Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/7.8.1.2:7.8.1.2 Browning-Ferris Industries
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/7.8.1.2
7.8.1.2 Browning-Ferris Industries
Documentgegevens:
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS404634:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Browning-Ferris Industries of Illinois, Inc. v. Ter Maat, 195 F.3d 953 (7th Cir. 1999).
The Comprehensive Environmental Response, Compensation, and Liability Act (CERCLA) is in 1980 door het Amerikaanse Congres aangenomen en voorziet onder meer in mogelijkheden om personen die verantwoordelijk zijn voor een bodemverontreiniging te verplichten deze ongedaan te maken of de kosten te dragen van de opruimwerkzaamheden. Zie hierover Mellenbergh 2009, p. 436 e.v.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ook in de uitspraak van het Court of Appeals (7th Cir.) inzake Browning-Ferris Industries of Illinois, Inc. v. Ter Maat werd uitdrukkelijk overwogen dat onderkapitalisatie niet zonder meer leidt tot aansprakelijkeid van de aandeelhouders jegens de onvrijwillige crediteuren.1 Het ging in deze zaak om de volgende situatie. De aandeelhouder en tevens enig bestuurder van een vennootschap die een vuilstortplaats exploiteerde, was verhuisd naar een andere staat en had de stortplaats onbeheerd achtergelaten. Nu de vennootschap die de stortplaats had geëxploiteerd vanaf haar oprichting was uitgerust met een marginale financiering, trachtten de personen die de vervuiling hadden opgeruimd de aandeelhouder aan te spreken op grond van de CERLCA-wet.2 Deze wet biedt onder omstandigheden opruimers van een vervuiling het recht om de kosten daarvan te verhalen op de veroorzaker. Het Court of Appeals oordeelde bij monde van justice Posner dat de aandeelhouder ondanks de onderkapitalisatie niet aansprakelijk was, omdat geen schending van vormvoorschriften had plaatsgevonden en de vennootschap daarom niet kon worden aangemerkt als één van de bekende metaforen (een shell company, alter ego etc.). Dat de aandeelhouder door de onderkapitalisatie kosten had geëxternaliseerd naar de opruimers die onvrijwillig crediteur van de vennootschap waren geworden, deed daar niets aan af. Volgens Posner had de wetgever hiervoor in een oplossing moeten voorzien.
Posner overwoog namens het Court of Appeals: “[I]t could be argued that enterprises engaged in potentially hazardous activities should be prevented from externalizing the costs of those activities, by being required to maintain or at least endeavor to maintain a sufficient capital cushion to be answerable in a tort suit should its activities cause harm, give rise to liability, on pain of its shareholders’ and affiliates’ losing their limited liability should the corporation fail to do this. This argument has not carried the day in any jurisdiction that we are aware of, presumably because of the risks that it would impose on shareholders and because the potential victims of the corporation’s hazardous activities can be protected without making inroads into limited liability by requiring enterprises engaged in such activities to post a bond large enough to assure that any judgment against the corporation will be collectible.”