HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 2.8.
HR, 04-06-2024, nr. 23/02411 B
ECLI:NL:HR:2024:810
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
04-06-2024
- Zaaknummer
23/02411 B
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:810, Uitspraak, Hoge Raad, 04‑06‑2024; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:313
ECLI:NL:PHR:2024:313, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 16‑04‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:810
Beroepschrift, Hoge Raad, 03‑08‑2023
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0115
JIN 2024/92 met annotatie van mr. C. van Oort
Uitspraak 04‑06‑2024
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag ex art. 94 Sv op vermoedelijk vervalst horloge onder klaagster n.a.v. verdenking t.z.v. heling van gestolen fietsen. Uitzondering strafbaarheid in art. 337.2 Sr voor in voorraad hebben van enkele valse waren uitsluitend voor eigen gebruik. Is oordeel Rb dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat strafrechter, later oordelend, horloge zal onttrekken aan verkeer toereikend gemotiveerd? Bij beoordeling van klaagschrift van beslagene dat is gericht tegen beslag ex art. 94 Sv moet rechter a. beoordelen of belang van strafvordering het voortduren van beslag vordert en, zo nee, b. teruggave van inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan beslagene, tenzij ander redelijkerwijs als rechthebbende t.a.v. dat voorwerp moet worden beschouwd. Rb heeft kennelijk, overeenkomstig standpunt van klaagster en OvJ, aangenomen dat horloge vermoedelijk vervalsing betreft. Rb heeft vervolgens geoordeeld dat belang van strafvordering voortduren van beslag vordert omdat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat strafrechter, later oordelend, inbeslaggenomen horloge zal onttrekken aan het verkeer. Dit oordeel is niet z.m. begrijpelijk, nu Rb niet is ingegaan op (mogelijke) toepasselijkheid van uitzonderingsbepaling in art. 337.2 Sr over in voorraad hebben van enkele waren uitsluitend voor eigen gebruik. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/02411 B
Datum 4 juni 2024
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 5 juni 2023, nummer RK 23/010288, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klaagster],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de klaagster.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking, maar uitsluitend voor zover de rechtbank het klaagschrift van de klaagster ongegrond heeft verklaard met betrekking tot het horloge en tot terugwijzing naar de rechtbank teneinde in zoverre op het bestaande klaagschrift te worden afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel komt op tegen de ongegrondverklaring van het klaagschrift, voor zover dat strekt tot teruggave aan de klaagster van een onder haar inbeslaggenomen horloge. Het klaagt onder meer dat het oordeel van de rechtbank dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het inbeslaggenomen horloge zal onttrekken aan het verkeer ontoereikend is gemotiveerd.
2.2.1
De rechtbank heeft het klaagschrift ongegrond verklaard en daartoe overwogen:
“Motivering
Uit de stukken en de behandeling in raadkamer is de rechtbank het volgende gebleken. Op 23 maart 2023 is op verdenking van heling onder klaagster in beslag genomen een elektrische fiets. Ook is toen onder klaagster een horloge van het merk Rolex, waarvan door de politie wordt gedacht dat dit een vervalst horloge betreft, in beslag genomen. (...)
Het standpunt van de officier van justitie
(...)
Het horloge van het merk Rolex betreft waarschijnlijk een vervalsing. Een dergelijk goed kan worden onttrokken aan het verkeer. Bij deze stand van zaken is het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de rechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van dat horloge zal bevelen.
Het oordeel van de rechtbank
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat, nu er nog strafrechtelijk onderzoek loopt, het belang van strafvordering verlangt dat het beslag wordt voortgezet. Ook acht de rechtbank het bij deze stand van zaken niet hoogst onwaarschijnlijk dat de rechter, later oordelend, zal bevelen dat het horloge moet worden onttrokken aan het verkeer.
Beslissing
De rechtbank verklaart het klaagschrift ongegrond.”
2.2.2
Volgens het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer heeft de raadsman van de klaagster daar aangevoerd:
“Rolex. 337 lid 2. Hoogst onwaarschijnlijk dat die wordt onttrokken.”
2.2.3
De namens de klaagster ingediende ‘Toelichting klaagschrift art. 552a Sv’ houdt onder meer in:
“Het horloge
Het betreft geen echt Rolex horloge. Het OM stelt dat een dergelijk goed kan worden onttrokken aan het verkeer. Die opvatting is echter onjuist.
