Einde inhoudsopgave
Mededinging en verzekering (R&P nr. VR8) 2019/3.2.3
3.2.3 Economische theorieën en de invloed daarvan op het mededingingsrecht
mr. drs. G.T. Baak, datum 11-12-2019
- Datum
11-12-2019
- Auteur
mr. drs. G.T. Baak
- JCDI
JCDI:ADS183537:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Algemeen
Verzekeringsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Jones & Sufrin 2016, p. 2.
Smith 1776, boek IV, H.2, par. 9. Vgl. Grant/Brue 2007, p. 65.
Zie ook: Van den Bergh & Camesasca 2006, p. 59.
Smith zag drie belangrijke functies voor de overheid: bescherming van de staat tegen vijandelijke aanvallen, rechtspraak, en het oprichten en beheren van publieke werken in instanties die private ondernemers niet winstgevend kunnen maken. Vgl. Grant/Brue, p. 70.
Ik bespreek de markt van perfecte concurrentie uitvoeriger in par. 3.3.1.1.
Zie Slot & Swaak 2012, p. 4. De prijs in de evenwichtssituatie wordt ook wel Pareto-efficiënt genoemd: er is geen andere markuitkomst denkbaar die tot een hoger welvaartsniveau kan leiden. Zie ook de bespreking in par. 3.3.1.1.
Jones & Sufrin 2016, p. 2.
Hildebrand 2016, p. 25.
R. A. Posner, ‘The Chicago School of Antitrust Analysis’, University of Pennsylvania Law Review 1979 (Vol. 127), p. 925-948.
Zie ook: M. Motta, Competition Policy, h. 1. Een goed overzicht van de verschillen tussen de Chicago School en de ‘European Approach’ biedt Hildebrand 2016, p. 6-8.
Vgl. Goolsbee, Levitt & Syverson, Microeconomics, 2012, p. 645.
Het mededingingsrecht is in de loop des tijd beïnvloed door verschillende economische theorieën afkomstig uit met name Europa en de Verenigde Staten. Als grondlegger voor de mededingingstheorie wordt vaak genoemd de econoom en filosoof Adam Smith. Ik haalde hem al aan in de inleiding van het vorige hoofdstuk. Er wordt wel gezegd dat hij de basis legde voor het vrije-markt-denken.1 Volgens Smith was een open markteconomie met een vrij prijsvormingsmechanisme het beste voor de economische ontwikkeling. Smith duidde mededinging aan als een ‘invisible hand’: een sturende kracht die ervoor zorgt dat individueel eigenbelang tot maatschappelijke welvaart leidt.
Adam Smith beschreef dit proces in zijn boek ‘The Wealth of Nations’ als volgt:
‘(…) he [het individu, GTB], intends only his own gain, and he is in this, as in many other cases, led by an invisible hand to promote an end which was no part of his intention. Nor is it always the worse for the society that is was part of it. By pursuing his own interest he frequently promotes that of the society more effectually than when he really intends to promote it.’2
In de kern komt Smith’s gedachte erop neer dat bedrijven die streven naar de hoogst mogelijke winst daarin worden beperkt door concurrenten die hetzelfde doel voor ogen hebben. Juist door deze wedijver of mededinging zal de prijs uiteindelijk dalen tot de laagst mogelijke productiekosten en betalen de consumenten een prijs waarbij de marginale kosten gelijk zijn aan de marginale opbrengsten.3 Zonder overheidsinmenging zou de markt in staat moeten zijn om te komen tot een efficiënte uitkomst.4 Deze voorspelling gaat alleen op onder bepaalde veronderstellingen. Alleen in de (enigszins theoretische) markt van volledig vrije mededinging, ook wel aangeduid als perfecte concurrentie,5 zal de prijs dalen tot het niveau van de marginale kosten (zijnde de kosten voor de laatst geproduceerde eenheid van het product) en wordt een perfect evenwicht bereikt tussen de vraag en het aanbod.6
Mededinging komt volgens economen het beste tot zijn recht in de zogenaamde vrijemarkteconomie, een economisch ordeningssysteem waarin de verdeling van de productiemiddelen wordt bepaald door vraag en aanbod zonder enige overheidsbemoeienis.7 De keerzijde daarvan is de centraal geplande economie, zoals die voorkwam in de voormalige Sovjet Unie, en waarbij de Staat bepaalde hoe productiemiddelen werden verdeeld. De basis van een vrije markteconomie is gelegen in de mededinging die er bestaat tussen bedrijven. Doordat bedrijven met elkaar concurreren (wedijveren) worden zij op een natuurlijke manier gedwongen om de prijzen laag te houden en efficiënt en innovatief hun productieproces in te richten. Deze gedachte is ook terug te vinden bij economische theorieën die aan het mededingingsrecht ten grondslag liggen. Twee economische stromingen zijn met name van belang.. Ik bespreek deze stromingen hierna omdat zij de economische achtergrond van het mededingingsrecht verduidelijken.
