Bedoeld wordt: projectleider.
HR, 12-06-2015, nr. 14/04048
14/04048
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12-06-2015
- Zaaknummer
14/04048
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2015:1517, Uitspraak, Hoge Raad, 12‑06‑2015; (Cassatie)
Beroepschrift, Hoge Raad, 12‑06‑2015
Beroepschrift, Hoge Raad, 08‑10‑2014
- Vindplaatsen
NTFR 2016/182
NTFR 2015/1926 met annotatie van mr. R.W.J. Kerckhoffs
FutD 2015-1436
Viditax (FutD) 2015061203
Uitspraak 12‑06‑2015
Inhoudsindicatie
Bank Zonder Naam. Art. 16, lid 4, AWR. Eis van voortvarend handelen. Beslissing Hof dat niet voortvarend is gehandeld moet worden vernietigd. Belanghebbende mag na verwijzing opening van zaken geven.
Partij(en)
12 juni 2015
nr. 14/04048
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 3 juli 2014, nr. 12/00859, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 10/1018) betreffende de aan [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) over het jaar 2001 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de daarbij gegeven boetebeschikking en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend. In het incidentele beroep heeft hij schriftelijk zijn zienswijze naar voren gebracht.
Belanghebbende heeft in het incidentele beroep een conclusie van repliek en in het principale beroep een conclusie van dupliek ingediend.
2. Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel
2.1.
De bestreden navorderingsaanslag en de daarbij genomen beschikkingen houden verband met het zogenoemde project Bank Zonder Naam.
2.2.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de navorderingsaanslag en de beschikkingen worden vernietigd omdat in het kader van dit project niet de voortvarendheid in acht is genomen die ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 26 februari 2010, nr. 43050bis, ECLI:NL:HR:2010:BJ9092, BNB 2010/199, is vereist. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Daartegen richt zich het middel.
2.3.
Het middel slaagt op de gronden die zijn vermeld in het arrest van de Hoge Raad van 1 mei 2015, nr. 14/02874, ECLI:NL:HR:2015:1105, V‑N 2015/23.4.
2.4.
Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3 is overwogen kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor de beoordeling van de overige tussen partijen bestaande geschilpunten die nog niet behandeld zijn.
3. Beoordeling van het incidentele beroep in cassatie
3.1.
Aangezien het principale beroep gegrond is, is de voorwaarde waaronder het incidentele beroep is ingesteld, vervuld.
3.2.
In het incidentele beroep in cassatie wordt niet opgekomen tegen een door het Hof gegeven oordeel. Dat beroep is daarom ongegrond.
3.3.
De Hoge Raad vindt wel aanleiding om in te gaan op het in het incidentele beroep in cassatie gedane verzoek om na de verwijzing opening van zaken te mogen geven omtrent de hoogte van de verzwegen inkomsten. Volgens dat verzoek is opening van zaken gegeven in de procedure over de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslagen die niet met toepassing van de verlengde navorderingstermijn zijn opgelegd.
3.4.
Blijkens de gedingstukken heeft het Hof de mondelinge behandeling van de onderhavige zaak beperkt tot het geschil rond de vereiste voortvarendheid. ’s Hofs oordeel op dat punt bracht mee dat het in hoger beroep aan de orde zijnde geschil rond de hoogte van de navorderingsaanslag niet is behandeld. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat belanghebbende in het debat van partijen voor het Hof de gelegenheid onbenut heeft gelaten om zijn stellingen aangaande de hoogte van het na te vorderen bedrag aan te vullen. Het staat hem daarom vrij om in het geding na verwijzing overtuigend aan te tonen dat de bestreden navorderingsaanslag naar een te hoog bedrag is opgelegd. Daartoe mogen ook gegevens van de verzwegen bankrekening(en) worden overgelegd.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar een vergoeding dient te worden toegekend.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond,
verklaart het principale beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice‑president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2015.
Beroepschrift 12‑06‑2015
C. Voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie.
68.
Belanghebbende heeft inmiddels ten aanzien van de jaren, waarvoor de navorderingsaanslagen niet met gebruikmaking van de navorderingstermijn ex artikel 16, vierde lid AWR zijn opgelegd, opening van zaken gegeven.
69.
De Inspecteur is tegemoet gekomen aan het verzoek om de enkelvoudige belasting vast te stellen op basis van de door belanghebbende verstrekte gegevens over de rekening bij Van Lanschotbank Luxemburg en de boetes vast te stellen op 50% van de aldus vastgestelde enkelvoudige belasting.
70.
Omdat de Inspecteur aan het verzoek van belanghebbende heeft voldaan heeft belanghebbende de door hem ingediende beroepschriften ingetrokken voor zover deze betrekking hadden op de niet met gebruikmaking van de navorderingstermijn ex artikel 16, vierde lid AWR opgelegde navorderingsaanslagen.
71.
Indien en voor zover uw Raad het door de Staatssecretaris ingestelde beroep in cassatie gegrond acht omdat de uitspraak van het Hof niet alleen niet toereikend gemotiveerd is in het licht van het arrest van uw Raad van 28 maart 2014 maar bovendien ook onjuist — bij voorbeeld, zoals door de Staatssecretaris is gesteld in het licht van uw door de Staatssecretaris aangehaalde arresten van 2 mei 2014 en 19 september 2014 — verzoekt belanghebbende uw Raad de zaak naar een ander Hof te verwijzen aangezien belanghebbende alsdan ook ten aanzien van de jaren waarbij de navorderingsaanslagen met toepassing van de navorderingstermijn ex artikel 16, vierde lid AWR zijn vastgesteld en opgelegd eveneens opening van zaken zal geven.
Conclusie
- a)
Ten aanzien van het principaal beroep.
Belanghebbende verzoekt uw Raad om het door de Staatssecretaris voorgestelde middel van cassatie ongegrond te verklaren.
- b)
Ten aanzien van het voorwaardelijk incidenteel appel.