Vgl.
- Artikel 337, tweede lid Sr (in voorraad hebben voor eigen gebruik is niet strafbaar)
- HR 13 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:571.”
2.3
De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang:
- artikel 36c van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr):
“Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn alle voorwerpen:
1°. die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het feit zijn verkregen;
2°. met betrekking tot welke het feit is begaan;
3°. met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid;
4°. met behulp van welke de opsporing van het feit is belemmerd;
5°. die tot het begaan van het feit zijn vervaardigd of bestemd;
een en ander voor zover zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.”
- artikel 36d Sr:
“Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn bovendien de aan de dader of verdachte toebehorende voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, welke bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit, dan wel het feit waarvan hij wordt verdacht, zijn aangetroffen, doch alleen indien de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan.”
“1. Hij die opzettelijk:
a. valse, vervalste of wederrechtelijk vervaardigde merken,
b. waren, die zelf of op hun verpakking valselijk zijn voorzien van de handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht heeft,
c. waren, die ter aanduiding van herkomst, valselijk van de naam van een bepaalde plaats, met bijvoeging van een verdichte handelsnaam, zijn voorzien,
d. waren, waarop of op de verpakking waarvan een handelsnaam van een ander of een merk waarop een ander recht heeft, zij het dan ook met een geringe afwijking, is nagebootst of
e. waren of onderdelen daarvan die valselijk hetzelfde uiterlijk vertonen als een tekening of model waarop een ander recht heeft, dan wel daarmede slechts ondergeschikte verschillen vertonen,
invoert, doorvoert of uitvoert, verkoopt, te koop aanbiedt, aflevert, uitdeelt of in voorraad heeft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste één jaar of geldboete van de vijfde categorie.
2. Niet strafbaar is hij die enkele waren, onderdelen daarvan of merken als omschreven in het eerste lid in voorraad heeft uitsluitend voor eigen gebruik.”
2.4
In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) beslag is gelegd op het in het klaagschrift bedoelde horloge. Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene dat is gericht tegen een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv, moet de rechter a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert en, zo nee, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Het belang van strafvordering houdt hierbij verband met het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat. Het belang van strafvordering vordert onder meer het voortduren van het beslag als niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b lid 1, aanhef en onder 4º, Sr in samenhang met artikel 552f Sv.
2.5
De rechtbank heeft kennelijk, overeenkomstig het standpunt van de klaagster en de officier van justitie, aangenomen dat het horloge vermoedelijk een vervalsing betreft. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat het belang van strafvordering het voortduren van dit beslag vordert omdat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het inbeslaggenomen horloge zal onttrekken aan het verkeer. Dit oordeel is niet zonder meer begrijpelijk, nu de rechtbank niet is ingegaan op de (mogelijke) toepasselijkheid van de uitzonderingsbepaling in artikel 337 lid 2 Sr over het in voorraad hebben van enkele waren uitsluitend voor eigen gebruik.
2.6
Het cassatiemiddel is in zoverre terecht voorgesteld.
3. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
De beoordeling door de Hoge Raad van het eerste en het derde cassatiemiddel heeft als uitkomst dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het restant van het tweede cassatiemiddel niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank, maar uitsluitend wat betreft de beslissing tot ongegrondverklaring van het klaagschrift ten aanzien van het inbeslaggenomen horloge;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Noord-Nederland, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt behandeld en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juni 2024.
Conclusie 16‑04‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Beklag. Beslag ex art. 552a Sv op o.a. geldbedrag € 5000,-, telefoon en vervalst Rolex-horloge. Falende middelen (1) en (3) m.b.t. oordeel Rb dat belang strafvordering zich verzet tegen teruggave € 5.000,- en telefoon. Slagend middel (2) m.b.t. oordeel Rb dat onttrekking aan het verkeer vervalst Rolex-horloge niet hoogst onwaarschijnlijk is. Conclusie strekt tot partiële vernietiging en terugwijzing naar de Rb.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/02411 B
Zitting 16 april 2024
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de klaagster.
De rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij beschikking van 5 juni 2023 het op grond van art. 552a Sv ingediende klaagschrift van de klaagster, strekkende tot opheffing van het beslag op de goederen die onder haar en haar partner [betrokkene] in beslag genomen zijn – waaronder een geldbedrag van € 5.000,-, een telefoon en een Rolex horloge – en tot teruggave daarvan aan haar, ongegrond verklaard.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster en R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel
3.1
Het middel bevat de klacht dat de rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift een onjuiste maatstaf heeft toegepast, althans de beschikking onvoldoende begrijpelijk en/of ontoereikend heeft gemotiveerd. In het bijzonder wordt geklaagd dat het oordeel van de rechtbank dat het belang van strafvordering zich verzet tegen de teruggave van het in beslag genomen geldbedrag ter hoogte van € 5.000,-, onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd.
3.2
De rechtbank heeft het beklag ongegrond verklaard en daartoe onder meer het volgende overwogen:
“Motivering
Uit de stukken en de behandeling in raadkamer is de rechtbank het volgende gebleken. Op 23 maart 2023 is op verdenking van heling onder klaagster in beslag genomen een elektrische fiets. Ook is toen onder klaagster een horloge van het merk Rolex, waarvan door de politie wordt gedacht dat dit een vervalst horloge betreft, in beslag genomen. Ook zijn op 23 maart 2023 op verdenking van diefstal onder [betrokkene] voornoemd een aantal goederen, te weten: een geldbedrag, administratie, een mobiele telefoon en een computer in beslag genomen.
Het standpunt van klager
Klaagster heeft in haar klaagschrift gesteld dat zij eigenaar is van de zowel onder haar als onder [betrokkene] in beslag genomen goederen en heeft verzocht om de teruggave daarvan.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om het klaagschrift ongegrond te verklaren omdat niet buiten redelijke twijfel is dat zij eigenaresse is van die goederen en ook omdat er nog een strafrechtelijk onderzoek loopt naar zowel [betrokkene] als klaagster. Een aantal in beslag genomen goederen moeten nog worden onderzocht, zoals de administratie en de computer. Ook het in beslag genomen geldbedrag maakt nog onderdeel uit van het strafrechtelijk onderzoek. Bij deze stand van zaken is het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de rechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van die goederen zal bevelen. Het horloge van het merk Rolex betreft waarschijnlijk een vervalsing. Een dergelijk goed kan worden onttrokken aan het verkeer. Bij deze stand van zaken is het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de rechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van dat horloge zal bevelen.
Het oordeel van de rechtbank
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat, nu er nog strafrechtelijk onderzoek loopt, het belang van strafvordering verlangt dat het beslag wordt voortgezet. Ook acht de rechtbank het bij deze stand van zaken niet hoogst onwaarschijnlijk dat de rechter, later oordelend, zal bevelen dat het horloge moet worden onttrokken aan het verkeer.”
3.3
Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer van 5 juni 2023 houdt onder meer het volgende in:
“RM: Belang van strafvordering verzet zich niet tegen teruggave. Het is hoogst onwaarschijnlijk dat de telefoon, de laptop, de Rolex en het geldbedrag verbeurd zullen worden verklaard of worden onttrokken aan het verkeer.
OvJ: requireert
Verwijs naar het verweerschrift. Dat blijft staan. Aanvullende stukken overtuigt mij er niet van dat buiten redelijke twijfel kan worden gesteld dat klaagster als eigenaar van de voorwerpen kan zijn. [betrokkene] verbleef wel gewoon in de woning van klaagster en was eigenaar van die in beslag genomen goederen. [betrokkene] woonde samen met klaagster, zij hadden samen een kind en hadden een gezamenlijke inboedel. Het onderzoek naar diefstal en heling loopt nog. De goederen moeten nog naar waarheidsvinding worden onderzocht, met name de computer. Dat geldt ook voor de administratie. Die moet worden onderzocht ivm wederrechtelijk verkregen voordeel. Het geldbedrag: daarvan staat nog niet vast dat het niet afkomstig is uit een strafbaar feit. Rolex: is waarschijnlijk vervalsing. Die kan aan het verkeer worden onttrokken. Die beslissing valt redelijkerwijs te verwachten. Ongegrond.
RM: Rolex. 337 lid 2. Hoogst onwaarschijnlijk dat die wordt onttrokken. […]
R: OvJ, reactie en de loop van het onderzoek?
