Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/15.4
15.4 Legitimatie van de kwalificatie van de doelstelling en de feitelijke activiteiten als religieus
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS454034:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor deze regelingen denederlandsegrondwet.nl, zoek bij ‘versies Grondwet’.
Mogelijk dat deze opvatting uiteindelijk is terug te voeren op een gematigd theocratisch ideaaltype. Voor de Franse inval ten tijde van de Republiek had Nederland immers een soort staatsgodsdienst (of publieke kerk). Het is goed denkbaar dat de staat vanuit het belang van de publieke godsdienst deze kerk belastingtechnisch heeft willen bevoorrechten. Historisch onderzoek (dat het bestek van dit onderzoek te buiten gaat) zou hierover uitsluitsel kunnen geven.
De Bataafse Staatsregeling van 1798 was indirect geïnspireerd op de Franse Déclaration des droits de l’homme. In Nederland werd het idee van burgerlijke vrijheden en gelijkheid echter niet zoals in Frankrijk tegengesteld geacht aan de christelijke principes. Zo zou de opsteller van de Nederlandse Verklaring van de rechten van de mens en van de burger uit 1995, de Bataafse voorman Pieter Paulus (advocaat en curator van de Universiteit van Leiden), een zeer religieus man zijn geweest. Vandaar dat er in de Staatsregelingen christelijke elementen aanwezig zijn. Zie hierover: Schoots 2010.
Op basis van het rapport van de Commissie-Sassen.
Zie hierover: Schoots 2010.
Van Kooten stelt dat kerkgenootschappen in de geschiedenis altijd taken hebben vervuld die samenvallen met algemeen maatschappelijke doeleinden. Hij wijst op de ondersteuning van financieel behoeftigen, de opvang van bejaarden, de ziekenzorg, het onderwijs en de opvoeding. Volgens Van Kooten is dit gegeven voor de wetgever zo vanzelfsprekend geweest dat in de wetsgeschiedenis nauwelijks wordt gemotiveerd waarom kerkelijke activiteiten een bijdrage vormen aan het algemeen belang. Van Kooten 2011, p. 78.
Voorheen kreeg een kerkelijke instelling belastingvoordelen omdat het een kerkelijke instelling was. Men ging zonder meer ervan uit dat de doelstelling en de activiteiten die werden ondernomen door de kerk religieus van aard waren. Tegenwoordig moet een kerkelijke instelling dit bewijzen. Zoals uit de analyse van de vorige paragraaf blijkt gaat de rechter bij de toetsing hiervan in veel gevallen uit van een objectiverende kwalificatie. Hij neemt niet de verklaring van de instelling als uitgangspunt maar gebruikt objectieve criteria om te toetsen of de doelstelling en activiteiten religieus van aard zijn. Waar komt deze verandering in benadering vandaan? We moeten om dit te duiden terug in de geschiedenis. Wanneer we de Bataafse staatsregelingen van 1798 en 1801 raadplegen,1 dan zien we dat het destijds de normaalste zaak van de wereld was dat religie in het algemeen belang was.2 Zo staat er in artikel 8 van de Bataafse staatsregeling dat: ‘De eerbiedige erkentenis van een Albestuurend Opperwezen versterkt de banden der maatschappij, en blijft iederen Burger ten duursten aanbevolen.’ En in artikel 11 van de staatsregeling van 1801 staat: ‘Alle Kerkgenootschappen, welke ter bevordering van deugd en goede zeden een Hoogst Wezen eerbiedigen en hulde doen, genieten eene gelyke bescherming der Wetten.’ Uit de bewoordingen van deze bepalingen kunnen we opmaken dat het voor de toenmalige ‘wetgever’ zonneklaar was dat godsdienst een zaak was die de banden van de maatschappij versterkt en die de deugd en de goede zeden bevordert.3
Wanneer we wat minder ver terug gaan in de geschiedenis dan zien we dat er een kleine verandering optreedt. Zo noemt de regering4 in de Memorie van Toelichting van de Wet Premie Kerkenbouw (1960) als reden voor subsidie van de bouw van kerken het volgende argument:
