Einde inhoudsopgave
Cessie (O&R nr. 70) 2012/X.8.1
X.8.1 Inleiding
mr. M.H.E. Rongen, datum 01-10-2011
- Datum
01-10-2011
- Auteur
mr. M.H.E. Rongen
- JCDI
JCDI:ADS356440:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Dit is bijvoorbeeld het geval bij zogeheten spaar- en levenhypotheken. Zie voor een beknopte beschrijving, hiervoor: nr. 223.
Op grond van art. 7:966 lid 4 BW geldt een aanwijzing van een begunstigde als hoofdgerechtigde tot zekerheid, als een aanwijzing als pandhouder (vgl. art. 7:966 lid 1 (a) BW). Hetzelfde geldt voor een aanwijzing als hoofdgerechtigde tot aflossing van een schuld, tenzij de aanwijzing is beperkt tot het bedrag dat aan de begunstigde is verschuldigd. Dit laatste is in de praktijk vaak het geval.
Zie hoofdstuk XI in verband met de problematiek van de overgang van bank- en kredietzekerheden.
Zie ook: nr. 1016 in verband met securitisation.
Zie Mijnssen 2007, nr. 44.2 en Asser/Clausing & Wansink 5-VI 2007, nrs. 481 e.v.
Zie Mijnssen 2007, nr. 46.
Bij aangetekende brief of deurwaardersexploit.
Bovendien is verdedigbaar dat als de afkoopwaarde van de verzekering nagenoeg voldoende is om de vordering van de leninggever/pandhouder mee te voldoen, de pandhouder gehouden is verhaal te nemen op de verzekering, omdat de schuldenaar een zwaarwegend belang heeft bij het behoud van zijn woning. Aldus: Bruisten-Dijkhof e.a. 2007, p. 124.
Zie hoofdstuk XI in verband met de problematiek van de overgang van bank- en kredietzekerheden.
Zie de artikelen 3:246 en 255 jo 253 BW.
Zie § X.4.2.
995. Inleiding en plan van behandeling. In geval van hypothecaire kredietverlening komt het veelvuldig voor dat de leningnemer, al dan niet als voorwaarde voor het verkrijgen van het krediet, een levensverzekering afsluit. De levensverzekering dient vaak niet alleen ter afdekking van het overlijdensrisico, maar ook als een middel om een kapitaal op te bouwen teneinde daarmee de hypotheeklening geheel of gedeeltelijk af te lossen.1 Over het algemeen worden de rechten uit de levensverzekering, waaronder het recht van afkoop, tot meerdere zekerheid van de aflossing van de lening aan de leninggever verpand. Bovendien is het gebruikelijk dat de leninggever als eerste begunstigde wordt aangewezen van de door de verzekeraar te betalen verzekeringsuitkering (hierna: “de schuldeisersbegunstiging”). Dit betekent dat de leninggever aanspraak kan maken op het verzekerde bedrag, indien de verzekering bij overlijden van de verzekerde of op haar einddatum tot uitkering komt. De uitkering wordt dan in mindering gebracht op de schuld van de leningnemer. De begunstiging van de leninggever heeft aldus zowel een betalings- als een zekerheidsfunctie: de verzekeringsuitkering wordt aangewend voor de voldoening van de lening en waarborgt deze voldoening ook.2
In geval van overdracht of verpanding van de uit de hypothecaire lening voortvloeiende vordering zal de cessionaris of pandhouder meestal ook een aanspraak willen verkrijgen op de pandrechten op de rechten uit de polis en de rechten uit de schuldeisersbegunstiging. De pandrechten op de rechten uit de polis zullen op grond van de artikelen 3:82 en 6:142 BW van rechtswege op de cessionaris overgaan.3 Wat betreft de rechten uit de schuldeisersbegunstiging rijst de vraag of de schuldeisersbegunstiging als een nevenrecht kan worden aangemerkt die van rechtswege in de cessie of verpanding van de hypotheekvordering is begrepen. Indien de vraag ontkennend zou moeten worden beantwoord, rijst de vraag op welke andere wijzen de cessionaris of pandhouder van de hypotheekvordering een aanspraak op de rechten uit de schuldeisersbegunstiging kan worden toegekend.