OvJ: Ik heb begrepen dat het onderzoek nog in volle gang is. Belang van strafvordering verzet zich nog tegen teruggave. Ik kan geen uitspraken doen over termijnen.
R: Iw?
K: De OvJ zegt dat [betrokkene] bij mij woont en dat wij een gezamenlijke huishouding voeren. Ik snap niet hoe zij daarbij komt. Wij hebben wel een kind samen, maar ik ben het niet eens met de conclusie van de OvJ. Ik wil die goederen terug. Het zijn mijn spullen.
R: sluit het onderzoek en doe meteen uitspraak
Elektrische fiets: ingetrokken. Geldbedrag, administratie, computer en Rolex wel. Bij klaagster in beslag genomen. U bent rechthebbende. Maar het is in beslag genomen in belang van Sv. Is dit nu nodig, gelet op de verdenking tegen [betrokkene] ? Mij is niet gebleken dat het belang van Sv er niet zou zijn. Dat betekent dat het beslag gehandhaafd blijft. Het onderzoek loopt nog. Klaagschrift ongegrond. Belang van Sv verzet zich op dit moment tegen de teruggave van de goederen. Belang van geldbedrag, administratie en computer is er dus nog. Rolex, daarvan kan niet worden gezegd dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat die wordt onttrokken aan het verkeer. Ongegrond.
De beslissing wordt afzonderlijk opgemaakt.”
3.4
Het verweerschrift waarnaar de officier van justitie blijkens het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer van 5 juni 2023 heeft verwezen, doelt kennelijk op de zich bij de stukken bevindende “Reactie OM op klaagschrift beslag.” Deze Reactie houdt onder meer het volgende in:
“Het geld (5.000,- euro) inbeslaggenomen bij [betrokkene] , dient ter waarheidsvinding te worden onderzocht nu de herkomst van het geld nog onduidelijk is. Daarnaast is dit geld mogelijk vatbaar voor verbeurdverklaring nu dit geld mogelijk afkomstig is uit winsten van de verkoop van gestolen goederen. Het is NIET onaannemelijk dat zodra het onderzoek is afgerond, verdachte zal worden vervolgd voor heling en/of andere strafbare feiten en alsdan verbeurdverklaring zal worden gevorderd.”
3.5
In de bestreden beschikking ligt als vaststelling van de rechtbank besloten dat het beslag is gelegd op grond van art. 94 Sv. Wanneer het beklag betrekking heeft op beslag op grond van art. 94 Sv, moet de rechter a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee, b. de teruggave van het in beslag genomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast.1.Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave als de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen – ook in een zaak betreffende een ander dan de klager – of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Ook verzet het belang van strafvordering zich tegen teruggave wanneer het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer zal bevelen.2.
3.6
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking geoordeeld dat zij met de officier van justitie van oordeel is dat, nu nog een strafrechtelijk onderzoek loopt, het belang van strafvordering verlangt dat het beslag wordt voortgezet. Gelet op wat hiervoor is vooropgesteld, faalt het middel voor zover geklaagd wordt dat de rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift een onjuiste maatstaf heeft toegepast.
3.7
Over de klacht dat de beschikking onvoldoende begrijpelijk en ontoereikend is gemotiveerd, nu het oordeel van de rechtbank dat het belang van strafvordering zich verzet tegen de teruggave van het in beslag genomen bedrag van € 5.000,- onvoldoende begrijpelijk is, merk ik het volgende op.
3.8
Uit de woorden “met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel” kan worden afgeleid dat de rechtbank het standpunt van de officier van justitie over het belang van strafvordering met betrekking tot het beslag heeft overgenomen. De officier van justitie heeft blijkens de bestreden beschikking, het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer en het verweerschrift, het standpunt ingenomen dat het geldbedrag ter waarheidsvinding dient te worden onderzocht, omdat de herkomst van het geld nog onduidelijk is, evenals dat dit geld mogelijk vatbaar is voor verbeurdverklaring, nu dit geld mogelijk afkomstig is uit winsten van de verkoop van gestolen goederen en het niet onaannemelijk is dat zodra het onderzoek is afgerond, de verdachte zal worden vervolgd voor heling en/of andere strafbare feiten en alsdan verbeurdverklaring zal worden gevorderd. De rechtbank heeft aan haar oordeel dat het belang van strafvordering zich verzet tegen de teruggave van de goederen, dus kennelijk ten grondslag gelegd dat (i) het geld dient om de waarheid aan de dag te brengen, en (ii) het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen.
