Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/20
20 Art. 3:307 BW; de verjaring van de vordering tot nakoming
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS365308:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dat spreekt voor zich — waarom zou hier art. 6:248 lid 1 BW hier geen aanvullende werking hebben? — maar is ook nadrukkelijk overwogen in de parlementaire geschiedenis (Pari. Gesch. Boek 3, p. 171) en in navolging daarvan door de Hoge Raad in zijn arrest van 12 november 1999, NJ 2000, 67, r.o. 3.4.2.
Een voorbeeld van een debat over het moment van opeisbaarheid in het kader van art. 3:307 BW biedt HR 20 januari 2006, NJ 2006, 81. X heeft in september 1990 aan een commanditaire vennootschap geld geleend. In 1992 is de vennootschap door faillissement ontbonden. In 2001 heeft X terugbetaling van de lening geëist. De vraag is of de vijfjaarstermijn is gaan lopen op het moment van faillissement. Het hof oordeelde dat de lening uit haar 'aard slechts voor de levensduur van [de vennootschap] — en in die zin voor bepaalde tijd-' is verstrekt. De Hoge Raad oordeelt daarentegen in r.o. 3.6 van zijn arrest: 'De termijn van verjaring van de vordering tot terugbetaling van een aan een commanditaire vennootschap voor onbepaalde tijd ter leen gegeven geldsom vangt (...) niet zonder meer aan op de dag volgende op die waarop die vennootschap wordt ontbonden.' Zo beslist de discussie over het moment van opeisbaarheid het verjaringsdebat. Zie ook Rechtbank Den Haag 14 november 2001, NJ 2002, 377, waar het ging om het moment van opeisbaarheid van een pensioenverplichting.
§ 17.3.3.2.
In het bijzonder Part Gesch. Inv. p. 1410-1412 en p. 1414 over art. 3.11.11.
Zie o.a. Asser/Hartkamp 4-1, nr. 668 met nadere verwijzingen.
Wat betreft het toepassingsbereik van art. 3:307 BW valt te wijzen op HR 17 oktober 2003, NJ 2004, 282. Daar werd geoordeeld dat de rechtsvordering tot volstorting van aandelen onder art. 3:307 lid 1 BW valt. Een voorbeeld van toepassing van de twintigjaarstermijn uit het tweede lid biedt het — op zichzelf niet baanbrekende — HR 12 november 1999, NJ 2000, 67. Aan de orde was het aanvangsmoment in geval van een overeenkomst van geldleen. De Hoge Raad oordeelt: 'Het hof heeft eraan voorbijgezien dat voor de aanvang van die verjaringstermijn niet beslissend is op welk tijdstip de crediteur de geldlening door opzegging had beëindigd, maar tegen welk tijdstip hij de lening had kunnen opzeggen.'
Ik heb in deze alinea getracht drie lange alinea's parlementaire geschiedenis (Part Gesch. Boek 3, p. 1410-1411) samen te vatten; voor letterlijke beschouwing van de overwegingen van de wetgever is deze weergave dus niet geschikt.
Nikort 2003, 29.
Art. 307 lid 1 BW bepaalt — kort gezegd — dat een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen verjaart door verloop van vijf jaren na opeisbaarheid. Art. 307 lid 2 BW bepaalt — kort gezegd — in het bijzonder ten aanzien van verbintenissen tot nakoming na onbepaalde tijd dat de in lid 1 bedoelde termijn pas loopt vanaf het moment waarop de schuldeiser heeft medegedeeld tot opeising over te gaan. Lid 2 bepaalt nader dat de rechtsvordering in elk geval verjaart twintig jaar nadat opeising op zijn vroegst mogelijk was.
Gegeven het feit dat de termijn aanvangt bij de opeisbaarheid van de vordering, zal over het algemeen een debat over art. 3:307 lid 1 BW zich toespitsen op de vraag wanneer de vordering opeisbaar is geworden.
