Einde inhoudsopgave
Waarderingsvragen in het ondernemings- en insolventierecht (O&R nr. 107) 2019/3.2.3
3.2.3 Waardebegrippen
mr. drs. S.W. van den Berg, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
mr. drs. S.W. van den Berg
- JCDI
JCDI:ADS621701:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
W.G.M. Holterman, De waardering van niet genoteerde aandelen (diss. 1993), p. 7.
Vgl. P.M. van der Zanden e.a., Waardering van ondernemingen, Zutphen: Uitgeverij Paris 2017, derde druk, p. 12.
J. Vis., Ondernemend Waarderen: Waarderend Ondernemen. De subjectiviteit van het begrip economische waarde (diss. Leiden 2010), p. 109. Voor een historische verhandeling over de Oostenrijkse School verwijs ik ook naar dit proefschrift.
W.G.M. Holterman, De waardering van niet genoteerde aandelen (diss. 1993), p. 11.
J. van Helleman, ‘Financiële verantwoording door de VOC’, Management Control & Accounting, april 2011; P.M. van der Zanden, ‘Doel van de jaarrekening en het toepassen van ‘fair value accounting’, TvJ 2013/5, p. 136.
Zie bijv. P.M. van der Zanden, ‘Doel van de jaarrekening en het toepassen van ‘fair value accounting’, TvJ 2013/5, p. 137-143.
T. Koller e.a., Valuation, measuring and managing the value of companies, John Wiley & Sons, Inc., 2015, 6e druk, hoofdstuk 8 (Frameworks for valuation); R. Sman, Met waardering…: Ondernemingswaarde en ondernemingsprijs; een wereld van verschil, Deventer: Kluwer 1992, p. 81.
Nadat de waarderingscontext is geformuleerd en een waardemaatstaf gekozen, is het vervolgens de vraag welk waardebegrip wordt gehanteerd. Dit is van belang omdat het waardebegrip uiteindelijk het vertrekpunt is voor de keuze voor de gehanteerde waarderingsmethode. Ik beoog geen alomvattend inzicht te geven over waardebegrippen, maar merk in dit verband het volgende op.
Waardebegrippen zijn denkbeelden over de bepaling van de waarde.1 In de economische wetenschap wordt waarde (vaak) omschreven als het nut dat een goed (of dienst) heeft voor de welvaart van het individu.2 Binnen de zogenoemde historische Oostenrijkse School wordt waarde bijvoorbeeld gezien als het belang dat de handelende mens hecht aan het bereiken van een bepaald doel.3 Oftewel, er bestaat geen objectieve waarde; waarde is afhankelijk van het oordeel van de betrokken subjecten.4 Dit maakt een waardering abstract. Het waarderen van aandelen is ook abstract, maar uit de waarderingsliteratuur volgt dat er voor de waardering van aandelen twee waardebegrippen breed erkend zijn: (i) het waardebegrip uit de financiële economie (de economische waarde) en (ii) het waardebegrip uit de financiële (externe) verslaggeving.
Het waardebegrip uit de financiële economie is gericht op de toekomst. Een gemeenschappelijk kenmerk van de bijbehorende methoden is dat via discontering (van bijvoorbeeld kasstromen, dividenden of winsten) een contante waarde wordt geschat.
Het waardebegrip uit de accounting gaat daarentegen (van oorsprong) uit van een benadering die is gebaseerd op het verleden. Een jaarrekening, bij- voorbeeld, is van oorsprong bedoeld als een document om rekening en verantwoording af te leggen. Ten tijde van de V.O.C. ging dit per reis, later per jaar.5 Binnen het waardebegrip uit de accounting kan bijvoorbeeld worden uitgegaan van de intrinsieke waarde, hetgeen gelijk is aan het saldo van de boekwaarde van de bezittingen en de schulden, gecorrigeerd voor (stille) reserves en andere niet uit de balans blijkende verplichtingen (zoals belastinglatenties of verschillen in voorraadwaardering). Sinds ongeveer de jaren ’80 heeft voor (eerst) financiële instrumenten (en later voor meerdere activaklassen) ook ‘fair value accounting’ haar intreden gedaan. Hierbij geldt kort gezegd de marktwaarde als waarderingsgrondslag. Op dit onderscheid ga ik verder in dit boek niet in.6 Wat betreft de toepassing van het financieel-economisch waardebegrip en het waardebegrip uit de financial accounting geldt namelijk dat het eerstgenoemde waardebegrip dominant is. In de praktijk kiezen waarderingsdeskundigen, onder andere vanwege het toekomstige karakter, in de regel voor het financieel-economische waardebegrip.7