‘De in brede lagen van het Nederlandse volk bestaande overtuiging, dat een krachtig kerkelijk leven van zodanig openbaar belang is, dat het reeds daarom de overheid niet onverschillig kan laten, of de kerkgenootschappen in het huidige bestel ook materieel in staat zijn hun taak op adequate wijze te volvoeren.’5
Duidelijk is dat de wetgever nog steeds ervan uitgaat dat godsdienst een zaak van algemeen belang is. Alleen in tegenstelling tot de Bataafse wetgever stelt de wetgever van 1960 niet klip en klaar dat godsdienst een zaak van algemeen belang is, maar verwijst hij hiervoor naar de opvattingen in de maatschappij. De recente wetgever heeft vervolgens weer zijn eigen benadering. In de Memorie van Toelichting van het wetsvoorstel van de AWR vinden we een summiere toelichting van de kwalificatie van religie als algemeen belang. Er wordt gesteld dat kerkgenootschappen een lange traditie hebben van filantropie. Om die reden zouden kerkgenootschappen bij uitstek passen binnen het concept van algemeen nut beogende instelling.6 De wetgever van 2012 vindt dus dat kerkgenootschappen het algemeen belang dienen onder andere vanwege hun traditie van filantropie.
We zien in bovenstaande benaderingen een ontwikkeling waar de wetgever zich meer op afstand plaatst van godsdienst. We kunnen de toenemende terughoudendheid om de gemeenschappelijke godsverering expliciet te bestempelen als zaak van het algemeen belang verklaren vanuit het liberale beginsel van scheiding tussen kerk en staat. Vanaf de liberale Grondwet van 1848 werd de scheiding tussen kerk en staat strikter uitgelegd. Ten tijde van het ontstaan van de Staatsregelingen ging men wel uit van de scheiding tussen de instituties maar vond men het nog niet een groot probleem wanneer de staat zich bemoeide met de godsdienst in algemene zin.7 Om die reden kunnen we stellen dat het voor de opsteller van de Staatsregelingen nog geen probleem was om de gemeenschappelijke godsverering zelf te zien als een zaak van algemeen belang. Het is voor de huidige wetgever vanuit dit liberale perspectief makkelijker om een wat meer ‘neutraal aspect’ van godsdienst zoals filantropie te duiden als zaak van het algemeen belang dan een theologisch aspect als de gemeenschappelijke godsverering.
We kunnen de huidige objectiverende kwalificatiewijze verklaren vanuit de toenemende afstand die de staat onder invloed van het liberalisme kreeg van godsdienst. In het oude model stond niet ter discussie dat godsdienst en de plaatsen waar godsdienst werd bedreven: de kerkelijke instellingen, het algemeen belang dienden. Men twijfelde niet eraan dat de doelstellingen en activiteiten van kerkelijke instellingen een religieus karakter hadden. Men nam dit aan. We zien vervolgens onder invloed van het liberale model dat de staat zich op afstand gaat plaatsen van de godsdienst. Dit schemert door in de toelichting van de Memorie van Toelichting van de Wet Premie Kerkenbouw. Daaruit kunnen we opmaken dat godsdienst het algemeen belang dient, niet omdat onomstotelijk vast staat dat dit zo is, maar omdat er brede lagen in de samenleving zijn die dit vinden. Uit deze motivering blijkt de toenemende invloed van het liberale gedachtegoed. De staat gaat zich neutraler opstellen ten opzichte van godsdienst en kerkelijke instellingen. Het gevolg is dat niet zomaar wordt gesteld dat kerkelijke instellingen bijdragen aan het algemeen belang. De focus verschuift ten slotte naar de activiteiten van kerkelijke instellingen. Ze moeten aan de hand van hun doelstelling en feitelijke activiteiten gaan bewijzen dat deze religieus van aard zijn en daarmee het algemeen belang dienen.8