Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VI.6
VI.6 Oplegging van sancties
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS600903:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 6 november 1980, nr. 7367/76, par. 100 (Guzzardi/Italië); EHRM 29 oktober 2013, nr. 17475/09, EHRC 2014/33, m.nt. Mols, par. 69 (Varvara/Italië). Vgl. ook EHRM 17 december 2009, nr. 19359/04, par. 87 (M./Duitsland).
EHRM 23 oktober 2014, nr. 27785/10 (Melo Tadeu/Portugal); EHRM 30 april 2015, nr. 3453/12 (Kapetanios e.a./Griekenland); EHRM 9 juni 2016, nr. 66602/09 (Sismanidis en Sitaridis/Griekenland).
EHRM 25 september 2008, nr. 42132/06 (Paraponiaris/Griekenland).
Ashworth 2006, p. 90-94.
Zie daarover hiervoor § VI.2.1.3.
EHRM 20 maart 2012, nr. 18450/07, NJ 2013, 361, dec., m.nt. Van Kempen (Bingöl/Nederland).
Sancties verschillen van dwangmiddelen, doordat zij een normovertreding impliceren. Sancties zijn per definitie reacties op het overtreden van een verbodsnorm. Het ligt voor de hand dat een strafrechtelijke sanctie eerst na vaststelling van die normovertreding kan plaatsvinden en dat de behandelingsdimensie zich tegen die vaststelling buiten het strafproces verzet. Dat is inderdaad als de hoofdregel te beschouwen. Behelst de sanctie een criminal charge in de zin van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR, dan is de onschuldpresumptie daarop ten volle van toepassing. Dat betekent dat ook de bewijsdimensie geldt en derhalve vergt de oplegging van de sanctie dat de rechter zich ervan vergewist dat de verdachte met een aan zekerheid grenzende mate van waarschijnlijkheid de overtreding heeft begaan, waarop de sanctie een reactie vormt. Wordt de (punitieve) sanctie in eerste instantie niet opgelegd door een rechter, maar door een ander overheidsorgaan, dan verlangt artikel 6 EVRM dat een rechter met full jurisdiction daarover kan oordelen en de schuld van de verdachte met diezelfde, hoge waarschijnlijkheid vaststelt.
Ook overigens vloeit volgens het EHRM uit het systeem van het EVRM voort dat een sanctie die als criminal charge valt aan te merken steeds het oordeel weerspiegelt dat de betrokkene een strafbaar feit heeft begaan. Gezien is reeds dat strafrechtelijke aansprakelijkheid volgens het Hof de dader niet overleeft. Oftewel, strafrechtelijke sanctionering volgt steeds op vaststelling van (eigen) aansprakelijkheid. In dat opzicht ziet het Hof een nauw verband met de artikelen 5 lid 1 sub a en artikel 7 EVRM. Dat stelsel van verdragsartikelen houdt in dat “there can be no ‘conviction’ unless it has been established in accordance with the law that there has been an offence”.1 Die conviction in de zin van artikel 5 lid 1 sub a EVRM vormt de grondslag voor de zwaarste punitieve sanctie, de gevangenisstraf. Sanctionering vereist dus én schuldvaststelling én veroordeling. De behandelingsdimensie van het onschuldvermoeden onderstreept dat beide hand in hand dienen te gaan: een schuldoordeel mag, zo bleek hiervoor reeds, pas bij gelegenheid van veroordeling worden uitgesproken.
De oplegging van een sanctie voor een normovertreding is dus ondenkbaar zonder de verdachte daarmee te bejegenen als schuldige aan die normovertreding. De rechtspraak van het EHRM over de oplegging van bestuursrechtelijke punitieve sancties na vrijspraak, bevestigt dat. Ongeacht of de bestuursrechter zich over het verloop van de strafprocedure heeft uitgelaten, levert de oplegging van een bestuurlijke punitieve sanctie voor het feit waarvan de verdachte eerder is vrijgesproken een schending op van niet alleen artikel 4P7 EVRM (ne bis in idem), maar ook van de onschuldpresumptie.2 De oplegging van een financiële sanctie ondanks de verjaring van het feit, schond artikel 6 lid 2 EVRM eveneens.3 De conclusie is derhalve voor de hand liggend: sancties die neerkomen op een criminal charge, kunnen op grond van de behandelingsdimensie pas worden opgelegd na vaststelling in de daarvoor bestemde procedure dat de verdachte daadwerkelijk de norm heeft overtreden waarop de sanctie een reactie is.
Als één van four threats to the presumption of innocence beschouwt Ashworth in zijn gelijknamige artikel het gevaar dat overheidsinstanties aan de onschuldpresumptie proberen te ontsnappen door niet langs strafrechtelijke, maar langs andere weg de naleving van publiekrechtelijke normen te handhaven.4 De autonome uitleg van het begrip criminal charge verhindert dat grotendeels. Waar de op te leggen sanctie zelf echter geen criminal charge behelst, is artikel 14 IVBPR daarop niet van toepassing. Artikel 6 lid 2 EVRM heeft alleen ‘afgeleide’ werking.5 Dat wil zeggen: heeft ooit ter zake van een zeker strafbaar feit een criminal charge bestaan maar heeft deze niet tot een veroordeling geleid, of is die procedure nog aanhangig, dan mag de betrokkene ook buiten die procedure (en daarmee eveneens in andere procedures) niet als schuldig aan dat feit worden bejegend. Dit is bijvoorbeeld van belang voor de intrekking en weigering van vergunningen in het kader van de Wet Bibob. Artikel 3 biedt grondslag voor de weigering van een vergunning of de intrekking daarvan in geval van “feiten en omstandigheden die erop wijzen of doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten”. Is de verdachte voor die strafbare feiten vervolgd, maar niet veroordeeld, dan verzet artikel 6 lid 2 EVRM zich tegen (de motivering van) de Bibob-beslissing die is gebaseerd op betrokkenheid bij die feiten. Heeft voor die delicten echter nooit vervolging plaatsgehad, bijvoorbeeld omdat daarvoor geen bewijs bestaat, dan blijft artikel 6 lid 2 EVRM zonder meer buiten toepassing.6 In zoverre biedt de rechtspraak van het EHRM wel ruimte voor de door Ashworth gevreesde omzeiling van de onschuldpresumptie: op een strafbaar feit kan een niet-punitieve, niet-strafrechtelijke reactie worden gegeven, waarbij het begaan van dat delict wordt verondersteld, ofschoon voor dat feit veroordeling nooit heeft plaatsgehad en wellicht ook niet haalbaar zou zijn.