3.9
Anders dan de steller van het middel meen ik dat het niet onbegrijpelijk is dat het geldbedrag kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen. De officier van justitie heeft overwogen dat het geld mogelijk afkomstig is uit winsten van de verkoop van gestolen goederen. Contant geld kan mijns inziens wel degelijk bruikbaar zijn voor het achterhalen van de herkomst van dat geld. Te denken valt aan dactyloscopisch onderzoek of onderzoek naar het serienummer op een bankbiljet.
3.10
Gelet op het voorgaande, is de beslissing van de rechtbank op het klaagschrift in zoverre niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
3.11
Het middel faalt.
4. Het tweede middel
4.1
Het tweede middel houdt in dat de rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift een onjuiste maatstaf heeft toegepast, althans dat de beschikking onvoldoende begrijpelijk en ontoereikend is gemotiveerd. In het bijzonder wordt geklaagd dat het oordeel van de rechtbank dat het belang van strafvordering zich verzet tegen de teruggave van het horloge niet begrijpelijk is.
4.2
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking met betrekking tot het horloge van het merk Rolex vastgesteld dat het onder klaagster in beslag is genomen en dat door de politie wordt gedacht dat het een vervalst horloge betreft. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het “bij deze stand van zaken” – hetgeen verwijst naar “nu er nog strafrechtelijk onderzoek loopt” – niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter, later oordelend, zal bevelen dat het horloge moet worden onttrokken aan het verkeer.
4.3
Over de maatstaf die de rechtbank heeft toegepast merk ik het volgende op. In het oordeel van de rechtbank dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter, later oordelend, zal bevelen dat het horloge moet worden onttrokken aan het verkeer, ligt besloten dat de rechtbank van oordeel is dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag op het horloge vordert. Nu ook hier geldt dat in de bestreden beschikking als vaststelling van de rechtbank besloten ligt dat het horloge in beslag is genomen op de voet van art. 94 Sv, heeft de rechtbank de juiste maatstaf toegepast. In zoverre faalt het middel.
4.4
Daarmee kom ik toe aan de klacht over de begrijpelijkheid van (kennelijke) oordeel dat het belang van strafvordering zich verzet tegen de teruggave van het horloge. Met de steller van het middel meen ik dat dit oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is. De rechtbank heeft aan dit oordeel ten grondslag gelegd dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter, later oordelend, zal bevelen dat het horloge moet worden onttrokken aan het verkeer. Het horloge is naar mijn idee echter niet vatbaar voor onttrekking aan het verkeer op grond van art. 36c Sr, omdat enige relatie tussen het horloge en het feit waarvan de verdenking bestond – te weten: heling van elektrische fiets(en) en accu’s – ontbreekt. De grondslag voor inbeslagneming was kennelijk slechts dat na onderzoek was gebleken dat dit een vervalsing betrof. Het is ingevolge art. 337 lid 2 Sr niet strafbaar enkele waren die valselijk zijn voorzien van het merk waarop een ander recht heeft in voorraad te hebben wanneer dit uitsluitend voor eigen gebruik is. Het betreft hier slechts één horloge. De rechtbank heeft niets vastgesteld over de wijze waarop het horloge is aangetroffen. Het is dan ook goed verdedigbaar dat de klaagster het horloge in voorraad had voor eigen gebruik, zodat het ongecontroleerde bezit van het horloge in dit geval niet zonder meer in strijd is met de wet of met het algemeen belang.
4.5
De beschikking is in dit opzicht niet zonder begrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd. Het tweede middel slaagt in zoverre.
5. Het derde middel
5.1
Het middel behelst de klacht dat de rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift een onjuiste maatstaf heeft toegepast, althans de beschikking onvoldoende begrijpelijk en ontoereikend heeft gemotiveerd. In het bijzonder wordt geklaagd dat het oordeel van de rechtbank dat het belang van strafvordering zich verzet tegen de teruggave van de telefoon niet is gemotiveerd.
