Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/3.2.5
3.2.5 Kenmerken van een certificaat en economische gerechtigdheid
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS375808:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIa (2013), nr. 319.
Van den Ingh, diss. (1991), p. 18.
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIa (2013), nr. 319.
Van den Ingh, diss. (1991), p. 171.
Uit de titel van beheer vloeit voort dat het risico van waardedalingen van de aandelen bij de certificaathouder ligt. Zie Van den Ingh, diss. (1991), p. 171. Zie ook Van der Heijden/Van der Grinten, Handboek (1992), nr. 197 en Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* (2009), nr. 658.
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIa (2013), nr. 319.
Zie met betrekking tot dat vorderingsrecht: Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* (2009), nr. 202, 661 en Wolf, diss. (2013), p. 114.
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* (2009), nr. 202, 661 en Wolf, diss. (2013), p. 114, voetnoot 182.
Kamerstukken II 1967-1970, 9596, nr. 3 (MvT), p. 5. Zie ook § 3.2.2.
In gelijke zin A-G Timmerman in sub 3.6 van zijn conclusie voor HR 10 september 2010, JOR 2010/337 m.nt. Brink (Butôt). Zie ook § 2.3.
Zie § 3.3 De economisch gerechtigden.
Idem OK 27 juni 2003, ARO 2003/113 (Beheersmaatschappij Johnny Hoes B.V.).
Zoals al enige tijd in de literatuur bepleit: Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* (2009), nr. 738; Van Schilfgaarde/Winter (2009), nr. 117; Geerts, diss. (2004), p. 58.
Zie § 3.3.5.1 en § 3.3.5.2.
Uit § 3.2.2 blijkt dat de certificaathouders enquêtebevoegd zijn omdat zij, net als de aandeelhouders, verschaffers van risicodragend kapitaal zijn. Nu de certificaathouders voor de toegang tot het enquêterecht gelijkgesteld worden met de aandeelhouders, vraag ik mij af welke kenmerken een certificaathouder tot een verschaffer van risicodragend kapitaal maken.
Een omschrijving van het begrip certificaat van aandeel geeft de wet niet. In Boek 2 en 3 BW staan weliswaar verwijzingen naar de certificering van aandelen, maar een definitie ontbreekt. Certificering is kort gezegd het proces dat leidt tot het ontstaan van een certificaat. Bij certificering wordt de economische eigendom van het aandeel en de juridische eigendom gescheiden.1 Van den Ingh geeft de volgende omschrijving van het begrip certificering:
“Certificering van aandelen omvat alle rechtshandelingen die strekken tot verkrijging, krachtens overdracht of uitgifte, van aandelen door de uitgever van certificaten van die aandelen en/of tot uitgifte van certificaten aan degenen voor wie hij als rechthebbende de aandelen ten titel van beheer zal houden.”2
Het certificaat belichaamt een rechtsverhouding tussen de certificaathouder en de aandeelhouder (vaak een administratiekantoor). Die rechtsverhouding is een contractuele verhouding en ligt gewoonlijk vervat in de administratievoorwaarden.3 Essentieel in die rechtsverhouding is dat hetgeen op het gecertificeerde aandeel wordt gestort in economische zin afkomstig is van de certificaathouder. Bij certificering ontbreekt economisch gezien dus een tegenprestatie van de aandeelhouder ter verkrijging van de aandelen. Het ontbreken van die tegenprestatie rechtvaardigt dat alle uitkeringen die op de aandelen worden gedaan ten goede komen aan de certificaathouder.4 Het certificaat is een schuldplichtigheid van de eigenaar van het aandeel. Deze schuldplichtigheid houdt in dat de eigenaar van het aandeel het aandeel houdt voor rekening en risico van de certificaathouder.5 De financiële rechten, waaronder het recht op dividend, komen volledig toe aan de certificaathouder.6 Laatstgenoemde heeft daarom een in rechte te handhaven vorderingsrecht op de opbrengsten van de aandelen, zoals de aandeelhouder dat normaliter heeft met betrekking tot de winst.7 Het certificaat is daarmee, evenals een recht van aandeel, een vermogensrecht in de zin van art. 3:6 BW.8
Het voorgaande maakt de certificaathouder, evenals de aandeelhouder, een verschaffer van risicodragend kapitaal. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat deze kapitaalsgelijkstelling ook de reden was om de certificaathouders de enquêtebevoegdheid te geven.9 Hieruit leid ik af dat een uitgangspunt van het enquêterecht is dat aan de verschaffer van risicodragend kapitaal de enquêtebevoegdheid toekomt.10
Deze kenmerken van een certificaat zijn voorts relevant voor de toegang tot het enquêterecht voor de economisch gerechtigden tot aandelen.11 Er is volgens mij namelijk geen verschil tussen het certificaathouderschap en het economisch gerechtigd zijn tot aandelen.12 Degene die op een andere grond dan certificering economisch gerechtigd is tot een aandeel, is naar mijn mening eveneens verschaffer van risicodragend kapitaal en dus enquêtebevoegd.13 Hetzelfde geldt voor de economisch gerechtigde tot een certificaat.14