afwijkende regel dat geen hogere voorziening mogelijk is vertraging van de procedure beoogt te voorkomen, dient deze regel ruim uitgelegd te worden. Bijkomende beslissingen, zoals de bepaling dat een van de partijen een voorschot aan de deskundige moet betalen, vallen ook onder de laatste zin van art. 2:339 lid 1 BW.13 Is een procespartij van mening dat de door de rechtbank benoemde deskundige niet capabel genoeg is, dan dient zij af te wachten totdat het deskundigenbericht gereed is. In hoger beroep kan zij vervolgens de wijze van waardering en de hiermee samenhangende inhoud van het deskundigenbericht ter discussie stellen. De OK mag dan besluiten andere deskundigen aan te stellen die een nieuw bericht vervaardigen.
Ook de bijzondere procedure van art. 2:341 lid 7 en 2:343 lid 9 BW (zie § VI.3.6.e) kent slechts één instantie. Tegen het weigeren van de toestemming om de aandelen te verkopen aan een derde, is dus geen hoger beroep (of cassatie) mogelijk. De vraag is of de aandeelhouder niettemin, zodra de hele procedure bij de rechtbank afgerond is, in hoger beroep nogmaals de toestemming kan vorderen. Mijns inziens is dit mogelijk, maar moet er wel sprake zijn van nieuwe feiten en omstandigheden die een tweede vraag rechtvaardigen.