5.2
De rechtbank heeft in haar onder 3.2 weergegeven beschikking geen expliciet oordeel gegeven over de telefoon, maar wel in algemene zin overwogen dat het belang van strafvordering verlangt dat het beslag wordt voortgezet. Waar de behandeling van het klaagschrift zich blijkens het proces-verbaal van de raadkamerzitting van 5 juni 2023 zich uitstrekte tot alle in beslag genomen goederen (met uitzondering van de elektrische fiets) kan geredelijk worden aangenomen dat deze algemene frase mede betrekking heeft op de in beslag genomen telefoon. Naar ik meen behoefde dit kennelijke oordeel geen nadere motivering, aangezien omtrent de telefoon blijkens het proces-verbaal van de raadkamerzitting van 5 juni 2023 slechts was aangevoerd dat de verdachte deze had “gekregen” en dus aan haar zou toebehoren. Op die stelling behoefde de rechtbank niet te reageren, aangezien dat (veronderstelde) feit niet meebrengt dat de telefoon voor teruggave in aanmerking komt – het oordeel van de rechtbank dat het belang van strafvordering de handhaving van het beslag eist maakt immers dat aan de vraag naar de rechthebbende niet wordt toegekomen.
5.3
Het derde middel faalt.
6. Zowel het eerste als het derde middel faalt en deze kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt.
7. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking, maar uitsluitend voor zover de rechtbank het klaagschrift van de klaagster ongegrond heeft verklaard met betrekking tot het horloge en tot terugwijzing naar de rechtbank teneinde in zoverre op het bestaande klaagschrift te worden afgedaan. Het beroep dient voor het overige te worden verworpen.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 16‑04‑2024
HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 2.9.
Beroepschrift 03‑08‑2023
Hoge Raad der Nederlanden
te 's Gravenhage
CASSATIESCHRIFTUUR
Geeft eerbiedig te kennen:
Mevrouw [klaagster], wonende te ([postcode]) [woonplaats] aan de [adres],
dat verzoekster tot cassatie van een haar betreffende beschikking van de enkelvoudige raadkamer van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden in de zaak met raadkamernummer 23-010288, uitgesproken op 5 juni 2023, de navolgende middelen van cassatie voordraagt:
Middel I
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt. De artikelen 24, 94 en 552a Sv zijn geschonden, doordat de rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift een onjuiste maatstaf heeft toegepast, althans doordat de beschikking onvoldoende begrijpelijk en ontoereikend is gemotiveerd. Meer in het bijzonder is het oordeel van de rechtbank dat het belang van strafvordering zich verzet tegen de teruggave van het in beslag genomen bedrag van € 5.000,-- onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.
Toelichting:
Namens verzoekster is op 21 april 2023 een klaagschrift ingediend waarin onder meer werd verzocht tot teruggave van een bij haar in beslag genomen geldbedrag van € 5.000,--.
Ter toelichting is het volgende in raadkamer aangevoerd:
‘Het geldbedrag.
Klaagster heeft dit bedrag deels (€ 2.000,--) ontvangen van haar (inmiddels overleden) vader, deels door de verkoop van haar scooter (€ 3.000,--).
Nu klaagster eerder is geconfronteerd met vragen van de bank in het kader van de Wwft heeft zij ervoor gekozen deze bedragen niet te storten op haar rekening.
Het bedrag is op grond van artikel 94 Sv in beslag genomen. Klaagster is beslagene. Klaagster is geen verdachte in de zaak. De inbeslagneming dient dus niet de waarheidsvinding in een zaak tegen klaagster. Het is hoogst onwaarschijnlijk dat het bedrag verbeurd wordt verklaard, omdat er geen enkele aanwijzing is dat zich de situatie als bedoeld in artikel 33a, tweede lid Sr voordoet.’
Het standpunt van de officier van justitie luidde:
‘Het geld (5.000,- euro) inbeslaggenomen bij [betrokkene], dient ter waarheidsvinding te worden onderzocht nu de herkomst van het geld nog onduidelijk is. Daarnaast is dit geld mogelijk vatbaar voor verbeurdverklaring nu dit geld mogelijk afkomstig is uit winsten van de verkoop van gestolen goederen.’
De rechtbank heeft de beslissing als volgt gemotiveerd:
‘Het oordeel van de rechtbank
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat, nu er nog strafrechtelijk onderzoek loopt, het belang van strafvordering verlangt dat het beslag wordt voortgezet. Ook acht de rechtbank het bij deze stand van zaken niet hoogst onwaarschijnlijk dat de rechter, later oordelend, zal bevelen dat het horloge moet worden onttrokken aan het verkeer.