Voor het geval dat uw Raad het principale beroep in cassatie gegrond verklaart omdat de uitspraak van het Hof ontoereikend is gemotiveerd en inhoudelijk onjuist acht, verzoekt belanghebbende uw Raad de zaak naar een ander Hof te verwijzen.
Beroepschrift 08‑10‑2014
Den Haag, [— 8 OKT 2014]
Kenmerk: DGB 2014-4893
Motivering van het beroepschrift in cassatie (rolnummer 14/04048) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 3 juli 2014, nr. 12/00859, inzake [X] te [Z] betreffende de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2001.
AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Naar aanleiding van uw brief van 29 augustus 2014 heb ik de eer het volgende op te merken.
Als middel van cassatie draag ik voor:
Schending van het Nederlands recht, met name van artikel 16, vierde lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en/of artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht, doordat het Hof heeft geoordeeld dat de verlengde navorderingstermijn niet van toepassing kan zijn omdat de inspecteur onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, zulks ten onrechte dan wel op gronden die de beslissing niet kunnen dragen omdat:
- a.
Het Hof zijn oordeel baseert op de onjuiste veronderstelling dat gedurende de sofiëringswerkzaamheden bekend zou zijn dat in ongeveer 2.000 gevallen de waarschijnlijke rekeninghouder geïdentificeerd zou kunnen worden;
- b.
Het Hof uitgaat van een onjuiste maatstaf met betrekking tot de wijze waarop de Belastingdienst een project kan en mag organiseren.
Toelichting op het middel
In een vergelijkbare zaak inzake het BZN-project heeft Hof Den Haag (nrs. 11/00519 t/m 11/00524 en 11/00591 t/m 11/00606) op 14 augustus 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:3388 overwogen:
‘7.2.7.
Tussen het moment dat de informatie via de Belgische belastingautoriteit bij de FIOD/ECD binnenkwam in februari 2005 en het moment dat voor het eerst contact met belanghebbende is opgenomen door het zenden van een vragenbrief, is ongeveer twee jaar en een maand verstreken De Inspecteur heeft verklaard dat in die periode de informatie is bestudeerd, dat een projectteam is opgezet, dat een draaiboek is opgezet voor het identificeren en belasten van de daarbij genoemde personen en dat de identificatie heeft plaatsgevonden.
7.2.8.
De Belastingdienst is na ontvangst van de inlichtingen in maart 2005 aangevangen met het verifiëren en analyseren van de ontvangen informatie Gelet op de grote hoeveelheid gegevens en de in acht te nemen zorgvuldigheid is ervoor gekozen de gegevens op een projectmatige wijze te verwerken. De daarmee gemoeide projectwerkzaamheden hebben gedurende maart 2005 tot en met maart 2007 onafgebroken plaatsgevonden. De projectwerkzaamheden hebben niet allemaal tegelijk plaatsgevonden, doch steeds hebben volgtijdelijk ten minste één van onderstaande typen projectwerkzaamheden plaatsgevonden. Ruwweg kunnen de projectmatige werkzaamheden in drie verschillende periodes worden onderscheiden.
7 2.9.
De eerste fase was de onderzoeksfase. Gedurende deze fase is onderzocht en beoordeeld of de ontvangen gegevens bruikbaar waren voor fiscale behandeling Deze fase heeft geduurd vanaf het moment dat de gegevens zijn ontvangen tot ruwweg maart 2006. De werkzaamheden binnen deze periode hebben bij de FIOD/ECD en Belastingdienst Centrum voor Product en Procesontwikkeling (B/CPP) plaatsgevonden. In deze periode hebben de volgende activiteiten plaatsgevonden:
- (1)
opstarten van behandeling, de interne organisatie informeren over het verkrijgen van de gegevens en capaciteit vrijmaken om met de gegevens aan de slag te gaan.
- (2)
analyseren en veredelen van de ontvangen gegevens- het digitaliseren, rubriceren en ordenen van de gegevens. Hiervoor zijn geautomatiseerd verschillende bestanden gemaakt, gekoppeld en met elkaar vergeleken;
- (3)
identificeren van rekeninghouders; het ontwerpen van geautomatiseerde zoekvragen ter identificatie; het via interne en externe systemen koppelen van de ontvangen gegevens aan inwoners van Nederland. Enerzijds hebben geautomatiseerde zoekslagen plaatsgevonden die grotendeels zijn uitgevoerd door een EDP-auditor van B/CPP (zie het Proces-verbaal Geautomatiseerde identificatie van 13 maart 2003). Anderzijds zijn diverse handmatige zoekslagen gemaakt. Door deze onderzoeken zijn bijvoorbeeld eigenaren van postbussen achterhaald, telefoonnummers gekoppeld aan belastingplichtigen en codenamen gekraakt. Bij twijfel werden steeds weer nieuwe zoekslagen gemaakt, zodat de juist geïdentificeerde personen aangeschreven konden worden; en
- (4)
sofiëren van de gegevens. Het zodanig bewerken van de ontvangen gegevens tot voor de behandeling van individuele belastingplichtigen noodzakelijke informatie.
De activiteiten onder 2, 3, en 4 hebben het grootste gedeelte van de voorperiode doorlopend plaatsgevonden.
7.2.10.
De tweede fase was de besluit- en inrichtingsfase. Gedurende deze fase heeft
- (1)
in het voorjaar 2006 overleg plaatsgevonden tussen de Kennisgroep Landelijke Acties, het ministerie van Financiën en de FIOD-ECD. Besloten is tot een landelijk gecoördineerde aanpak in een project. Voorts hebben besprekingen over risico's, rechtsvragen, mogelijk- en onmogelijkheden in het project bij de Belastingdienst plaatsgevonden. Daarnaast is een projectleider aangezocht die op 24 augustus 2006 van start is gegaan; en
- (2)
continue afstemming plaatsgevonden met het ministerie van Financiën (afstemmen en informeren over ontwikkelingen en voortgang).
7.2.11.
