Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VI.1
VI.1 Inleiding
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS593970:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 27 juni 1968, nr. 2122/64, par. 5 (Wemhoff/Duitsland) en de dissenting opinion van Zekia.
Zie ECieRM 3 oktober 1978, nr. 7986/77, dec. (Krause/Zwitserland); EHRM 25 maart 1983, nr. 8660/79, NJ 1986, 698, m.nt. Alkema (Minelli/Zwitserland), respectievelijk General Comment 1984/13, par. 7. De passages werden geciteerd in § IV.2.4.
Zie bijv. Amerikaans Supreme Court 14 mei 1979, 441 U.S. 520 (Bell/Wolfish); Stumer 2010; Lippke 2016. Vgl. ook Van Sliedregt (2009, p. 42), die premature uitlatingen van overheidsfunctionarissen grotendeels buiten beschouwing laat, nu zij niet tot de oorspronkelijke kern van het beginsel behoren.
§ IV.3.
§ V.2.
Zie o.a. CRM 20 juli 2000, nr. 770/97, par. 8.3 (Gridin/Rusland); CRM 30 maart 2005, nr. 973/2001, par. 7.4 (Khalilov/Tajikistan); CRM 10 maart 2010, nr. 1520/2006, par. 6.5 (Mwamba/Zambia); CRM 29 oktober 2012, nr. 1940/2010, par. 7.4 (Cedeño/Venezuela) en EHRM 10 februari 1995, nr. 15175/89, NJ 1997, 523, par. 41, m.nt. Dommering (Allenet de Ribemont/Frankrijk); EHRM 26 maart 2002, nr. 48297/99, par. 53 (Butkevicius/Litouwen); EHRM 2 oktober 2012, nr. 1484/07, par. 77 (Kakabadze e.a./Georgië); EHRM 22 mei 2014, nr. 15172/13, par. 127 (Ilgar Mammadov/Azerbeijan); EHRM 11 oktober 2016, nr. 20758/ 04, par. 21 (Turyev/Rusland).
Zo onder vele EHRM 4 maart 2010, nr. 28245/04, par. 28 (Mokhov/Rusland); EHRM 20 juni 2013, 73455/11, par. 191 (Sidikovy/Rusland); EHRM 27 februari 2014, nr. 17103/10, par. 41 (Karaman/Duitsland); EHRM 12 november 2015, nr. 2130/10, par. 52 (El Kaada/ Duitsland).
Zie bijv. EHRM 10 februari 1995, nr. 15175/89, NJ 1997, 523, par. 41, m.nt. Dommering (Allenet de Ribemont/Frankrijk); EHRM 28 oktober 2004, nrs. 48173/99 en 48139/99 (Y.B. e.a./Turkije); EHRM 21 september 2006, nr. 13583/02 (Pandy/België). EHRM 16 december 2008, nr. 58478/00 (Rupa/Roemenië); EHRM 23 juli 2013, nr. 19866/04, par. 139 (Ürfi Çetinkaya/Turkije).
Aldus bijv. EHRM (GK) 12 juli 2013, nr. 25424/09, EHRC 2013, 219, m.nt. Bemelmans, par. 94 (Allen/Verenigd Koninkrijk); EHRM 28 oktober 2014, nr. 60101/09, par. 32 (Peltereau-Villeneuve/Zwitserland); EHRM 15 januari 2015, nr. 48144/09, par. 35 (Cleve/Duitsland).
EHRM 24 mei 2011, nr. 53466/07, par. 32 (Konstas/Griekenland); EHRM 19 november 2013, nr. 12042/05, dec., par. 57 (Shyti/Roemenië); EHRM 30 april 2015, nr. 3453/12, par. 83 (Kapetanios e.a./Griekenland).
§ IV.3.2.3.
Zie o.a. EHRM (GK) 12 juli 2013, nr. 25424/09, EHRC 2013, 219, m.nt. Bemelmans, par. 94 (Allen/Verenigd Koninkrijk); EHRM 18 oktober 2016, nr. 21107/07, par. 23 (Alkaşi/Turkije).
Zie over de in dit hoofdstuk gekozen benadering en gebruikte methodologie nader § V.1.
