Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/7.4.3.1:7.4.3.1 Inleiding
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/7.4.3.1
7.4.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS499492:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Voor de goede orde: of dergelijk materiaal als bewijs toelaatbaar is, is afhankelijk van de vraag of sprake is van schending van het niet-meewerkrecht. Zie daarover hoofdstuk 9 e.v. hierna. In dit hoofdstuk beperk ik mij tot de toepasselijkheid van het niet-meewerkrecht.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wanneer het EHRM ook het toepasselijkheidscriterium ‘dwang’ gelijk zou uitleggen ongeacht het type bewijs dat wordt verkregen, dan zou het in wezen alle fysiek bewijs onder het toepassingsbereik van het recht tegen gedwongen zelfbelasting brengen. De in § 69 van het Saunders-arrest gegeven voorbeelden van wilsonafhankelijk materiaal en de in Jalloh genoemde aspecten die ‘real evidence’ onderscheiden van Saunders-materiaal (zie het slot van § 7.3.3.1 hiervoor), maken al wel duidelijk dat hiervan geen sprake is. Anders dan geldt voor het zwijgrecht, waarvoor de enkele vaststelling dat dwang is uitgeoefend om te verklaren volstaat, moet voor de toepasselijkheid van het niet-meewerkrecht sprake zijn van een zekere mate van dwang tot afgifte van ‘real evidence’. De vraag hoeveel dwang daarvoor is vereist, laat zich op grond van de huidige rechtspraak van het Hof mijns inziens niet werkelijk beantwoorden.1 Zie daarover § 7.4.3.3 hierna.
Eerst zal ik toelichten dat en waarom duldplichten zijn uitgezonderd van het recht tegen gedwongen zelfbelasting (zie § 7.4.3.2.1). In verband daarmee zal ik ook kort stilstaan bij het onderscheid tussen actieve en passieve medewerking en de geringe betekenis ervan voor de Straatsburgse nemo tenetur-rechtspraak (§ 7.4.3.2.2).