De derde fase was de projectfase. In het algemeen kunnen de werkzaamheden in deze periode als volgt worden samengevat:
- (1)
samenstellen van een landelijk projectteam;
- (2)
opzetten van een projectorganisatie: plannen maken en uitwerken, het landelijke en regionale management van de Belastingdienst informeren, formeren van een groep collegae die het landelijke project regionaal uitzet en bewaakt (= de regiotrekkers), capaciteit vrij doen maken in de regio's voor het behandelen van de renseignementen. Regelen van administratieve ondersteuning op landelijk en regionaal niveau;
- (3)
opzetten van een projectapplicatie: bouwen van een computerprogramma specifiek toegesneden voor de fiscale behandeling met betrekking tot de ontvangen gegevens. Deze applicatie verschaft behandelaren en projectleiding steeds op individueel niveau inzage in de behandeling;
- (4)
afstemmen en schrijven van een draaiboek: raadplegen deskundigen heffing, inning en opsporing. Afstemmen met deskundigen successierecht en het Openbaar Ministerie;
- (5)
informeren, organiseren en houden van startbijeenkomsten voor de regiotrekkers;
- (6)
het schrijven van standaardbrieven die bij de aanvang van het project verstuurd moeten worden;
- (7)
verifiëren van de ontvangen gegevens- op verschillende manieren beoordelen of de ontvangen gegevens (voldoende) betrouwbaar zijn (vergelijken met gegevens die reeds in eerdere projecten verstrekt waren en chikwadraattoets);
- (8)
selecteren van posten in verband met mogelijk strafrechtelijk onderzoek;
- (9)
voorbereiding starten van civiele kortgedingprocedures, en overleg met de Landsadvocaat.
Het analyseren en veredelen van de gegevens en het identificeren van rekeninghouders heeft hierbij de meeste tijd gevergd. Deze activiteiten hebben gedurende de periode april 2005 tot en met maart 2007 onafgebroken plaatsgevonden en zijn naderhand vervolgd. In maart 2007 is besloten de gegevens van de eerste tranche geïdentificeerde belastingplichtigen vrij te geven voor behandeling op de diverse kantoren van de Belastingdienst. De keuze voor een projectmatige aanpak is naar het oordeel van het Hof aanvaardbaar vanwege de eenheid van beleid en uitvoering. Gelet op de uitgevoerde werkzaamheden en de daarbij nagestreefde zorgvuldigheid is de met het identificatieproces gemoeide tijd van ongeveer twee jaar daarvoor niet onredelijk lang. In aanmerking is genomen dat de naam van de echtgenote diende te worden gecheckt en te worden bezien wie van de twee het hoogste persoonlijke inkomen had.
7.2 12.
De Inspecteur is, belanghebbende heeft dit niet weersproken, begin maart 2007 op de hoogte gekomen van het feit dat belanghebbende naar voren is gekomen als rekeninghouder van de VLB. Het Hof sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank in 4 8 tot en met 4 10 van de uitspraak heeft overwogen. De keuze voor een projectmatige aanpak is naar het oordeel van het Hof aanvaardbaar vanwege de eenheid van beleid en uitvoering. Gelet op de uitgevoerde werkzaamheden en de daarbij nagestreefde zorgvuldigheid is de met het identificatieproces gemoeide tijd van ongeveer twee jaar daarvoor niet onredelijk lang. In aanmerking is genomen dat de naam van de echtgenote diende te worden gecheckt en te worden bezien wie van de twee het hoogste persoonlijke inkomen had.
De eerste vragenbrief van de Inspecteur dateert van 16 maart 2007.
Belanghebbende heeft daarop gereageerd bij brief van 26 maart 2007, waarbij hij heeft verzocht concrete informatie toe te zenden waarop is gebaseerd dat belanghebbende een buitenlandse bankrekening zou aanhouden. Hierop heeft de Inspecteur op 3 april 2007 een antwoord gezonden waarbij belanghebbende is gewezen op zijn verplichting inlichtingen te verschaffen ex artikel 47 van de Awr. Bij brief van 4 april 2007 heeft de gemachtigde [E] zich gesteld en heeft hij verzocht om concrete informatie. Vervolgens heeft de Inspecteur op 11 april 2007 de gemachtigde geantwoord met toezending aan de gemachtigde van de brief aan belanghebbende van 3 april 2007. Hierop is een antwoord gevolgd van 18 april 2007 door de gemachtigde waarin deze heeft gesteld dat het bewijs voor inkomen uit een buitenlandse bankrekening bij de Inspecteur ligt. Belanghebbende zelf heeft de Belastingdienst op 24 oktober 2007 naar aanleiding van een brief van [F] van [G] van 9 oktober 2007 waarin belanghebbende onder meer is meegedeeld dat de fiscus beschikt over saldo-overzichten per december 1994, september 1996 en november 1996, meegedeeld dat hij een afschrift van de saldo overzichten wil hebben en dat hij daarna bij de bank navraag zal doen. Op 5 november 2007 heeft de gemachtigde van belanghebbende aan de Inspecteur de door belanghebbende met dagtekening 18 juli 2007 ingevulde verklaring gefaxt waarin belanghebbende heeft verklaard niet over een buitenlandse bankrekening te beschikken. Op 30 november 2007 heeft de Inspecteur daarna de navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en 2002 en VB 1996 aangekondigd. Het voornemen tot het opleggen van de navorderingsaanslagen met verhogingen en boetes over de andere jaren heeft de Inspecteur aan belanghebbende meegedeeld op 30 november 2007 onder de voorwaarde dat het feitencomplex niet wijzigt. Belanghebbende is daarbij in de gelegenheid gesteld op dit voornemen te reageren. De gemachtigde heeft vervolgens op 5 december 2007 gereageerd waarna de Inspecteur heeft geantwoord op 14 december 2007. Het bezwaar tegen de eerste navorderingsaanslagen heeft de gemachtigde gemotiveerd in april 2008. De tijdspanne die is verstreken tussen maart 2007 en het daadwerkelijk opleggen van de eerste navorderingsaanslagen in december 2007, is aanvaardbaar. Het Hof heeft hierbij gelet op de omstandigheid dat belanghebbende en later ook de gemachtigde geen informatie verstrekte over bedragen die op zijn rekening zouden staan maar ontkende over een rekening te beschikken en dat voor het opleggen van deze navorderingsaanslagen een handmatig proces moest worden uitgevoerd.’