De invulling die het internationale mensenrechtenrecht aan de onschuldpresumptie geeft, beperkt zich niet tot de sfeer van het bewijs. Al vrij snel na de inwerkingtreding van het EVRM en het IVBPR, onderkenden de met het toezicht op de naleving van die verdragen belaste organen de implicaties voor de wijze waarop een niet-veroordeelde dient te worden bejegend. Zo oordeelde het EHRM in 1968 dat artikel 5 EVRM onder meer van de partijstaten vraagt te beoordelen of de in voorlopige hechtenis doorgebrachte periode op zeker moment een groter offer van de verdachte is gaan vergen dan redelijkerwijs mag worden verwacht van een voor onschuldig gehouden individu.1 Eind jaren ’70 en begin jaren ’80 van de vorige eeuw formuleerden de organen één voor één algemene regels die erop neerkomen dat bejegeningswijzen die een schuldoordeel reflecteren voordat die schuld is vastgesteld de onschuldpresumptie schenden.2 De artikelen 4 en 5 van de richtlijn onderschrijven dat. Ofschoon in nationale rechtspraak en literatuur het bestaan van de behandelingsdimensie nog wel eens ontkend of gebagatelliseerd wordt, kan men mijns inziens om de positiefrechtelijke realiteit van het principe moeilijk heen.3
De in hoofdstuk IV geïdentificeerde bestaansredenen voor de behandelingsdimensie zijn,4 evenals de grondslagen voor de bewijsdimensie,5 in het internationale recht te herkennen, al wordt daaraan niet erg precies gerefereerd. Volgens zowel het Comité als het Hof voorkomt de behandelingsdimensie primair de prejudgment van de uitkomst van een strafzaak.6 Iets algemener geformuleerd ziet het Hof “preventing the undermining of a fair criminal trial by prejudicial statements” als de eerste functie van de behandelingsdimensie.7 Bij bescherming van de openheid van de uitkomst van de procedure blijft het evenwel niet. Voorkomen moet tevens worden dat autoriteiten met hun bejegeningswijze het publiek stimuleren in de schuld van de verdachte te geloven.8 Daarmee hangt samen de overweging dat de onschuldpresumptie de reputatie van de (gewezen) verdachte beoogt te beschermen, in welk opzicht het recht nauw samenhangt met dat van artikel 8 EVRM.9 Niet alleen de reputatie wordt beschermd, ook behoedt het beginsel volgens het Hof de eer en waardigheid van de betrokkene.10 Dat raakt aan de eerder besproken niet aan de waarheidsvinding gerelateerde functies van een eerlijk proces.11 Ten slotte hecht het Hof er bijzonder belang aan dat nadat de onschuldpresumptie de eerlijkheid van het proces heeft beschermd, die bescherming niet theoretisch en illusoir mag worden doordat de uitkomst van dat strafproces in een andere procedure openlijk kan worden ondergraven.12
In hoofdstuk IV bleek dat de behandelingsdimensie omgeven is door onduidelijkheid en misverstand. De daar opgeworpen vragen en dilemma’s krijgen in het navolgende opnieuw de aandacht, maar nu vanuit een positiefrechtelijk perspectief.13 In de volgende paragraaf komt eerst het toepassingsbereik van de onschuldpresumptie aan bod, voor zover dat niet reeds in hoofdstuk V is besproken. Vooral het temporele toepassingsbereik is voor de behandelingsdimensie problematischer van aard dan voor de bewijsdimensie en krijgt daarom nadere aandacht. Paragraaf 3 gaat over de vraag wie aan de behandelingsdimensie zijn gebonden, waarbij in het bijzonder ook de horizontale werking van het beginsel wordt besproken. Vanaf paragraaf 4 komen de inhoudelijke consequenties van de behandelingsdimensie aan bod. Die consequenties bestrijken vrijwel de gehele strafrechtspleging. De betekenis en werking van de behandelingsdimensie in de jurisprudentie van de met uitleg van het EVRM en IVBPR belaste organen en in de richtlijn, laat zich mijns inziens echter grosso modo in vijf categorieën verdelen. In paragraaf 4 bespreek ik de in kwantitatief opzicht belangrijkste, te weten de gevallen waarin overheidsfunctionarissen de verdachte voorafgaand of tijdens de tegen hem aanhangige strafzaak verbaal bejegenen in strijd met de onschuldpresumptie. Daarbij moet niet alleen worden gedacht aan publicitaire uitlatingen van politici of opsporings- en vervolgingsautoriteiten, maar bijvoorbeeld ook aan de conclusies van een parlementaire enquêtecommissie of het vonnis waarbij de medeverdachte van klager is veroordeeld en waarin ook de rol van klager wordt uiteengezet. Vervolgens komt de meest klassieke functie van de behandelingsdimensie aan bod, namelijk de beperkende werking op dwangmaatregelen in het vooronderzoek en ter zitting (§ 5). Paragraaf 6 handelt over de oplegging van sancties aan niet-veroordeelden en paragraaf 7 heeft betrekking op de tenuitvoerlegging van voorwaardelijke en van niet-onherroepelijke sancties. In paragraaf 8 bespreek ik de betekenis van de behandelingsdimensie na de beëindiging van een strafzaak zonder veroordeling en in het bijzonder de bescherming van de vrijgesproken verdachte. Alvorens het hoofdstuk af te sluiten, krijgt de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel afzonderlijke bespreking (§ 9). Dat is niet zozeer een op zichzelf staande categorie van zaken, maar de ontneming is wel een type beslissing dat verschillende aspecten van het onschuldvermoeden uit de EHRM-rechtspraak bij elkaar brengt. Door een afzonderlijke paragraaf daaraan te wijden, kan de belangrijkste tegen Nederland gewezen uitspraak van het Hof, Geerings/Nederland, uitvoeriger en met alle benodigde voorkennis worden besproken.