Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/3.6.3.4
3.6.3.4 De periode 1986-2008
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702101:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ik verwijs naar de uitgebreide jurisprudentieoverzichten van Mörzer Bruyns: Mörzer Bruyns, BR 1974, p. 614-617 & Mörzer Bruyns, BR 1977, p. 709-717.
Bijvoorbeeld: Van Wijmen, BR 1978, p. 173-192. Daarnaast kwam ongeveer gelijktijdig met het rapport van de commissie-Samkalden het proefschrift van De Groot (De Groot 1982).
Bijvoorbeeld minister Beelaerts van Blokland, zie: Handelingen II 1977/78, 25, p. 1060; Handelingen II 1977/78, 26, 1092. Alsmede enige leden van de PvdA-fractie (Kamerstukken II 1978/79, 14889, 8, p. 1-2), VVD-fractie (Kamerstukken II 1978/79, 14889, 8, p. 40) en CDA-fractie (Kamerstukken II 1982/83, 14889, 15, p. 7).
Kamerstukken II 1979/80, 15978, 3, p. 6. Zie ook: Kamerstukken II 1980/81, 14889, 10, p. 7. Een voorstel tot wijziging van de WRO was immers al in 1977 ingediend, de regering had destijds beduidend nog geen weet van de praktijkwerking van art. 49 WRO.
VVD en CDA meenden dat het rapport van de commissie-Samkalden überhaupt niet afgewacht hoefde te worden, maar dat directe actie de voorkeur verdiende (Kamerstukken II 1982/83, 14889, 15, p. 7 en 9).
Handelingen II 1983/84, 59, p. 3693-3697. Voorts is interessant de hoeveelheid aandacht die Te Veldhuis had voor het ‘probleem’ van schaduwschade.
Treffend in dit kader is een brief van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden d.d. 21 september 1998 aan de vaste commissie voor VROM waarin zij aandacht vragen voor het toenemend aantal planschadeverzoeken en honoreringen. De constatering wordt onderschreven door minister Pronk, zie: ‘Toename planschadeclaims’, BR 1999, p. 665. Zie voor een uitdijende overheidsaansprakelijkheid voor planschade ook het jurisprudentieoverzicht van Pronk (Pronk, BR 1987, p. 633-644, p. 801-814 en p. 892-906). Voortgezet door Van Hoogmoed en Van Zundert (Van Hoogmoed & Van Zundert, BR 1994, p. 553-560; Van Hoogmoed & Van Zundert, BR 1998, p. 827-835 en 921-929). Zie ook Polak, NTB 1993, p. 251.
Vergelijk de 63e aanvulling op de Handleiding voor de ruimtelijke ordening (Hartman e.a. 1971).
Ik heb bekeken (‘de steekproef’) de procedureverordeningen planschade van de volgende (voormalige) gemeenten: Purmerend 1991, Krimpen aan den IJssel 2000, Groenlo 2005, Westland 2004, Stadskanaal 1993, Amsterdam 1994, Leeuwarden 2001, Heerlen 1995, Zederik 1994, Leidschendam-Voorburg 2004, Tiel 1994, Kapelle 2004, Apeldoorn 1994, Deventer 1994 en Hellendoorn 1994.
Hellendoorn, Deventer, Apeldoorn, Kapelle, Krimpen aan den IJssel en Purmerend. Binnen die groep bestond ook nog variatie. De gemeenten Deventer, Kapelle, Apeldoorn, Krimpen aan den IJssel doen dit ‘klakkeloos’. De gemeente Purmerend stelt het college van burgemeester en wethouders in de gelegenheid eventueel een soortgelijk bureau aan te wijzen. De gemeente Hellendoorn is in dit kader het meest opvallend, zij overweegt dat de adviseur steeds onafhankelijk, objectief en ter zake deskundig moet zijn, vervolgens merkt zij (in ieder geval) de SAOZ aan als een dergelijk adviseur.
Tiel, Leidschendam-Voorburg, Groenlo en Westland. De gemeente Leidschendam-Voorburg voegde hier nog aan toe dat het een ‘onafhankelijke’ deskundige diende te betreffen.
Van Wijmen, BR 1978, p. 173 e.v.; De Groot 1982; De Haan 1973; Schilthuis 1973.
Wiarda 1979, p. 458-502.
Rapport van de commissie artikel 49 WRO 1983, p. 95-103 en 120-123.
Kamerstukken II 1979/80, 14889, 3, p. 29. De argumenten die zij hiervoor aandroeg waren wel erg armoedig. Zo meende de regering bijvoorbeeld dat het ‘gezien het lage percentage Kroonberoepen, geen zoden aan de dijk zou zetten om actie te ondernemen’.