Die kwestie van het moment van opeisbaarheid is een leerstuk op zichzelf, waarover ik in dit boek niet meer dan de hoofdregel vermeld: partijen kunnen het moment van opeisbaarheid overeenkomen. "Indien geen tijd voor de nakoming is bepaald", is, krachtens art. 6:38 BW, de vordering direct opeisbaar. Het woord "bepaald" uit art. 6:38 BW moet niet aldus worden begrepen dat een nadrukkelijk beding nodig is; aanvullende bronnen voor de vaststelling van de inhoud van een overeenkomst - denk aan art. 6:248 lid 1 BW kunnen de conclusie rechtvaardigen dat ook bij gebreke van een nadrukkelijk beding sprake is van een "bepaald1 moment.'2
Voor aanvang van de vijfjaarstermijn is niet vereist dat de crediteur bekend is met het ontstaan van de vordering of de persoon van de debiteur; het is mogelijk dat de vordering opeisbaar wordt en dus de vijfjaarstermijn aanvangt zonder dat de crediteur die voor het geldend maken van zijn vordering wezenlijke informatie heeft. Eerder in dit boek heb ik verdedigd dat deze implicatie niet strijdig is met de aan de vijfjaarstermijn ten grondslag liggende rechtsverwerkingsgedachte, omdat van de crediteur, gegeven het feit dat hij weet dat hij tot enige debiteur in een juridische verhouding staat, verwacht mag worden dat hij zich inspant om de vereiste kennis te verwerven.3 Zou het de crediteur evenwel werkelijk onmogelijk zijn om, bijvoorbeeld, het moment van opeisbaarheid te kennen, dan valt niet uit te sluiten dat een beroep van de debiteur op de vijfjaarstermijn in strijd met de redelijkheid en billijkheid is.
Anders dan bijvoorbeeld art. 3:310 BW en de stuitingsregeling, is art. 3:307 BW tot dusverre tamelijk onproblematisch gebleken. Ik volsta daarom in dit boek met de onderstaande opmerkingen over lid 2 en verwijs voor het overige naar, met name, de instructieve parlementaire geschiedenis,4 naar de bestaande literatuur5 en naar de (weinige) rechtspraak.6
Het tweede lid van art. 3:307 BW is slechts bedoeld voor die gevallen waarin in de overeenkomst zelf al ligt opgesloten dat opeising niet binnen afzienbare tijd zal plaatsvinden. Of het inderdaad zo is dat in de overeenkomst besloten ligt dat opeising niet direct zal plaatsvinden — en dus sprake is van onbepaalde tijd in de zin van art. 3:307 lid 2 BW — is een kwestie van uitleg van de overeenkomst. Dat partijen geen termijn zijn overeengekomen, rechtvaardigt op zichzelf niet de conclusie dat sprake is van een onbepaalde termijn in de zin van art. 3:307 lid 2 BW; het kan bij gebreke van een partijafspraak heel goed zo zijn dat de verbintenis krachtens 6:38 BW direct opeisbaar is. In dat geval is het eerste lid van art. 3:307 BW van toepassing.
Bijzondere aandacht verdient de vraag wanneer een vordering valt onder het bereik van het eerste en wanneer onder het bereik van het tweede lid van art. 3:307 BW. Die kwestie is van wezenlijk belang: krachtens het eerste lid begint de termijn te lopen op het moment waarop de vordering opeisbaar wordt, krachtens het tweede lid begint de termijn te lopen op het moment waarop de crediteur daadwerkelijk opeist. In het eerste geval ligt de aanvang van de termijn buiten de invloed van de crediteur, in het tweede geval bepaalt zijn eigen handelen het aanvangsmoment. Bovendien kent het tweede lid nog een termijn van twintig jaar te rekenen vanaf het moment dat de crediteur had kunnen opeisen.