Inzake deze beoordeling en het daarover gegeven oordeel overwoog de Hoge Raad in zijn arrest van 2 mei 2014, nr. 13/04723, ECLI:NL:HR:2014:1032, BNB 2014/139, r.o. 2.2.2:
‘In het oordeel van het Hof ligt besloten dat bij het project Bank Zonder Naam in de fase tot aan het verstrekken van gegevens aan de Inspecteur in maart 2007 de voortvarendheid is betracht die ingevolge onder meer het arrest van de Hoge Raad van 26 februari 2010, nr. 43050bis, ECLI:NL:HR:2010:BJ9092, BNB 2010/199, in acht moet worden genomen. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting (zie HR 28 maart 2014, nr. 13/03554, ECLI:NL:HR:2014:689, V-N 2014/16.6). Het oordeel is ook niet onbegrijpelijk. Het middel faalt daarom.’
Een en ander ligt in casu niet anders. Ook in de onderhavige zaak is niet onbegrijpelijk dat de inspecteur voldoende heeft onderbouwd dat door de Belastingdienst redelijke voortvarendheid is betracht in de diverse fases van het project.
In vijf andere vergelijkbare zaken inzake het BZN-project heeft Hof 's‑Hertogenbosch [nrs. 11/00335 (ECLI:NL:GHSHE:2013:6143), 11/00793 (ECLI:NL:GHSHE:2013:6116), 11/00794 (ECLI:NL:GHSHE:2013:6115), 12/00093 (ECLI:NL:GHSHE:2013:6112) en 12/00485 (ECLI:NL:GHSHE:2013:6111)] het volgende overwogen inzake de voortvarendheid:
‘4.4.1.
Gelet op voormelde jurisprudentie van het HvJ is toepassing van de verlengde navorderingstermijn ex artikel 16, lid 4, van de AWR mogelijk indien de belastingautoriteiten voortvarend hebben gehandeld nadat hen aanwijzingen betreffende de spaartegoeden en inkomsten uit deze tegoeden bekend zijn geworden. Het Hof begrijpt in het onderhavige geval onder de ‘belastingautoriteiten’ tevens de FIOD-ECD.
4.4.2.
De Hoge Raad heeft de voortvarendheidseis aldus geformuleerd, dat de Inspecteur niet meer tijd gegund is dan ‘noodzakelijkerwijs is gemoeid’ bij het, kort gezegd, voorbereiden en opleggen van de aanslag. Nu zou men kunnen redeneren, dat in alle gevallen, waarin men achteraf terugkijkend op de handelwijze van de Inspecteur moet constateren dat een snellere of efficiëntere werkwijze mogelijk zou zijn geweest, het voortvarendheidscriterium is geschonden. Men constateert dan immers met onweerlegbare precisie dat de door de Inspecteur gebruikte tijd niet noodzakelijk was.
4.4.3.
Naar het oordeel van het Hof is deze mathematische ex nunc benadering echter onjuist. Waar het om gaat, is of de Inspecteur ex tunc beschouwd, dus beoordeeld op het moment dat hij geconfronteerd werd met de taak om de benodigde gegevens voor het opleggen van de aanslag te verzamelen en vervolgens de aanslag op te leggen, zijn taak voortvarend ter hand heeft genomen. Daarbij geldt dat hij een redelijke vrijheid heeft bij het inrichten en prioriteren van zijn werkzaamheden. Het Europeesrechtelijke evenredigheidsbeginsel vereist niet dat men een strengere toets aanlegt.
4.4.4.
Bij de vraag of de Inspecteur zijn taak voldoende voortvarend ter hand heeft genomen, geldt als uitgangspunt dat indien hij, zonder dat daartoe goede redenen bestaan, zes maanden of langer geen actie heeft ondernomen, aangenomen wordt dat hij onvoldoende voortvarend gehandeld heeft.
4.4.5.
Tot voormelde vrijheid van de Inspecteur de inrichting van zijn werk zelf te bepalen en te prioriteren, kan, gelet op de omvang van de in 2.1 omschreven gegevens die dienden te worden verwerkt door de belastingautoriteiten, eveneens worden gerekend de keuze voor een projectmatige aanpak. De Inspecteur heeft ter verdediging van die keuze gewezen op
- (i)
de grote hoeveelheid gegevens betrekking hebbend op een omvangrijk aantal belastingplichtigen,
- (ii)
de ingewikkeldheid van de onderliggende problematiek,
- (iii)
de omstandigheid dat een projectmatige aanpak leidt tot een gemiddeld lagere doorlooptijd,
- (iv)
het nut van een projectmatige aanpak voor het, waar nodig, schatten van het verzwegen vermogen en inkomen.
Al deze omstandigheden rechtvaardigden een centrale aansturing teneinde de eenheid van beleid en uitvoering alsmede de rechtsgelijkheid te waarborgen. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur, gelet op de door hem aangevoerde redenen voor een projectmatige aanpak, de grenzen van voormelde keuzevrijheid niet overschreden.
4.4.6.
Met inachtneming van bovengenoemde uitgangspunten, overweegt het Hof als volgt.
4.5.1.
