De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring
Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/6.2.1:6.2.1 Duiding van de 403-vordering als een hoofdelijke vordering
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/6.2.1
6.2.1 Duiding van de 403-vordering als een hoofdelijke vordering
Documentgegevens:
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250225:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 28 juni 2002, JOR 2002/136, m.nt. Bartman (Akzo/ING), r.o. 3.4.3 en 3.4.5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In zijn Akzo/ING-beschikking oordeelt de Hoge Raad dat een 403-verklaring een niet tot een bepaalde partij gerichte, eenzijdige verklaring van hoofdelijke aansprakelijkheid is, op grond waarvan rechtstreeks aansprakelijkheid voor de moedermaatschappij ontstaat.1 De Hoge Raad vervolgt dat een dergelijke verklaring geen afhankelijk recht in het leven roept.
De hoofdelijke aansprakelijkheid van de moedermaatschappij brengt met zich dat een crediteur op grond van art. 6:7 BW jegens ieder van de hoofdelijke schuldenaren een vordering heeft tot nakoming van het geheel. De vorderingen op de moeder- en de 403-maatschappij bestaan onafhankelijk van elkaar, met dien verstande dat nakoming door een van beide ook de medeschuldenaar bevrijdt – hetzelfde geldt als een van de vorderingen wordt betaald door inbetalinggeving, verrekening of als een rechter op grond van art. 6:60 BW oordeelt dat de schuldenaar is bevrijd omdat de crediteur zelf in verzuim is. Daarnaast kan de crediteur zelf kiezen welke van de hoofdelijke schuldenaren hij aansprakelijk stelt. Hij hoeft dus niet eerst te proberen om zich op de 403-maatschappij te verhalen, voordat hij de moedermaatschappij op grond van de 403-verklaring aansprakelijk kan stellen.