EHRM 23 oktober 1985, ECLI:NL:XX:1985:AC9055, m.nt. E.M.H. Hirsch Ballin, AB 1986/1.
De regering voerde als verweer nog aan dat de Afdeling Geschillen van Bestuur feitelijk als bestuursrechter optrad. Dit argument vond geen steun bij het Hof: de Afdeling Geschillen was een adviesinstantie en geen gerecht. Het feit dat het advies in praktijk vaak gevolgd werd, liet zulks onverlet. Het was en bleef een niet-bindende adviespraktijk.
Het feit dat een nationaal rechtsstelsel iets als ‘bestuursrecht’ of ‘administratief’ recht aanmerkt, maakt niet dat het niet kan gaan om het vaststellen van iemands ‘burgerlijke rechten en verplichtingen’. Zie: EHRM 16 juli 1971, nr. 2614/65 (Ringeisen t. Oostenrijk); EHRM 28 juni 1978, ECLI:NL:XX:1978:AC6317, NJ 1980/54 (König t. BRD).
Interessant is dat Wiarda zelf niet deelnam aan de behandeling van het Benthem-arrest. Zijn kritische artikel heeft daar waarschijnlijk aan bijgedragen. Gemeend wordt dat het artikel een belangrijke inspiratiebron was voor de advocaat van Benthem, zie: Barkhuysen e.a. 2022, § 7.3.
Wet van 18 juni 1987, Stb. 1987, 317.
Wet van 16 december 1993, Stb. 1993, 650. Belangrijke bijdrage hierbij was het rapport van de Commissie Herziening Rechterlijke Organisatie 1984 (ook wel commissie-Van Zeben).
Met name van afdeling 3.3 (advisering), bekendmaking en mededeling (afd. 3.6), motivering (afd. 3.7), het horen van de aanvrager en/of derdebelanghebbende(n) (afd. 4.1.2), beslistermijnen (afd. 4.1.3) en bestuursrechtelijke geldschulden (titel 4.4).
Tot 1986 werd er niet veel gecompenseerd op grond van art. 49 WRO. Een daadwerkelijke schadetoekenning op grond van art. 49 WRO was eerder een uitzondering. Een belangrijke reden daarvoor was dat op grond van de wettekst uitsluitend schade kon worden vergoed die geleden was als gevolg van de ‘bepalingen van een bestemmingsplan’. Dikwijls manifesteerde de schade zich echter niet rechtstreeks door de bepalingen van een bestemmingsplan, maar door andere – ruimtelijk relevante – besluitvorming. Vanuit de rechtspraak,1 de literatuur 2 en het parlement3 kwamen steeds meer kritische geluiden. In de Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp tot wijziging van – nota bene – de onteigeningswet gaf ook de regering zich rekenschap van de beperkte praktijkwerking van art. 49 WRO en gelastte een nadere studie. 4
Het product van die nadere studie kwam er in augustus 1983 met het rapport van de commissie-Samkalden. Wat volgde was een impuls vanuit de RARO, het adviesorgaan dat de regering over het uitgebrachte rapport adviseerde,5 en een doortastend optreden van de VVD.6 Tweede Kamerlid Jan te Veldhuis diende, naar aanleiding van het rapport commissie-Samkalden, een amendement in tot wijziging van art. 49 WRO.7 Zijn amendement is zo sterk op inhoud als zij fraai is in haar bewoordingen:
“(…) De conclusie is als volgt. Ook al zouden in een aantal gevallen concrete schade of kosten kunnen worden aangetoond, dan nog bevat de huidige wet niet altijd een titel op grond waarvan een vergoeding kan worden gevraagd, afgezien nog van de toewijzingsvraag. (…) Vriend en vijand in planologenland zijn het erover eens dat de commissie-Samkalden in haar rapport van augustus 1983 over de werking van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke ordening een voortreffelijke analyse van de problematiek heeft gegeven. (…) Er lijkt nauwelijks een zinnig argument denkbaar om nu niet tot een daadwerkelijke en krachtige wijziging van artikel 49 over te gaan.”8
Het amendement werd aangenomen en art. 49 WRO is vervolgens ingrijpend veranderd. De belangrijkste verandering was dat er voortaan meerdere (limitatieve) schadeoorzaken waren die aanleiding konden zijn voor planschade. Onder invloed van de wetswijziging was er al snel een toenemende trend van planschadeverzoeken én honoreringen daarvan zichtbaar.9 De wetswijziging vereiste overigens geen ingrijpende veranderingen met betrekking tot de procedurele kant van de gemeentelijke schadevergoedingspraktijk. In de NIROV-modelprocedureverordening waren er over tijd dan ook geen noemenswaardige veranderingen zichtbaar.10 Zo ook niet in de op het model gebaseerde gemeentelijke procedureverordeningen. Nog steeds bestond er een grote variëteit aan procedurevoorschriften. 11Het was conform art. 49 WRO ook nog steeds aan de gemeenteraad om te bepalen hoe zij omging met een planschadeverzoek. Met name de samenstelling van de schadebeoordelingscommissie bleef een gekleurd palet. Alleen al in een door mij verrichte steekproef werd door zes gemeenten de SAOZ als vaste adviseur aangemerkt.12 In vier gemeenten bepaalde de verordening dat het college van burgermeester en wethouders ‘een adviseur’ dienden aan te wijzen. 13In bijvoorbeeld de gemeente Stadskanaal was het ook het college dat besliste, maar zij diende zulks ‘per zaak’ te doen. De gemeente Zederik sprak ook van ‘een adviseur’, maar deze diende dan weer door de gemeenteraad benoemd te worden in plaats van door het college. De gemeenten Amsterdam en Leeuwarden stipuleerden dat de schadebeoordelingscommissie uit drie leden bestond die steeds voor een periode van drie jaar werden benoemd. En de gemeente Heerlen, tenslotte, verlangde van het college dat het een offerteaanvraag deed bij meerdere schadebeoordelingscommissies en naar aanleiding daarvan met een commissie in zee ging.