De onderlinge verhouding van de leden een en twee valt gemakkelijker uit de parlementaire geschiedenis te kennen dan uit de tekst van de wet zelf. De wetgever overweegt, ik parafraseer, dat de opeisbaarheid niet in alle gevallen het redelijke aanvangstijdstip is, omdat er gevallen zijn waarin in de overeenkomst zelf opgesloten ligt dat de opeising niet binnen afzienbare termijn zal plaatsvinden. Te denken is aan bewaargeving en bruikleen. Veelal wordt verjaring in dergelijke gevallen voorkomen doordat een periodieke verplichting tot betaling van bijvoorbeeld rente of bewaarloon bestaat, waarin steeds een erkenning gelegen is die krachtens 3:318 BW stuitende werking heeft. Een dergelijke stuiting is echter niet steeds aan de orde. Denk aan inbewaargeving om niet of aan renteloze leningen in familie-of concernverband. Het is redelijk dat in dergelijke gevallen de vijfjaarstermijn pas aanvangt bij opeising door de crediteur.7
Deze benadering wordt gesteund door de hiervoor gepropageerde gedachte dat verjaring krachtens de vijfjaarstermijn pas aan de orde behoort te zijn als van de crediteur redelijkerwijze verwacht mocht worden dat hij zijn vordering instelde. Waar dat van de crediteur, gegeven het karakter van de overeenkomst, niet verwacht mocht worden, behoort de vijfjaarstermijn niet te gaan lopen. Ook de twintigjaarstermijn is goed te rechtvaardigen, nu van de crediteur wel verwacht mag worden dat hij, nadat hij hiertoe het vermogen heeft gekregen, óóit tot actie komt.
Dat het tweede lid slechts ziet op "gevallen waarin in de overeenkomst zelf al opgesloten ligt dat de opeising niet binnen afzienbare tijd zal plaatsvinden", is wellicht niet iedereen aanstonds duidelijk uit de tekst van dat artikel. Volgens die tekst is "In geval van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd" lid twee van toepassing. Verwarring met art. 6:38 BW dreigt; daar is bepaald dat waar geen termijn is bepaald, terstond nakoming kan worden gevorderd.
Zonodig kan het volgende verduidelijken: met "nakoming na onbepaalde tijd" in de zin van art. 3:307 lid 2 BW is gedoeld op de situatie waarin de overeenkomst aldus moet worden opgevat dat partijen beoogden de vordering op een onbepaald moment in de toekomst, in elk geval niet direct, opeisbaar te doen zijn; met "indien geen tijd voor de nakoming is bepaald" in art. 6:38 BW is gedoeld op de situatie waarin de overeenkomst over het moment van nakoming, ook na aanwending van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid, werkelijk zwijgt en waar de wetgever in die leemte voorziet door directe opeisbaarheid te bepalen. In het eerste geval hebben partijen al dan niet expliciet onbepaalde tijd beoogd, in het tweede geval niet. Aldus betreft het hier in belangrijke mate een kwestie van uitleg.
In HR 21 juni 19968 was de vraag naar toepasselijkheid van art. 3:307 lid 2 BW aan de orde. Het ging daar om de verbintenis tot afgifte van zogenaamde 'broncodes' welke noodzakelijk zijn voor onderhoud aan computerprogrammatuur. De Hoge Raad verwerpt terecht de klacht tegen het hofoordeel dat lid 2 van toepassing is met de volgende overweging: "Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het Hof geoordeeld dat nakoming van de uit de overeenkomst voortvloeiende verbintenis de broncodes af te geven, pas aan de orde zou komen wanneer [de crediteur — JLS] daaraan in verband met de veroudering van de programmatuur behoefte zou hebben. Tot een nadere motivering van dit voor de hand liggende oordeel was het Hof niet gehouden." Minder juist lijkt de volgende overweging in het vonnis van de Rechtbank Arnhem van 10 december 2003:9 "Uit deze gang van zaken moet worden afgeleid dat de partijen met betrekking tot de door de Gemeente in de jaren '70 aangegane verplichting om aan Floor industriegrond te leveren, nooit een concrete termijn hebben verbonden. In dit geval gelden dan ook de verjaringstermijnen van artikel 3:307 lid 2 BW"
Ik meen hier het misverstand te zien waartoe de tekst van art. 3:307 lid 2 BW misschien ook wel enigszins aanleiding geeft. Het enkele feit dat partijen geen termijn zijn overeengekomen, is voor toepasselijkheid van art. 3:307 lid 2 BW onvoldoende. Art. 6:38 BW bepaalt immers dat wanneer geen termijn is overeengekomen, de vordering direct opeisbaar is. Die regel lijkt in het algemeen ten aanzien van de leveringsverplichting uit hoofde van een koopovereenkomst ook zeer voor de hand te liggen. Als art. 6:38 BW inderdaad van toepassing is, wordt de rechtsvordering verjaringsrechtelijk door art. 3:307 lid 1 BW beheerst.