Belanghebbende stelt primair, dat het tijdsverloop van ruim twee jaar tussen de ontvangst van de gegevens van de Belgische belastingautoriteiten tot aan het moment waarop de Inspecteur belanghebbende heeft aangeschreven, als onredelijk lang moet worden bestempeld. Zowel de omvang als de complexiteit rechtvaardigen niet een dergelijk tijdsverloop. Belanghebbende wijst in dit verband op het KB-Lux project dat omvangrijker was en bovendien de eerste keer betrof dat een dergelijk project werd opgezet, slechts een voorbereidingstijd van één jaar vergde. Subsidiair, dat de identiteit van belanghebbende al vroeg bekend was. Althans het niet-weerlegde vermoeden is gerechtvaardigd dat zulks het geval is. Gelet op de unieke combinatie van de dubbele achternaam ‘[E]’ was identificatie namelijk aanstonds mogelijk. De vraag of voortvarend is gehandeld moet per individu worden beoordeeld en niet op projectniveau.
4.5.2.
De Inspecteur, op wie de bewijslast rust aannemelijk te maken dat de belastingautoriteiten voortvarend hebben gehandeld, heeft in dit verband gewezen op de grote hoeveelheid gegevens die moesten worden verwerkt, het betrof gegevens van ruim 2.500 rekeninghouders van Van Lanschot, en de bij de verwerking hiervan vereiste zorgvuldigheid. Een en ander vergde, aldus de Inspecteur, een projectmatige aanpak. De werkzaamheden in de periode tussen de ontvangst van de gegevens van de Belgische belastingautoriteiten tot aan het moment waarop de Inspecteur belanghebbende heeft aangeschreven, kunnen in dit verband, aldus de Inspecteur, worden onderscheiden in drie verschillende perioden:
- I.
In de onderzoekfase (tot maart 2006), hebben de volgende werkzaamheden plaatsgevonden: opstarten van behandeling, veredelen van de ontvangen gegevens en identificeren en sofiëren van rekeninghouders. De Inspecteur heeft verwezen naar de hiervoor onder 2.8 en 2.9 aangehaalde verklaringen. In de besluit- en inrichtingsfase (maart 2006 tot augustus 2006) is overleg geweest, hebben besprekingen plaatsgevonden en is afgestemd met het Ministerie van Financiën.
- II.
In de projectfase (augustus 2006 tot maart 2007) is een projectteam samengesteld, zijn een projectorganisatie en een projectapplicatie opgezet, is een draaiboek opgesteld, zijn bijeenkomsten voor regiotrekkers georganiseerd, zijn ontvangen gegevens geverifieerd, zijn posten voor mogelijk strafrechtelijk onderzoek geselecteerd en is in overleg met de Landsadvocaat gestart met de voorbereiding van civiele kortgedingprocedures.
- III.
In maart 2007 zijn de gegevens overgedragen aan de bevoegde inspecteur, waarna deze belanghebbende heeft benaderd en uiteindelijk de navorderingsaanslagen heeft opgelegd.
4.6.
In de periode tussen februari 2005 (ontvangst van de gegevens) en maart 2006 is de behandeling opgestart en zijn de gegevens veredeld, door daaraan persoonsgegevens, waaronder sofinummers, toe te voegen. Uit de hiervoor onder 2.7 aangehaalde verklaring volgt dat een geautomatiseerde zoekslag heeft plaatsgevonden, waarop ook de hiervoor onder 2.6 aangehaalde verklaring betrekking heeft, en daarnaast diverse handmatige zoekslagen. De geautomatiseerde zoekslag is uitgevoerd door één EDP-medewerker die daaraan, zo heeft de Inspecteur ter zitting verklaard, een gedeelte van zijn werktijd heeft besteed.
4.7.
Gelet op de aard en omvang van de werkzaamheden, acht het Hof aannemelijk dat gedurende de eerste onderzoeksfase van het project van maart 2005 tot maart 2006 voortdurend en zonder grote onderbrekingen is gewerkt. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur aldus voldoende voortvarend gehandeld. De keuze om in die onderzoeksfase niet meer mankracht in te zetten, maakt dat niet anders, nu de Inspecteur, zoals reeds overwogen, een zekere vrijheid toekomt bij het indelen en prioriteren van zijn werkzaamheden. Het Hof is van oordeel dat hij bij het prioriteren de grenzen van deze vrijheid niet heeft overschreden.
4.8.
In de besluit- en inrichtingsfase, van maart 2006 tot augustus 2006, is de inspanning van de belastingautoriteiten er op gericht geweest een projectorganisatie op te tuigen, een draaiboek te schrijven, overleg te voeren binnen de Belastingdienst en het Ministerie van Financiën teneinde tot besluitvorming te komen. Met al hetgeen de Inspecteur heeft aangevoerd heeft hij aannemelijk gemaakt dat gedurende deze periode voortvarend is gehandeld. Dat het project enige vertraging heeft opgelopen door een afpersingsaffaire als vermeld in de verklaring onder 2.9 alsmede door een extra inspanning de identificatie nogmaals te controleren, maakt dit niet anders. Van de Inspecteur kan immers niet gevraagd worden dat hij, wetende dat er onzekerheden kleven aan het proces van identificatie en bruikbaarheid van de verzamelde gegevens, niettemin de aanslagregeling voortzet. De vertraging dient daarom gerekend te worden tot de tijd die noodzakelijkerwijs gemoeid was met het verzamelen van gegevens en voorbereiden van de aanslag.
4.9.
Belanghebbende heeft gesteld dat de identificatie in zijn geval via het bestand B.V.R. van de Belastingdienst gemakkelijk zou zijn geweest en tot een sneller resultaat zou hebben geleid. De Inspecteur heeft ontkend dat belanghebbende makkelijk te identificeren was, omdat de hoeveelheid gegevens die hij, althans de FIOD-ECD, had ontvangen niet toereikend zou zijn geweest. Daarnaast stelt hij dat, nu eenmaal gekozen was voor een projectmatige aanpak, een individuele identificatie niet een werkbare optie was. Bezien tegen het licht van die, hiervóór reeds aanvaardbaar geoordeelde, keuze om te komen tot een projectmatige aanpak, is de hiermee benodigde tijd, ten opzichte van het mogelijk (in het geval van belanghebbende) kortere tijdsverloop ingeval van een individuele aanpak, te rechtvaardigen. Het Hof verwerpt de grief.