In het onderstaande zal op deze vragen worden ingegaan. Eerst wordt aandacht geschonken aan de vraag of de schuldeisersbegunstiging als een nevenrecht van de hypothecaire vordering kan worden aangemerkt (§ 8.2). Vervolgens wordt ingegaan op de mogelijkheden van een cessie van de rechten uit de schuldeisersbegunstiging en een wijziging van de begunstiging ten gunste van de cessionaris van de hypotheekvordering (§ 8.3 en § 8.4). In § 8.5 wordt de constructie van de ‘partnerclausule’ besproken. Daarna wordt bezien op welke wijzen bij de securitisation van hypotheekvorderingen wordt getracht de rechten uit de schuldeisersbegunstiging te doen toekomen aan het SPV en de security trustee (§ 8.6). Tot slot worden enige alternatieve regelingen besproken (§ 8.7). Alvorens deze onderwerpen aan bod komen, zal eerst kort worden ingegaan op het recht om de verzekering af te kopen.
996. Cessie van de hypotheekvordering en het recht van afkoop.4 Indien de verzekering stellig voorziet in een of meer uitkeringen, is de verzekeringnemer bevoegd de verzekering geheel of gedeeltelijk door de verzekeraar te doen afkopen.5 Door de afkoop eindigt de verzekering. De afkoopwaarde komt de verzekeringnemer toe (art. 7:978 lid 1 BW). Heeft de verzekeringnemer zijn rechten uit de verzekeringsovereenkomst aan de leninggever verpand, dan komt ook de leninggever/pandhouder de bevoegdheid toe de verzekering te doen afkopen, tenzij de verzekeringnemer deze bevoegdheid zelf niet heeft (art. 7:984 BW).6 De pandhouder kan echter pas tot afkoop overgaan, indien de schuldenaar in verzuim is gekomen en de pandhouder zijn voornemen tot het doen afkopen ten minste 4 weken tevoren aan de verzekeringnemer heeft medegedeeld (art. 7:984 lid 1 BW).7 Heeft de pandhouder de verzekering doen afkopen dan rust het pandrecht nog slechts op de vordering op de verzekeraar tot betaling van de afkoopsom (art. 7:984 lid 3 BW). De pandhouder kan dan de afkoopsom van de verzekeraar innen.
Het recht van de leninggever om in zijn hoedanigheid van pandhouder de verzekering af te kopen, is in de praktijk van groter belang dan de aanspraken die de leninggever tegenover de verzekeraar heeft in zijn hoedanigheid van eerste begunstigde van de verzekering. Het pandrecht stelt de leninggever in geval van verzuim van de schuldenaar immers in staat om verhaal te nemen op de verzekering, ook als deze nog niet door het bereiken van de einddatum of het overlijden van de verzekerde opeisbaar is geworden. De afkoop van de verzekering, mits deze afkoopwaarde heeft, is eenvoudiger dan de uitwinning van het hypothecair verbonden registergoed.8 Mocht na de afkoop van de verzekering blijken dat er nog een restantschuld is, dan kan voor dit restant het hypotheekrecht worden uitgeoefend.
In geval van cessie van de hypothecaire vordering gaat ook het pandrecht op de rechten uit de polis over op de cessionaris (zie de artikelen 3:82 en 6:142 BW).9 Dit betekent dat als de schuldenaar wat betreft zijn betalingsverplichtingen in verzuim verkeert ook de cessionaris in zijn hoedanigheid van pandhouder de verzekering kan doen afkopen – mits deze afkoopwaarde heeft – en verhaal kan nemen op de vordering tot uitkering van de afkoopsom.10 Dezelfde bevoegdheid komt toe aan de pandhouder van de hypotheekvordering. De pandhouder kan in het kader van zijn pandrecht op de hypotheekvordering gebruikmaken van de aan die vordering verbonden zekerheidsrechten, waaronder het pandrecht op de rechten uit de verzekering.11