Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm
Einde inhoudsopgave
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/2.4.2:2.4.2 De causa-leer van Smits
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/2.4.2
2.4.2 De causa-leer van Smits
Documentgegevens:
mr. P.S. Bakker, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
mr. P.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS588496:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Vermogensrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dan de visie van Smits, zoals verwoord in diens uit 1995 daterende proefschrift.1 Ook door Smits wordt de wilsleer, zij het op andere gronden dan de door Hijma aangevoerde, verworpen. Smits' eerste argument tegen de wilsleer betreft de blijkens die leer gemaakte keuze voor de wil als grondslag voor gebondenheid. Deze keuze is wellicht te begrijpen vanuit het ten tijde van het ontstaan van de wilsleer vigerende negentiende-eeuwse liberale denken, waarin de autonomie en de vrijheid van het individu, als bekend, sterk centraal stonden, maar die historische context biedt nog geen rechtvaardiging voor de wil als het element dat de binding tot stand brengt. Het tweede door Smits aangevoerde argument betreft de uitwisselbaarheid tussen wil en verklaring die bestaat in de wilsleer, zoals deze door Smits wordt verstaan.2 Nu de wil in de verklaring wordt belichaamd, kan als criterium voor gebondenheid evenzeer van de verklaring worden uitgegaan als van de wil. De vraag welke verklaring nu bindt en welke niet, wordt door de wilsleer echter niet beantwoord, aldus Smits. Dit probleem doet zich volgens Smits overigens bij álle klassieke pijlers van gebondenheid voor:
"(Z)olang wordt uitgegaan van wil, verklaring of vertrouwen als grondslag of criterium voor de gebondenheid, (is) niet duidelijk (...) welke wil of verklaring en welk vertrouwen in staat is om de gebondenheid te rechtvaardigen."3
Als alternatief houdt Smits de lezer de causa als "toetssteen van verbindbaarheid" voor. Wat Smits betreft ligt de oorzaak van de gebondenheid aan het overeengekomene in het wederkerig verband tussen de verrichte of nog te verrichten prestaties van de contractanten:
"(d)it verband is voldoende en de noodzakelijke voorwaarde voor de gebondenheid: zonder wederkerige samenhang geen overeenkomst en alleen in geval van wederkerige samenhang wel een overeenkomst. Niet de overeenkomst leidt tot samenhang der prestaties, maar de samenhang leidt tot de overeenkomst."4