4.10.
In het voorgaande ligt besloten, dat het Hof het argument van belanghebbende verwerpt, inhoudende dat vergelijking met de KB-Lux affaire mee zou brengen, dat de Inspecteur in de onderhavige zaak niet voortvarend gehandeld heeft. ’
Op 19 september 2014 heeft de Hoge Raad in deze zaken (rolnrs. 14/00575, 14/00576, 14/00577, 14/00578 en 14/00579) het beroep van belanghebbenden tegen dit oordeel onder verwijzing naar artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie verworpen. Daarbij verwijst de Hoge Raad naar het hiervoor reeds aangehaalde arrest van 2 mei 2014, nr. 13/04723, ECLI:NL:HR:2014:1032, BNB 2014/139 en het hieronder aangehaalde arrest van 28 maart 2014, nr. 13/03554, ECLI:NL:HR:2014:689, BNB 2014/137.
Uit het arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2014, nr. 13/03554, ECLI:NL:HR:2014:689, BNB 2014/137 volgt:
‘3.4.2.
De Hoge Raad neemt bij de beoordeling van dit middelonderdeel tot uitgangspunt dat in een geval als het onderhavige, waarin gegevens over in het buitenland ondergebracht vermogen zijn verkregen die een groot aantal in Nederland wonende personen betreffen, de Belastingdienst over voldoende tijd moet kunnen beschikken om met voldoende mate van zekerheid vast te stellen om welke individuele belastingplichtigen het gaat en vervolgens ten aanzien van de betrokken belastingplichtigen te beoordelen of, en zo ja, voor welk bedrag belasting van hen kan worden nagevorderd. In gevallen als het onderhavige kan de Belastingdienst verder in redelijkheid tot het oordeel komen dat een landelijke coördinatie en een projectmatige aanpak geboden zijn. Indien daarvoor wordt gekozen moet tevens rekening worden gehouden met de tijd die met een zodanige aanpak en coördinatie gemoeid is, waaronder begrepen de tijd die benodigd is voor het ontwikkelen van beleid voor de behandeling van individuele gevallen, ook ten aanzien van het opleggen van boeten waartoe gelet op het bepaalde in (thans) Afdeling 5.4.1 Awb ook overleg met het openbaar ministerie geboden kan zijn. Met deze werkzaamheden, waarbij ook in het belang van de betrokken belastingplichtigen zorgvuldigheid moet worden betracht, kan geruime tijd gemoeid zijn.
3.4.3.
De belastingautoriteiten hebben beoordelingsvrijheid bij de organisatie en inrichting van al deze werkzaamheden. Die vrijheid is echter niet onbegrensd. Gelet op de eisen die voortvloeien uit het recht van de Europese Unie mogen de werkzaamheden niet worden georganiseerd en ingericht op een zodanige wijze dat een voortvarende behandeling onvoldoende gewaarborgd is.
(…)
3.4.6.
Bij de beoordeling van dit tijdsverloop heeft het Hof grote betekenis toegekend aan de omstandigheid dat de ‘geautomatiseerde zoekslag is uitgevoerd door één EDP-medewerker die daaraan (…) een gedeelte van zijn werktijd heeft besteed’. Zonder nadere motivering, die in de bestreden uitspraak niet is gegeven, is evenwel niet begrijpelijk dat het Hof deze omstandigheid redengevend heeft geacht voor zijn oordeel dat niet de vereiste voortvarendheid in acht is genomen. Om dat oordeel begrijpelijk te doen zijn zou ten minste nader uiteengezet moeten zijn welke omstandigheden het oordeel kunnen dragen dat van de Belastingdienst met het oog op de vereiste voortvarendheid, en met inachtneming van het hiervoor in 3.4.3 overwogene, redelijkerwijs een andere organisatie van de te verrichten werkzaamheden verlangd had mogen worden.
Het Hof heeft zijn oordeel mede gebaseerd op de overweging dat het niet aannemelijk acht dat met de hiervoor in 3.1.3 bedoelde fase van het onderzoek, die een jaar in beslag heeft genomen, bij een voortvarende behandeling noodzakelijkerwijs meer dan hooguit enkele maanden zouden zijn gemoeid. Ook in zoverre is de uitspraak van het Hof niet toereikend gemotiveerd, gelet op hetgeen de Inspecteur heeft aangevoerd over de aard en de omvang van de werkzaamheden die na ontvangst van de door de Belgische autoriteiten verstrekte gegevens in deze fase moesten worden uitgevoerd.
Voor zover het middel zich tegen dat oordeel keert, is het daarom terecht voorgesteld.’
Het onderhavige oordeel van het Hof geeft blijk van een onjuiste invulling van de door de Hoge Raad gegeven richtlijnen. De keuze voor een volgtijdelijke onderzoeksfase en een besluit- en inrichtingsfase past in de benadering van de Hoge Raad. De beoordeling of voldoende voortvarendheid is betracht binnen de vooraf gekozen werkwijze, kan naar zijn aard uitsluitend achteraf plaatsvinden. Dit wordt bevestigd door de hierboven genoemde arresten van de Hoge Raad van 19 september 2014.
Gelet op de totale omvang van de ontvangen gegevens was individuele identificatie geen werkbare optie. Met andere woorden dat gekozen is voor het projectmatig gebruik maken van digitale zoekslagen van het geheel van verkregen informatie is bezien vanuit de voortvarendheid voor het gehele project een gerechtvaardigde keuze. De aan deze benadering klevende rechtsopvatting heeft de Hoge Raad ook bevestigd in de hiervoor aangehaalde arresten van 28 maart 2014, 2 mei 2014 en 19 september 2014.
Het Hof heeft in casu geoordeeld dat na aanvang van de sofiëringswerkzaamheden vrij snel duidelijk werd dat in een groot aantal gevallen de gegevens van de bankrekeningen aan een sofinummer gekoppeld zouden kunnen worden en dat dit mogelijk om meer dan 2.000 rekeningnummers zou gaan. Dit feitelijke uitgangspunt noopt volgens het Hof tot het in die fase reeds aanzoeken van een projectleider voor de uitvoerende fase van het project.
