Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/5.2.4
5.2.4 Stroming 3: Rechtseconomen en de ‘right to a thing’-opvatting
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS296771:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Merrill & Smith 2001a, p. 365; Smith 2011b, p. 280.
Direct betrekking op dit onderwerp hebben in ieder geval Merrill 1998; Merrill & Smith 2001b; Merrill & Smith 2011; Smith 2011b; Lee & Smith 2012; Smith 2012a; Smith 2014; Merrill & Smith 2016; Smith 2017.
Smith 2007, p. 1752–1753.
Merrill & Smith 2011, p. 90, 99.
Merrill & Smith 2001a, p. 389.
Merrill & Smith 2010, p. 9.
Merrill 1998, p. 748; Smith 2014, p. 96.
Smith 2013, p. 336; Smith 2014, p. 96–97.
Zie bijvoorbeeld Merrill 1998, p. 730; Lee & Smith 2012, p. 153; Smith 2011b, p. 284-285. Inderdaad geldt dat veel goederenrechtelijke rechten voorzien zijn van ‘claims’ om anderen uit te sluiten, hoewel deze ‘claims’ niet altijd absoluut zijn. Een voorbeeld is te vinden in het Schotse (en in beperktere mate het Engelse en Welshe) recht, dat bepaalt dat het aan iedereen is toegestaan om onder bepaalde voorwaarden het perceel van een ander te betreden onder het zogenaamde ‘right to roam’; zie Alexander 2016, p. 4.
160. Vooral onder invloed van de (rechts)economen Merrill en Smith is de afgelopen jaren de ‘right to a thing’-opvatting ontwikkeld. Zij bouwen daarbij voort op het werk van (onder meer) Penner. Eén van de doelstellingen van de ‘right to a thing’-opvatting is te laten zien dat het niet mogelijk is om de juridische posities waaruit een goederenrechtelijk recht bestaat, zó te ‘kneden’ dat er willekeurig welk beleidsdoel mee kan worden nagestreefd.1 De ‘right to a thing’-opvatting zet zich daarmee af tegen de ‘bundle of rights’-opvatting. In een lange reeks artikelen betogen de auteurs dat sommige juridische posities – meer specifiek ‘claims’ om inbreuk van derden tegen te gaan – zó essentieel zijn voor een goederenrechtelijk recht, dat deze er niet zomaar uit verwijderd kunnen worden.2
161. De reden daarvoor zoeken zij in het concept transactiekosten. Zo stelt Smith:
“We could imagine a world in which property looked very different. If delineation were costless, we would not have this heavy reliance on broad exclusion rights in the law of property. Instead of delineating things, and recognizing owners' rights to exclude others from those things, we would build everything from the ground up, based on interests in use and on the specific types of actions that either constitute uses or interfere with uses. We could specify in a grand tort- or contract-like scheme a list of all the actions (i.e., uses of resources) that each person is entitled to take or to veto. Each legal relation (dealing with a narrowly defined type of use) between every pair of individuals would be drawn up in this gigantic list. We don't live in this hyperrealist, ultra-Hohfeldian world because the cost would far outstrip any benefit.”3
162. Smith vergelijkt hier de echte wereld met een wereld zonder transactiekosten. In zo’n fictieve wereld zijn goederenrechtelijke rechten overbodig, omdat het mogelijk is om met iedereen simpelweg afspraken te maken over het gebruik van schaarse middelen. In de echte wereld zouden er echter enorme kosten mee gemoeid zijn als de gerechtigde tot een goederenrechtelijk recht zijn aanspraken zou moeten uitonderhandelen met alle mogelijke derden.4 Het bestempelen van een recht als ‘goederenrechtelijk’ bespaart op deze transactiekosten door een duidelijk signaal af te geven: alle anderen dienen zich te onthouden van inbreuk.5 Ook hier geldt dat het rechtsobject ‘medieert’ tussen de gerechtigde en deze anderen.6 Het is dus niet nodig dat deze anderen in een bijzondere relatie tot de gerechtigde staan of hem zelfs maar kennen.7 Wederom kan worden verwezen naar een parkeerplaats vol auto’s, waarbij een voorbijganger de eigenaren van de auto’s niet hoeft te kennen om te weten dat hij geen inbreuk op hun eigendomsrechten mag maken (zie randnummer 157).8 Voor aanhangers van de ‘right to a thing’-opvatting is het kunnen uitsluiten van anderen zó’n essentieel onderdeel van een goederenrechtelijk recht, dat ieder goederenrechtelijk recht een set met ‘claims’ zal bevatten om inbreuk tegen te gaan.9 Ik bespreek de implicaties van de ‘right to a thing’-opvatting hieronder in meer detail.