Beslissing
De rechtbank verklaart het klaagschrift ongegrond’
Blijkens het proces-verbaal van de zitting heeft de rechtbank het volgende aan dat oordeel ten grondslag gelegd:
‘Geldbedrag, administratie, computer en Rolex wel. Bij klaagster in beslag genomen. U bent rechthebbende. Maar het is in beslag genomen in belang van Sv. Is dit nu nodig, gelet op de verdenking tegen [betrokkene]? Mij is niet gebleken dat het belang van Sv er niet zou zijn. Dat betekent dat het beslag gehandhaafd blijft. Het onderzoek loopt nog. Klaagschrift ongegrond. Belang van Sv verzet zich op dit moment tegen de teruggave van de goederen. Belang van geldbedrag, administratie en computer is er dus nog. ’
De beslagen in de onderhavige zaak zijn gelegd op grond van artikel 94 Sv.
In geval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag dient de rechter a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen — ook in een zaak betreffende een ander dan de klager- of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door art. 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.1.
De rechtbank heeft niet meer overwogen dan dat, omdat het strafrechtelijk onderzoek nog loopt, het belang van strafvordering verlangt dat het beslag wordt voortgezet. En dat ‘niet is gebleken dat het belang van strafvordering er niet zou zijn’.
Anders dan indien er nog onderzoek moet worden gedaan aan bijvoorbeeld gegevensdragers is het niet aanstonds duidelijk dat het voortduren van het beslag op een geldbedrag kan bijdragen aan de waarheidsvinding.
Vgl. voor wat betreft het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel:
- —
HR 7 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:166
Nu de rechtbank niet meer heeft gemotiveerd, en wel heeft vastgesteld dat verzoekster rechthebbende is van het geldbedrag, is de beslissing op dit punt onvoldoende met redenen omkleed.
Middel II
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt. De artikelen 24, 94 en 552a Sv zijn geschonden, doordat de rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift een onjuiste maatstaf heeft toegepast, althans doordat de beschikking onvoldoende begrijpelijk en ontoereikend is gemotiveerd. Meer in het bijzonder is het oordeel van de rechtbank dat het belang van strafvordering zich verzet tegen de teruggave van het horloge niet begrijpelijk. Het horloge is immers niet zonder meer vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.
Toelichting:
In het klaagschrift is verzocht om teruggave van een horloge.
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van dit horloge op het volgende standpunt gesteld:
‘Wat betreft de Rolex is na onderzoek door de politie gebleken dat dit een vervalsing betreft. Hier volgt nog een PV bevindingen van. Een vervalsing van een dergelijk goed kan worden onttrokken aan het verkeer. De Rolex was inbeslaggenomen bij [klaagster].’
Ter terechtzitting is namens verzoekster ten aanzien van het horloge gesteld:
‘Het horloge.
Het betreft geen echt Rolex horloge. Het OM stelt dat een dergelijk goed kan worden onttrokken aan het verkeer.
Die opvatting is echter onjuist.
Vgl.
- —
Artikel 337, tweede lid Sr (in voorraad hebben voor eigen gebruik is niet strafbaar)
- —
HR 13 april 2021, ECLI:NL:HR:2011:571’
De Rechtbank heeft overwogen:
‘Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat, nu er nog strafrechtelijk onderzoek loopt, het belang van strafvordering verlangt dat het beslag wordt voortgezet. Ook acht de rechtbank het bij deze stand van zaken niet hoogst onwaarschijnlijk dat de rechter, later oordelend, zal bevelen dat het horloge moet worden onttrokken aan het verkeer.’
Er is in de onderhavige zaak één namaak Rolex in beslag genomen.
Op grond van artikel 337, tweede lid Sr is het niet strafbaar om enkele waren in voorraad te hebben voor eigen gebruik, laat staan één exemplaar.
Er is derhalve geen strijd met de wet of het algemene belang. Evenmin kan het horloge dienen tot het begaan of de voorbereiding van ‘soortgelijke feiten’ of de belemmering van de opsporing daarvan. Bovendien is het horloge niet aangetroffen in een onderzoek naar een feit waarvan verzoekster wordt verdacht. Verzoekster is in deze zaak geen verdachte. Het horloge is niet op grond van artikel 36 d Sr vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.