Het Hof heeft dit in de r.o. 4.7.6. en 4.7.7. gegeven oordeel kennelijk gebaseerd op de uitlatingen van getuige [A]. Dat oordeel berust echter op een onjuiste uitleg van de verklaring van de getuige. Het aantal van 2.000 dat getuige genoemd heeft, gaat niet over het aantal te koppelen rekeningnummers. Getuige heeft alleen verklaard (zie pagina 4, 2e alinea van onderen van het proces-verbaal) dat in de aangeleverde digitale bestanden 2.000 unieke namen waren aangeleverd. Het was juist zijn taak om te proberen deze unieke namen te koppelen aan een sofinummer. Omdat rekeningnummers vaak gekoppeld waren aan meerdere namen (en/of rekeningen e.d.) heeft [A] op basis van door ‘[H]’ aangeleverde query's onderzocht of deze namen in combinatie (partners, broers etc) gekoppeld kunnen worden aan een bijbehorende sofinummer en uiteindelijk aan een bijbehorend rekeningnummer. Uit de laatste alinea van pagina 4 van het proces-verbaal blijkt dat rekeningnummers vaak aan meerdere namen van mogelijke rekeninghouders gekoppeld konden worden. Daaruit diende een keuze gemaakt te worden, waarbij gebruik gemaakt kon worden van de door [A] bijgeleverde nadere informatie. Daaruit blijkt dat in veel gevallen nog keuzes gemaakt moesten worden voor een definitieve identificatie. (Ter informatie kan ik nog aangeven dat uiteindelijk veel minder dan 2.000 rekeningen met daaraan gekoppelde personen zijn geselecteerd voor klantbehandeling.)
Uit het hierboven reeds eerder aangehaalde arrest van 2 mei 2014 blijkt verder dat in een behoorlijk aantal gevallen op een later moment nog een hercheck nodig was met betrekking tot de identificatie:
‘2.4.3.
Ter zitting in hoger beroep heeft de Inspecteur betoogd dat de ‘hercheck’ in de zomer van 2008 ook is uitgevoerd om met betrekking tot houders van rekeningen die op twee namen stonden meer zekerheid te krijgen over de juistheid van de identificatie die had plaatsgevonden aan de hand van persoonsgegevens zoals die in het jaar 2005 waren geregistreerd. De Inspecteur heeft toegelicht dat dit verband hield met huwelijksontbindingen vóór 2005. Als gevolg daarvan zou uit de bevolkingsgegevens over het jaar 1995 kunnen blijken dat toen (ook) andere personen met dezelfde combinatie van namen (als gehuwden) geregistreerd waren dan in 2005.’
Met andere woorden: de gedachte van het Hof dat al vrij snel duidelijk was dat in 2.000 gevallen tot een geslaagde identificatie gekomen zou kunnen worden, is niet juist. Of de voorlopige resultaten voldoende zekerheid opleverden voor juiste identificaties stond evenmin vast. Getuige [A] verklaart (pagina 5 proces-verbaal) dat hij eind 2005 een excelbestand heeft aangeleverd met indicaties van de meest waarschijnlijke rekeninghouder. Vanuit de opdrachtgever (projectleider [B]) is toen nog gevraagd om een aanpassing van de aangeleverde gegevens, hetgeen [A] in december 2005/januari 2006 heeft gedaan.
[B] was werkzaam bij de FIOD en was als projectleider in eerste instantie met name gericht op de vraag of rekeninghouders strafrechtelijk vervolgd konden worden. Werkzaamheden die daar bij passen zijn het schrijven van een stappenplan en het vormen van een standpunt inzake de minimumbewijsregel (mede naar aanleiding van ontwikkelingen in strafrechtelijke procedures inzake het rekeningproject/KB Lux). Hieruit volgt dat anders dan waar het Hof van uitgaat al wel eerder een projectleider op het BZN-project was gezet in de persoon van [B], zij het dat [B] met name met een strafrechtelijke pet op bezig was. Nadat [B] in maart 2006 de FIOD heeft verlaten is het strafrechtelijke traject voortgezet door de eveneens gehoorde getuige [i]. Uit zijn getuigenverhoor blijkt dat in die fase (vanaf augustus 2006) pas duidelijk is geworden in welke zaken voor een strafrechtelijke aanpak is gekozen.
Pas daarna kon met de rest van de zaken het administratiefrechtelijke traject worden ingezet. Overigens blijkt uit de verklaring van [i] dat in die fase reeds een werkgroep bezig was met de voorbewerking van het administratiefrechtelijke traject.
De FIOD had echter geen beslissingsbevoegdheid over het in behandeling geven van de uitkomsten van het onderzoek van de EDP-medewerker. De bevoegdheid hiertoe lag (en ligt nog steeds) bij het managementteam van de Belastingdienst. Dit blijkt ook uit de verklaring van [C]. Ik verwijs naar het in onderdeel 2.9 van de uitspraak aangehaalde getuigenverhoor bij rechtbank Leeuwarden.
‘Het management van de Belastingdienst nam de beslissing om met dit project door te gaan.’
Eerst toen, na het opleveren van de onderzoeksresultaten door de EDP-medewerker, is besloten dat en op welke wijze de renseignementen behandeld zouden gaan worden. Ik wijs er in dit verband op dat een andere beslissing ook mogelijk was geweest. Het managementteam van de Belastingdienst had namelijk ook kunnen besluiten om de renseignementen voor reguliere behandeling vrij te geven (zoals onlangs bijvoorbeeld is gebeurd met de gerenseigneerde Europese Spaarrenterichtlijn gegevens).
Na deze beslissing is de behandeling overgedragen aan de Kennisgroep Landelijke Acties (KLA) voor de projectmatige aanpak. Ik verwijs nogmaals naar het getuigenverhoor van [C] bij rechtbank Leeuwarden.