De invloed van de Chicago School en de Harvard School
Bij het in kaart brengen van de economische theorieën die van invloed zijn (geweest) op het mededingingsrecht, komen ook de ‘Chicago School’ en de ‘Harvard School’ in beeld. De ‘Chicago School’ is een Amerikaanse economische stroming die zich bezighoudt met de bestudering van het Amerikaanse mededingingsrecht (Antitrust law). Door deze stromingwordt aangenomen dat markten zelfcorrigerend zijn. Het enige doel van het mededingingsrecht (US anti-trust law) is het bereiken van economische efficiëntie.8 Voor de rol van de overheid en mededingingsbeleid is volgens de aanhangers van de ‘Chicago School’ weinig ruimte omdat de markten zelf in staat zouden zijn inefficiënties te corrigeren.9 Zo zal volgens aanhangers van de ‘Chicago School’ een markt waarop een monopolist actief is een sterke aantrekkingskracht hebben op andere bedrijven doordat de prijs ver boven de marginale kosten ligt. Op die manier zal er vanzelf een einde komen aan de monopoliepositie van de onderneming. De ‘Chicago School’ heeft vooral invloed (gehad) in het Amerikaanse mededingingsrecht, en de rechtseconomische bestudering van het mededingingsrecht.10 Ondanks dat – door de aanhangers van de ‘Chicago School’ – wordt aangenomen dat markten zelfcorrigerend zijn en het beste in staat zouden moeten zijn efficiëntie te bereiken, is er volgens economen zeker een rol voor de overheid weggelegd. In de realiteit zijn markten namelijk niet altijd in staat om goed te kunnen functioneren. Ik kom daarop hieronder – bij de bespreking van situaties van marktfalen – terug.
Een tegenhanger van de ‘Chicago School’ is de eveneens Amerikaanse economische stroming van de ‘Harvard School’. Deze stroming staat vooral bekend om het S-C-P paradigma. Dit paradigma houdt in dat de structuur van een markt (Stucture) bepaalt hoe ondernemingen zich jegens elkaar gedragen (Conduct) en hoe een markt zal presteren (Performance). Het S-C-P paradigma heeft een grote invloed gehad op de toepassing van het mededingingsrecht, met name het toezicht op concentraties van ondernemingen. Door middel van het S-C-P paradigma kon namelijk verklaard worden waarom geconcentreerde markten economisch vaak slecht(er) presteren. Onder het concentratietoezicht wordt daarom beoordeeld of een voorgenomen fusie of overname niet leidt tot een aanmerkelijke marktpositie van de onderneming waardoor de marktstructuur te ingrijpend wordt gewijzigd.
Economische rechtvaardiging voor marktingrijpen – situaties van marktfalen
Zoals gezegd zijn er situaties voorstelbaar waarin de markt niet in staat is om een efficiënte uitkomst te leveren. Bijvoorbeeld omdat er geen of slechts een paar aanbieders zijn van een product of dienst, of doordat het gaat om diensten die van openbaar belang zijn. Sommige diensten kunnen daarom niet aan marktwerking worden blootgesteld. Denk aan defensie. Er zijn dus situaties waarin de markt faalt in het bereiken van een efficiënte marktuitkomst. In de economische wetenschap worden vier vormen van marktfalen genoemd: marktmacht, externe effecten, informatieproblemen en publieke goederen. Ik bespreek deze kort omdat zij laten zien waarom het mededingingsrecht, dat in principe uitgaat van het ‘vrije marktdenken’, toch een rol ziet weggelegd voor ingrijpen door de overheid in de markt. Vooral de eerstgenoemde reden voor marktfalen, marktmacht, is een belangrijke grond voor mededingingsautoriteiten om toe te zien op het gedrag van ondernemingen op markten. Bij marktmacht zijn één of meerdere ondernemingen (bijvoorbeeld: in de vorm van economisch machtsmisbruik of een kartel) in de positie om de concurrentie gedurende een langere periode te beperken. Vanwege het belang van het begrip marktmacht bij de toepassing van het mededingingsrecht zal ik de (economische) interpretatie ervan uitgebreid behandelen onder 3.4. Voor de volledigheid noem ik ook de andere vormen van marktfalen. Bij externe effecten gaat het om negatieve of positieve gevolgen voor een derde partij die niet direct betrokken is bij een economische transactie.11 Een bekend voorbeeld van negatieve externe effecten is milieuvervuiling. Informatieproblemen duidt erop dat één van de contractspartijen beschikt over meer informatie dan de ander waardoor degene met de beste informatie kan profiteren van de onwetendheid van de ander. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een verzekering waarbij de verzekeringnemer over het algemeen over meer informatie beschikt over het te verzekeren risico dan de verzekeraar. Marktfalen in de vorm van publieke goederen ziet op bepaalde goederen of diensten die een publiek belang hebben. Een bekend voorbeeld is de infrastructuur. De samenleving is erbij gebaat als dergelijke goederen juist niet aan marktwerking worden overgelaten, omdat anders bepaalde groepen consumenten mogelijk uitgesloten zouden worden van de toegang tot het goed of de dienst.