3.1. Oordeel AFM
Op grond van het verrichte onderzoek is de AFM van oordeel dat Partrust artikel 8.8 Whc juncto artikel 6:193d BW overtreedt. Partrust verricht een handelspraktijk die door de wetgever is omschreven als ‘in het bijzonder oneerlijk’, namelijk de ‘misleidende handelspraktijk’ als bedoeld in artikel 6:193b, derde lid, onder a, BW. De misleidende handelspraktijk van Partrust bestaat naar het oordeel van de AFM uit de misleidende handelspraktijk als genoemd in artikel 6:193d, eerste lid, BW, de ‘misleidende omissie’. Onder de misleidende omissie wordt in artikel 6:193d, tweede lid, BW door de wetgever begrepen het weglaten van essentiële informatie welke de gemiddelde consument nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen, waardoor de gemiddelde consument een besluit over een overeenkomst neemt of kan nemen, dat hij anders niet had genomen. Partrust handelt onrechtmatig jegens haar beleggers door een oneerlijke handelspraktijk te verrichten. Partrust laat essentiële informatie weg over de verhouding tussen de inleg en de investeringen, de verhouding tussen de netto inleg en de uitbetalingen aan beleggers, de gerealiseerde kasstromen en de actuele financiële situatie van Partrust, die de beleggers nodig hebben om een geïnformeerd besluit te nemen over het uitoefenen van hun contractuele rechten in verband met de obligatieovereenkomsten en het herstructureringsvoorstel, dan wel over het accepteren van het herstructureringsvoorstel. De beleggers kunnen hierdoor een besluit nemen, dat zij anders niet hadden genomen. De AFM onderbouwt haar oordeel in paragraaf 6 van dit rapport.
paragraaf 6:
(…)