‘Bij de kennisgroep is het een landelijke aanpak geworden’
De organisatiestructuur van de Belastingdienst bood gewoonweg geen eerdere mogelijkheid voor het aanstellen van een projectleider dan in maart 2006.
Voor het moment van aanstellen van de projectleider (rechtsoverweging 4.7.12.) na overdracht aan de KLA wil ik voorts nog wijzen op de volgende passage uit het getuigenverhoor van [C] bij rechtbank Leeuwarden.
‘Het project Bank zonder naam is eerst door de medewerkers van de Kennisgroep op de rails gezet. Uiteindelijk is een projectmanager1. gezocht. Dat is [D] geworden. Er is eerst gekeken welke rechtsvragen nog actueel waren. Er zijn rechtsdeskundigen bij betrokken geweest. Ik weet niet wie dat waren. Ook is bekeken wat de aanpak van het project Bank zonder naam betekende voor andere projecten. Dit heeft al met al tot de zomer van 2006 geduurd. Toen is de beslissing genomen om het project door te zetten en in de zomer van 2006 is een projectmanager gezocht, welke in augustus 2006 is gevonden.’
Ik stel mij op het standpunt dat het niet eerder aanstellen van een projectleider dan op het moment dat definitief wordt besloten een project uit te voeren past binnen de beoordelingsvrijheid die de Belastingdienst heeft bij de organisatie en inrichting van zijn werkzaamheden.
Ik merk hierbij nog op dat het (laten) verrichten van werkzaamheden door een projectleider voor een project waarvan niet vast staat dat het doorgang zal vinden, geen reële optie is voor een organisatie als de Belastingdienst die, gelet op de beschikbare capaciteit, steeds keuzes moet maken tussen werkzaamheden die wel en werkzaamheden die niet uitgevoerd kunnen worden.
Dat de aanstelling van de projectleider vanaf de zomer 2006 nog enige tijd op zich heeft laten wachten, houdt verband met de procedure die hiermee gemoeid is (openstellen vacature, reactietermijn, selectie, overdracht werkzaamheden etc.).
Uit de ambtsedige verklaring van [C], voorzitter kennisgroep landelijke acties, komt naar voren dat in de fase tussen maart 2006 en augustus 2006 risico's die samenhangen met een projectaanpak zijn onderzocht, een aantal rechtsvragen zijn beantwoord en afstemming heeft plaatsgevonden met het Ministerie van Financiën. Om u een indruk te geven over welke soort vragen dit ging, kan gedacht worden aan de minimumbewijsregel (strafrechtposten), de op de zaak betrekking hebbende stukken (in het licht van toen actuele uitspraken van Hof 's‑Hertogenbosch inzake het rekeningproject/KB Lux) en het rechtmatigheidsvraagstuk.
Uit bovenstaande volgt dat vanaf het begin van het BZN-project steeds een projectleider actief is, waarbij in de eerste fase de nadruk lag op het strafrechtelijke element en later voor het administratiefrechtelijke traject eerst de KLA in beeld was, gevolgd door het aanstellen van een afzonderlijke projectleider voor het administratiefrechtelijke traject in de fase dat dit traject daadwerkelijk van start kon gaan.
In het licht van hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in het arrest van 28 maart 2014, nr. 13/03554, ECLI:NL:HR:2014:689, BNB 2014/137, r.o. 3.4.2. kan met deze afzonderlijke aandachtspunten in de opstartfase een geruime tijd gemoeid zijn.
De door het Hof aangelegde maatstaf, dat de Belastingdienst verplicht is om in de fase van de identificering en strafrechtelijke beoordeling reeds een projectleider aan te stellen voor het administratiefrechtelijke traject acht ik onjuist, nu deze onder andere voorbij gaat aan:
- —
het feit dat in die fase minder duidelijk was of en hoeveel personen met voldoende zekerheid geïdentificeerd zouden kunnen worden;
- —
het feit dat in die fase nog niet duidelijk was welke personen na de identificatie door het Openbaar Ministerie geschikt bevonden zouden worden voor strafrechtelijke vervolging;
- —
het feit dat anders dan waar het Hof vanuit ging geen sprake is geweest van 2.000 mogelijke identificaties maar van 2.000 unieke namen op de aan de onderzoeker aangeleverde lijst, waarvan hij nog moest onderzoeken in hoeverre die namen aan een sofinummer gekoppeld konden worden;
- —
het feit dat ook in de eerste fase reeds een projectleider (van de FIOD) was aangesteld en de coördinatie na vertrek van deze projectleider is overgenomen door de KLA;
- —
het feit dat na afronding van de voorlopige identificatie nog de nodige rechtsvragen beantwoord moesten worden voordat het project over de Belastingdienst uitgerold kon worden;
- —
het feit dat, nadat het project was goedgekeurd om uitgevoerd te gaan worden, een uitvoerend projectleider is benoemd.
Conform het hiervoor aangehaalde arrest van 28 maart 2014 heeft het Hof ook in casu zijn uitspraak niet toereikend gemotiveerd en acht ik het oordeel van het Hof in het licht van de hiervoor aangehaalde arresten van 2 mei 2014 en 19 september 2014 onjuist.
Nu de Hoge Raad de oordelen van Hof Den Haag en Hof 's‑Hertogenbosch inzake de wijze van inrichting van het project en de daaraan gekoppelde voortvarendheid in stand heeft gelaten en deze gebaseerd zijn op eenzelfde feitencomplex acht ik het ook in het licht van de rechtsgelijkheid gewenst om aan te sluiten bij de door uw Raad gegeven oordelen in de arresten van 2 mei 2014 en 19 september 2014.
Op grond van het vorenstaande ben ik van oordeel dat de uitspraak van het Hof niet in stand zal kunnen blijven.
DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN,
namens deze,
DE DIRECTEUR-GENERAAL BELASTINGDIENST,
loco
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 08‑10‑2014