Nu het horloge ook niet op grond van artikel 36c Sr vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer, is het oordeel van de rechtbank dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat het horloge later wordt onttrokken aan het verkeer onjuist, althans niet voldoende met redenen omkleed.
Het is immers wél hoogst onwaarschijnlijk dat een voorwerp wordt onttrokken aan het verkeer dat daarvoor niet vatbaar is.
Middel III
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt. De artikelen 24, 94 en 552a Sv zijn geschonden, doordat de rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift een onjuiste maatstaf heeft toegepast, althans doordat de beschikking onvoldoende begrijpelijk en ontoereikend is gemotiveerd. Meer in het bijzonder is het oordeel van de rechtbank dat het belang van strafvordering zich verzet tegen de teruggave van de telefoon niet gemotiveerd.
Toelichting:
In het klaagschrift is verzocht om teruggave van een telefoon van het merk Samsung S21 Ultra.
De officier van justitie heeft zich op het volgende standpunt gesteld:
‘De gesprekken uit de bij [betrokkene] in beslag genomen telefoon (Samsung) blijken veelal te gaan over heling en diefstal van (elektrische) fietsen en accu's. Het is niet onwaarschijnlijk dat bij een strafvervolging voor de onder verdachte [betrokkene] in beslaggenomen goederen verbeurdverklaring zal worden gevraagd en dat déze ook zal worden opgelegd. (…)
Gelet op bovenomschreven overwegingen bij het klassieke beslag en hetgeen in het klaagschrift is aangevoerd kan niet worden gesteld dat [klaagster] eigenaar is van de telefoon (Samsung), computer (Chromebook), geld (5000,) en de administratie.’
Ter zitting is namens verzoekster over de telefoon het volgende aangevoerd:
‘De telefoon.
Klaagster had haar telefoon in haar hand toen deze in beslag werd genomen. De opmerkingen van het OM over de gesprekken met de telefoon (b)lijken niet te gaan over de telefoon van klaagster. Er is geen enkele reden te veronderstellen dat de telefoon van klaagster in de zaak tegen [betrokkene] verbeurd zou worden verklaard.’
De rechtbank heeft over de telefoon niets concreets vastgesteld, maar met betrekking tot de overige goederen geoordeeld dat verzoekster wel degelijk de rechthebbende is.
De rechtbank heeft blijkens het p-v van de zitting geoordeeld:
‘Geldbedrag, administratie, computer en Rolex wel. Bij klaagster in beslag genomen. U bent rechthebbende. Maar het is in beslag genomen in belang van Sv. Is dit nu nodig, gelet op de verdenking tegen [betrokkene]? Mij is niet gebleken dat het belang van Sv er niet zou zijn. Dat betekent dat het beslag gehandhaafd blijft. Het onderzoek loopt nog. Klaagschrift ongegrond. Belang van Sv verzet zich op dit moment tegen de teruggave van de goederen. Belang van geldbedrag, administratie en computer is er dus nog. Rolex. daarvan kan niet worden gezegd dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat die wordt onttrokken aan het verkeer. Ongegrond.’
En in de beschikking de volgende beslissing genomen:
‘Het oordeel van de rechtbank
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat. nu er nog strafrechtelijk onderzoek loopt, het belang van strafvordering verlangt dat het beslag wordt voortgezet. Ook acht de rechtbank het bij deze stand van zaken niet hoogst onwaarschijnlijk dat de rechter, later oordelend, zal bevelen dat het horloge moet worden onttrokken aan het verkeer.’
De rechtbank heeft dus niet vastgesteld dat het belang van strafvordering zich verzet tegen de teruggave van de telefoon, maar vervolgens het klaagschrift wel in zijn geheel ongegrond verklaard. Daarmee is de beslissing van de rechtbank voor wat betreft de telefoon niet, of in ieder geval onvoldoende gemotiveerd.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. R.P. Snorn, advocaat te (8442 LE) Heerenveen, aldaar kantoor houdende aan de Burgemeester Falkenaweg 58–102, die verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker tot cassatie.
Heerenveen, 3 augustus 2023
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 03‑08‑2023
HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010, 654