Einde inhoudsopgave
Conversie en aandelen (VDHI nr. 149) 2018/15.5
15.5 Voldoening stortingsplicht door derden en structurering van vorderingen
mr. P.H.N. Quist, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. P.H.N. Quist
- JCDI
JCDI:ADS371822:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Het gaat hier met name om de subrogatie als omschreven in artikel 6:150 lid 1 sub d BW.
Zie ook Hof ’s-Gravenhage 28 februari 1989, NJ 1991/601. In dat geval ging de aandeelhouder een overeenkomst met een derde aan dat deze aan de stortingsplicht zou voldoen door de inbreng van een vordering van die derde op de vennootschap. Zodanige wijze van storting kan, gelet op de wet en de statuten van de vennootschap, niet rechtsgeldig zijn tenzij die berust op een door de vennootschap daartoe aangegane overeenkomst en daarbij de desbetreffende wettelijke bepalingen in acht zijn genomen.
In vergelijkbare zin Rb. Zwolle 7 juli 2004, JOR 2005/1 m.nt. M.P. Nieuwe Weme. Zo ook Peek 1997, p. 807-811 en Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013/167. Zie ook Hof’s-Hertogenbosch 17 april 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BW3510, RN 2012/70, waarin echter niet aan de vraag werd toegekomen of een vordering tot volstorting op aandelen voor cessie vatbaar is.
De aandeelhouder die aandelen krijgt uitgegeven is gehouden zijn stortingsplicht ter zake te voldoen. Indien de verplichting tot storting de verplichting tot betaling van een geldbedrag betreft, kan ook een derde dit bedrag voor de aandeelhouder voldoen. In veel gevallen is die derde een vennootschap waarmee de aandeelhouder in een groep is verbonden. Indien de voldoening aan de stortingsplicht door een derde geschiedt krachtens een overeenkomst tussen de aandeelhouder en die derde en de vennootschap deze overeenkomst kent of daarvan in kennis is gesteld op het tijdstip van de voldoening, is er geen schuldverhouding meer tussen de aandeelhouder en de vennootschap. In plaats daarvan gaat de vordering jegens de aandeelhouder bij wijze van subrogatie over op de derde (6:150 BW en verder).1 De derde zou de betaling ter voldoening aan de stortingsplicht van de aandeelhouder kunnen verrichten door betaling van een geldbedrag. Zou betaling ook kunnen geschieden doordat de derde afstand doet van een vordering dan wel deze in de vennootschap inbrengt, of een vordering op de vennootschap met de stortingsplicht verrekent? Afstand is een tweezijdige rechtshandeling, die de vennootschap derhalve dient te aanvaarden. Inbreng veronderstelt een levering tussen de derde en de vennootschap.2 Voor verrekening zou nodig zijn dat de derde niet alleen een vordering op de vennootschap heeft, maar tevens een schuld aan de vennootschap tot storting op de aandelen. Die schuld aan de vennootschap zou de derde kunnen verkrijgen door de schuld van de aandeelhouder ter storting op de aandelen over te nemen door schuldoverneming of contractsoverneming. Schuldoverneming heeft pas werking jegens de schuldeiser (in dit geval de vennootschap) indien deze zijn toestemming geeft nadat partijen hem van de overneming kennis hebben gegeven (6:155 BW). De vraag is echter of een verbintenis tot storting op aandelen wel voor schuldoverneming vatbaar is of dat de eigensoortigheid van deze verbintenis zich daartegen verzet. Ik meen dat het specifieke, aan de aandeelhouder verbonden karakter van de verbintenis tot storting op aandelen door de aandeelhouder op zich niet tot gevolg heeft dat een derde deze verplichting niet op zich zou kunnen nemen, maar dat deze overneming door een derde de aandeelhouder niet van zijn stortingsplicht ontslaat, evenmin als een overdracht van niet volgestorte aandelen als zodanig de aandeelhouder van zijn stortingsplicht ontslaat. Ingevolge artikel 2:90/199 BW blijft na overdacht of toedeling van een niet-volgestort aandeel ieder van de vorige aandeelhouders voor het daarop nog te storten bedrag hoofdelijk jegens de vennootschap aansprakelijk. Het bestuur kan tezamen met de raad van commissarissen de vorige aandeelhouders bij authentieke of geregistreerde onderhandse akte van verdere aansprakelijkheid ontslaan; in dat geval blijft de aansprakelijkheid niettemin bestaan voor stortingen, uitgeschreven binnen een jaar na de dag waarop de authentieke akte is verleden of de onderhandse akte is geregistreerd. Lid 2 van deze artikelen vervolgt dat indien een vorige aandeelhouder betaalt, deze in de rechten treedt die de vennootschap tegen latere aandeelhouders heeft. Een wettelijke subrogatie dus. Naar ik meen kan in vergelijkbare zin een derde de schuld uit hoofde van de stortingsplicht evenmin bevrijdend van deaandeelhouder overnemen. Door de overneming van de stortingsplicht door een derde, kan de vennootschap zowel de aandeelhouder als de derde tot storting aanspreken. De overneming van de stortingsplicht door de derde geeft de vennootschap een extra debiteur. Als de derde de betaling ter voldoening aan de stortingsplicht verricht, is daarmee aan de stortingsplicht van de aandeelhouder voldaan. De derde zou zijn verplichting uit hoofde van de overgenomen stortingsplicht mijns inziens ook door verrekening kunnen voldoen. Nu dit een verrekening is met de van de aandeelhouder overgenomen stortingsplicht is voor verrekening de instemming van de vennootschap vereist. De vennootschap dient dan in het licht van de omstandigheden in het gegeven geval, te besluiten al dan niet met verrekening in te stemmen. Vanuit de vennootschap gezien wordt de vordering op de aandeelhouder tot volstorting van zijn aandelen over het algemeen als niet overdraagbaar gezien, welk standpunt ik onderschrijf.3
In zijn algemeenheid is er naar ik meen weinig tegen structurering van vorderingen die de aandeelhouder in staat stellen om zijn schuld uit hoofde van de stortingsplicht door verrekening te voldoen. Evenmin zie ik bezwaren tegen een structurering van vorderingen die een derde in staat stellen aan de stortingsplicht van een aandeelhouder te voldoen door verrekening. In alle gevallen is echter vereist dat de vennootschap met de verrekening instemt. Het bestuur dient daar niet toe te besluiten als andere aandeelhouders, crediteuren of derden hierdoor onredelijk benadeeld worden. Dit zou het geval kunnen zijn indien de te verrekenen vordering een aanzienlijk lagere waarde heeft dan het bedrag waartoe zij strekt. Gevallen dus, waarin de inbreng van de vordering op de wijze als voorgeschreven in artikel 2:94/204a BW en artikel 2:94b/ 204b BW tot een overeenkomstig lagere voldoening aan de stortingsplicht zou leiden.