Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/7.3.7:7.3.7 Legitimatie van overige kleding en van omgangsvormen als uiting van godsdienst in de jurisprudentie
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/7.3.7
7.3.7 Legitimatie van overige kleding en van omgangsvormen als uiting van godsdienst in de jurisprudentie
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS457618:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vanaf begin jaren ’90 zien we dat ten aanzien van het vermeende religieuze karakter van kledij, symbolen en omgangsvormen in de jurisprudentie van de CGB en de nationale rechter in toenemende mate de subjectiverende kwalificatiewijze wordt gehanteerd. De zelfdefinitie van het rechtssubject wordt als uitgangspunt genomen om te bepalen of een uiting of gedraging telt als godsdienstige uiting in juridische zin. We zien deze benadering ook terug in de hierboven besproken zaken van het EHRM. Volgens het EHRM hoeft een justitiabele niet aan te tonen dat zijn of haar uiting of gedraging voortvloeit uit een bepaalde religieuze plicht en hoeft een justitiabele ook niet het aanhangen van bepaalde godsdienst te bewijzen. De rechter dient genoegen te nemen met de verklaring van de justitiabele om te bepalen of een bepaalde uiting of gedraging geldt als godsdienst. Indien de justitiabele verklaart moslima te zijn en om die reden een boerka te dragen dan dient de rechter op basis van deze verklaring aan te nemen dat deze uiting een godsdienstige uiting is. Hetzelfde gaat op voor een justitiabele die verklaart christen te zijn en om die reden een ketting met een kruisje over haar verpleegstersuniform wil dragen. Deze benadering waarbij men de zelfdefinitie van het rechtssubject centraal stelt voor de vraag of er sprake is van een godsdienstige gedraging kan worden geassocieerd met het accommodationisme: de rechtsorde accommodeert dan het juridische begrip van godsdienst van het rechtssubject.
Overigens kan in de nationale en EHRM-jurisprudentie en de oordelen van de CGB een voorbehoud worden gesignaleerd ten aanzien van de toepassing van een subjectief godsdienstbegrip. Dat is dat een godsdienstige uiting of gedraging niet een volledig singulier karakter mag hebben. Gesteld kan worden dat in de jurisprudentie de subjectiverende kwalificatiewijze binnen een objectief kader wordt geplaatst. De uiting of gedraging mag niet volledig zijn ingegeven door individuele of subjectieve opvattingen. Kennelijk is een belangrijk criterium voor het juridische begrip van godsdienst dat deze godsdienst niet een godsdienst is van één individu maar dat deze godsdienst een collectief karakter draagt. Waarom dit voorbehoud in de jurisprudentie wordt gemaakt wordt niet expliciet gemaakt. Zoals naar voren is gebracht zijn belangrijke religieuze hervormers individuen met een geheel eigen visie. De vraag is dan ook of het beperken van het juridische begrip van godsdienst tot een kenbare collectieve aangelegenheid wel recht doet aan de aard van het fenomeen godsdienst.
De rechtsorde lijkt te verlangen dat er ten minste sprake moet zijn van een bepaalde gemeenschappelijkheid (communitas) bij godsdienstuitoefening. Wellicht is het voor de rechtsorde een brug te ver om religieuze uitingen en gedragingen van religieuze pioniers te beschermen. Mogelijk dat dit te verklaren is vanuit het conservatieve karakter van de rechtsorde. Het recht hobbelt als het ware altijd achter de ontwikkelingen in de maatschappij aan. Voordat het recht in staat is bescherming te geven aan het onbekende zal er eerst een maatschappelijke strijd moeten worden gevoerd. Een meer progressieve houding wordt de kop ingedrukt met het argument dat het recht anders onhanteerbaar wordt. Dit argument zou men kunnen zien als een juridische legitimatie ten behoud van de werkzaamheid van het juridische systeem. Men vreest dat een volledige individualisering van het juridische begrip van godsdienst leidt tot een onwerkbare situatie. Vanuit een accommodationistisch perspectief geredeneerd is dit een uitgangspunt dat in verband kan worden gebracht met het ideaaltype van het liberaal gezindtepluralisme waarbij tolerantie enkel geldt voor de gevestigde godsdiensten en levensovertuigingen.
We kunnen de hierboven beschreven kwalificatiewijze zoals die gehanteerd wordt in de jurisprudentie ten aanzien van kledij, symbolen en omgangsvormen duiden als gematigd accommodationistisch. Men accommodeert binnen de rechtsorde tot op zekere hoogte religieuze pluriformiteit, zo gauw een uiting of gedraging echter een singulier karakter krijgt is er geen plaats meer voor accommodatie en is men geneigd om te kiezen voor een benadering die geassocieerd kan worden met het ideaaltype van liberaal gezindtepluralisme.