De wetswijziging van art. 49 WRO mocht dan weliswaar strictu sensu geen verandering teweeg hebben gebracht, op de bestuursrechtelijke achtergrond speelde toch het nodige dat van invloed was op de gemeentelijk planschadepraktijk. Zo was de doctrine steeds kritischer op de Kroon als beroepsinstantie 14 met toenmalig EHRM-President G.J. Wiarda op de voorgrond van dit debat. 15Ook de Tweede Kamer werd kritischer. Met name de CDA-fractie had vragen over de rechtmatigheid van het Kroonberoep. 16In het verlengde daarvan kwam de commissie-Samkalden met een voorstel tot een wijziging van de beroepsinstantie. Een onafhankelijke administratieve rechter, de Afdeling rechtspraak van de Raad van State, zou de beroepsinstantie moeten zijn. 17De regering meende aanvankelijk nog dat het ‘wel goed’ zat met het Kroonberoep. 18Later voelde zij de grond onder de voeten toch wel erg warm worden en hield verdere inhoudelijke discussies bewust af met verwijzing naar een reeds aanhangige zaak in Straatsburg die voor verduidelijking moest zorgen. 19De wijzing van dat arrest zal de regering niet hebben behaagd; het EHRM riep het Kroonberoep een definitieve halt toe. In het arrest Benthem-Staat20 oordeelde hij dat het niet langer toegestaan was dat de Kroon het laatste woord had over geschillen tussen burger en bestuur. Met een verwijzing naar art. 6 EVRM kon immers niet worden gezegd dat de Kroon, als onderdeel van de uitvoerende macht, een onpartijdig en onafhankelijk gerecht was.21 Het Kroonberoep bevond zich al langer in de ‘gevarenzone’ van art. 6 EVRM.22 Met het Benthem-arrest kwam er een einde aan een lange periode Kroonjurisprudentie.23
Nu afstand was genomen van het Kroonberoep moest er worden voorzien in een nieuwe beroepsinstantie. Deze kwam er eerst met de Tijdelijke wet Kroongeschillen (TwK).24 Krachtens die wet werd de (voormalige) Afdeling Geschillen van Bestuur van de Raad van State tot zelfstandige rechter gepromoveerd. Later werd definitief voorzien in een nieuwe beroepsinstantie met de inwerkingtreding van de Wet voltooiing eerste fase herziening rechterlijke organisatie.25 De bestuursrechtspraak werd daarmee binnen de ‘gewone’ rechterlijke macht gebracht. Thans wordt ex art. 8:1 Awb ‘gewoon’ beroep ingesteld bij de arrondissementsrechtbank, sector bestuursrecht. Het hoger beroep is nog steeds verdeeld over diverse instanties, maar in het kader van dit onderzoek is met name de gang naar de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van belang.
Op de achtergrond werkte ook de invoering van de Awb door in de gemeentelijke planschadepraktijk. Dat is ook wel logisch. De Awb-wortels groeien door alle bijzondere delen van het bestuursrecht. De gemeentelijke procedureverordeningen en de werkwijze van de schadebeoordelingscommissies dienden in overeenstemming te worden gebracht met de Awb, in het bijzonder met de algemene besluitvormingsregels van de Hoofdstukken 3 en 4 26 en het bestuursprocesrecht van de Hoofdstukken 6 t/m 8.