Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/1.II.F.5
5. Geen subsidie bij provinciegrensoverschrijding!
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS478602:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Ik verwijs naar de onderdelen B.9 en E.l.g van dit hoofdstuk.
Vgl. art. 2.1 sub b Subsidieverordening inrichting landelijk gebied Zeeland en art. 1.1 Subsidieverordening Inrichting Landelijk Gebied Limburg, provincies die slechts transacties subsidiëren die zich volledig binnen het grondgebied van hun eigen provincie afspelen, met art 4.1.1 lid 2 sub a onder ii van de Uitvoeringsverordening subsidie Inrichting Landelijk Gebied provincie Utrecht, waaruit blijkt dat de provincie subsidieert indien de gronden voor meer dan 50% in de provincie Utrecht liggen.
Zie bijv. art. 9.6.2 lid 2 van het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2011.
Kamerstukken II 2005/2006, 30509, nr. 21. Zie tevens de onderdelen B.9 en E.l.g van dit hoofdstuk.
J.W. Wiltink, ‘Reactie naar aanleiding van het artikel ‘Kavelruil anno 2010: de stand van zaken’ in Agrarisch Recht 2010, p. 316’, p. 10, stelt het aldus: ‘ De mening van de heer Rheinfeld over de problematiek van subsidiëring van provinciegrens overschrijdende kavelruilen deel ik. Dit is een punt van kritiek dat de provincies zich mogen aantrekken. Het is op zijn minst bijzonder te noemen dat zij onderling geen afspraken hebben kunnen of willen maken over een gezamenlijke subsidieregeling, of in elk geval over grensoverschrijdende kavelruilen. Het zou de praktijk al enorm helpen als een subsidieaanvraag voor een grensoverschrijdende kavelruil bijvoorbeeld kan worden ingediend in de provincie waar het grootste deel van de kavelruil ligt.’ Laatstgenoemde suggestie lijkt mij een prima (tijdelijke) oplossing voor de praktijk.
Dit klemt temeer daar sinds 1-1-2007 de vrijstelling ex artikel 15, lid 1, onderdeel v, WBR (bedrijfsverplaatsing van en naar landinrichtingsgebieden) is vervallen. Zie tevens grenspost 2 van dit onderzoek.
Ik wijs in dit verband op Kamerstukken II 2005/2006, 30509, nr. 6, p. 33: ‘(…) de toepassing van de ruilverkaveling bij overeenkomst heft onder de vigeur van de Landinrichtingswet een grote vlucht genomen. Algemeen wordt deze landinrichtingsvorm (het betreft – uiteraard – de kavelruil, JR) gewaardeerd als eenvoudig, relatief snel en goedkoop’.
Zie in dit kader tevens Kamerstukken II 1979/1980, 15907, nrs. 3-4 (MvT), p. 50: ‘Een inrichtingsgebied kan in meer dan één provincie liggen.’ Overigens is, mede naar aanleiding van deze constatering, bij mij het idee voor ‘(lands)grensoverschrijdende kavelruil’ ontstaan. Ik ben de provincies in dat opzicht dankbaar voor hun ‘starheid’ op dit punt.
Hof Amsterdam 27 oktober 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BU3092, r.o. 7.3. Zie tevens het vorige hoofdstuk, onderdeel G.6.j.l3.
Zonder dat ik hierbij het verband wil leggen met het (in de WILG niet teruggekeerde) fenomeen ‘begrenzingenplan’ uit artt 131 en 132 Uw.
Ik ontwaar hier een zeker vorm van (what’s in a name) rechtsprovincialisme.
Hiervoor is al uitgebreid gesproken over de mogelijkheden die de WILG heeft geschapen voor het via kavelruil bewerkstelligen van een bedrijfsverplaatsing.1 In het verlengde hiervan is er een belangrijke kwestie die ‘op subsidieniveau’ aandacht verdient: de (on)mogelijkheid van een bedrijfsverplaatsing over provinciegrenzen heen door middel van een gesubsidieerde kavelruil.
Voor de praktijk is het problematisch dat, sinds de invoering van de WILG, ‘provinciegrenzenoverschrijdende’ bedrijfsverplaatsing door middel van kavelruil vrijwel onuitvoerbaar is, dan wel omdat men in een dergelijk geval te maken krijgt met verschillende elkaar tegensprekende provinciale verordeningen, 2 dan wel omdat in diverse provincies grensoverschrijdende bedrijfsverplaatsingen in het geheel niet voor subsidieverlening in aanmerking komen.3
Artikel 85 lid 3 klinkt ideologisch dus wel aardig, maar doordat de subsidiëring van de kavelruil zo versnipperd en divers is vormgegeven, zal (gesubsidieerde) bedrijfsverplaatsing over provinciegrenzen heen helaas vooral een ideologie blijven. En dat is in deze tijd van Europese eenwording en globalisering op zijn minst opmerkelijk te noemen. De minister merkt in dit kader, in zijn brief van 8 september 2006, op dat de vraag of een provincie een grensoverschrijdende bedrijfsverplaatsing subsidiabel vindt, los staat van de vraag of de kavelruil voldoet aan de eisen van de WILG.4 Met andere woorden: de provincies zijn vrij om aan een grensoverschrijdende bedrijfsverplaatsing door middel van kavelruil die volledig voldoet aan de eisen van de WILG, toch geen subsidie toe te kennen.
Deze opmerking is formeel gezien juist, maar benadrukt naar mijn mening5 nogmaals het probleem: door de decentralisatie zal grensoverschrijdende bedrijfsverplaatsing door middel van kavelruil in diverse provincies vrijwel nooit met financiële steunverlening door de betrokken provincies plaatsvinden. En dat is een kwalijke zaak.6 Bovendien staat deze ontwikkeling in zekere zin haaks op de (mede door de overheid) wijd verbreide gedachte om het instrument kavelruil breed in zetten als een snelle en flexibele ‘tooi’ ter verbetering van de inrichting van het landelijk gebied.7 Het landelijk gebied houdt immers niet op bij de provinciegrenzen.8 In de rechtspraak is dit recent nog expliciet onderkend. Het woord is aan het Hof Amsterdam:
”De inspecteur gaat er ten onrechte aan voorbij dat een landinrichtingsgebied in meer dan één provincie kan liggen.”9
Het niet synchroon lopen van provinciegrenzen en de eventuele ‘begrenzing’10 van het begrip ‘landelijk gebied’ waarbinnen de betere verkaveling dient plaats te vinden, geldt mutatis mutandis natuurlijk voor het instrument kavelruil zelf: ook provinciegrenzenoverschrijdende kavelruil, met name ten aanzien van boerenbedrijven die zich bevinden op, nabij en/of over provinciegrenzen, dienen gebruik te kunnen maken van kavelruil om zo onder meer een betere verkaveling van de bedrijfsgronden te kunnen bereiken. De (min of meer toevallige) geografische ligging van de bedrijven kan en mag mijns inziens geen belemmering vormen voor de inzetbaarheid van het instrument kavelruil.11