Voor toepasselijkheid van lid 2 is van belang of het partijen, al dan niet met zoveel woorden, voor ogen heeft gestaan de vordering niet direct opeisbaar te doen zijn. Dat is iets heel anders. Of daarvan in de onderhavige casus sprake was is een kwestie van uitleg van de betreffende koopovereenkomst. Hoe die uitleg moet luiden is louter op basis van de tekst van het vonnis niet te zeggen. Denkbaar is op zichzelf dat de overeenkomst inderdaad aldus moet worden uitgelegd dat, in de woorden van de wetgever, "opeising niet binnen afzienbare tijd zal plaatsvinden". In dat geval is slechts de geciteerde overweging onjuist en niet de uiteindelijke beslissing; lid 2 is dan, zoals de Rechtbank ook besliste, van toepassing.
Tot slot een zaak over het soort vordering waarvoor lid 2 bij uitstek geschreven is. In Rechtbank Rotterdam 23 mei 200710 vorderde een schoonvader 27 jaren na dato van zijn inmiddels voormalig schoondochter de helft van een bedrag terug dat hij had geleend aan haar en zijn zoon ten behoeve van de aanschaf van de echtelijke woning. De Rechtbank acht de vordering niet verjaard. Haar overweging luidt: "Naar het oordeel van de rechtbank zal juist bij overeenkomsten in familieverband, zoals de onderhavige, waarbij voor onbepaalde tijd geld ter leen wordt verstrekt, gezien de aard van de overeenkomst en de eisen van redelijkheid en billijkheid, veelal niet terstond nakoming (terugbetaling) kunnen worden gevorderd, althans zal daarvan niet zonder meer kunnen worden uitgegaan. De geldsom is indertijd door eiser — zo stelt gedaagde zelf — verstrekt als bijdrage in de aankoop van de echtelijke woning. Mede gelet hierop moet naar het oordeel van de rechtbank er van worden uitgegaan dat de onderhavige lening niet onmiddellijk na verstrekking daarvan opeisbaar was."
Deze overweging is wel begrijpelijk als reactie op de stelling van de debiteur dat de vordering direct opeisbaar was. De rechtbank legt de overeenkomst anders dan de debiteur aldus uit dat geen sprake was van directe opeisbaarheid. Wat echter onbesproken blijft is vanaf welk moment de vordering dan wél opeisbaar was. Het is heel goed mogelijk dat dat na bijvoorbeeld zes jaar het geval was. Dan zou de vordering wel verjaard zijn geweest (mogelijke stuitingshandelingen buiten beschouwing gelaten), omdat de twintigjaarstermijn aanvangt op het moment van opeisbaarheid (zonodig na opzegging van de geldleenovereenkomst). Óf de vordering meer dan twintig jaar voor het moment van terugvordering opeisbaar was, is opnieuw een vraag van uitleg — geen eenvoudige overigens.
Zie voor toepassing van het tweede lid van art. 3:307 BW op een banktegoed Rechtbank Arnhem 15 januari 2003;11 de vordering wordt niet verjaard geacht, omdat de termijn van twintig jaar na opeisbaarheid nog niet was verstreken.