De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer
Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/3.6:3.6 Samenvatting en afsluiting
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/3.6
3.6 Samenvatting en afsluiting
Documentgegevens:
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS396003:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Tussen aanhalingstekens als ik doel op de inhoudelijke bepalingen van de Richtlijn die betrekking hebben op de bescherming van de ‘bezoekende’ benadeelde. Als ik de 4e Richtlijn als wetgevingsdocument op het oog heb, staan deze woorden niet tussen aanhalingstekens.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de vorige paragrafen is duidelijk geworden binnen welke context de verplichte motorrijtuigverzekering – in Europees en nationaal Nederlands perspectief – moet worden geplaatst. Het Europese begrippenkader is onderzocht. Het groenekaartstelsel is in zijn historische verband geplaatst en zijn VN-achtergrond is beschreven.
De contouren van de verzekeringsplicht zijn geschetst. Daarmee is het terrein geëffend voor de behandeling van de drie hoofdvragen waarop deze studie een antwoord zoekt: wie kan de benadeelde bij een ongeval met een internationale component aanspreken? Op welke bescherming kan hij aanspraak maken? En ten slotte: als de schade van de benadeelde is geregeld en hij heeft al dan niet schadevergoeding ontvangen, komt de vraag aan de orde hoe de schadevergoeding –
alsmede eventueel in verband met de schaderegeling gemaakte kosten – ten laste wordt gebracht van de uiteindelijk draagplichtige partij, die zich in een ander land bevindt dan de benadeelde.
Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat de vraag wie de benadeelde kan aanspreken en onder welke omstandigheden, van een veelheid van factoren van verschillende aard afhankelijk is.
Het belangrijkste aanknopingspunt is de vraag naar de plaats van het ongeval, bezien vanuit de positie van de benadeelde. Is hij in eigen land de benadeelde geworden van een ongeval dat is veroorzaakt door een bezoekend motorrijtuig, dan treedt in beginsel het groenekaartstelsel in werking en kan hij, mits aan een aantal voorwaarden is voldaan, een aanspraak tegen het Bureau van het land van het ongeval geldend maken. Is de benadeelde echter slachtoffer geworden van een ongeval in een ander land dan dat van zijn woonplaats, dan wordt het schadegeval niet onder het groenekaartstelsel afgehandeld, maar onder het regime van wat – tot de inwerkingtreding van de Richtlijn van 2009 en uit praktische overwegingen in deze studie nog steeds – als de ‘4e Richtlijn’1 wordt aangeduid. Vrijwel steeds moet – zowel in het kader van het groenekaartstelsel als bij de behandeling van schaden van bezoekende slachtoffers – worden nagegaan in welk land het ongeval plaatsvindt, waarbij met name het onderscheid tussen lidstaten en niet-lidstaten relevant is. Ook is van belang in welk land (lidstaat of niet) het aansprakelijke voertuig gewoonlijk is gestald. En vanzelfsprekend is het onderscheid tussen verzekerde en niet-verzekerde voertuigen in het oog te houden. In het kader van de schade van het bezoekende slachtoffer is bovendien van belang of hij woonachtig is in een lidstaat of niet.
Het antwoord op de vraag op welke bescherming de benadeelde – onder de werking van het groenekaartstelsel, de ‘4e Richtlijn’ dan wel anderszins – aanspraak kan maken, is ook weer van verschillende factoren afhankelijk. Daarbij gaat het, zoals vooral in hoofdstuk 5 zal blijken, met name om de vraag of het aansprakelijke voertuig verzekerd is of niet.
Zijn de vragen die in de hoofdstukken 4 en 5 worden besproken niet alleen van belang voor de ‘professionals’ (verzekeraars, schaderegelaars en benoemde correspondenten, naast Bureau, waarborgfonds en schadevergoedingsorgaan), maar ook en vooral voor de benadeelden en hun belangenbehartigers; de afwikkeling van de schade tussen de verschillende betrokken partijen nadat deze is geregeld met de benadeelde, is vooral het terrein van de Bureaus, de verzekeraars en hun benoemde correspondenten en schaderegelaars, de schadevergoedingsorganen en de waarborgfondsen.
De benadeelde staat daar buiten. Zijn schade is dan reeds afgewikkeld.
Bespreking van deze regresrelaties is echter toch van belang omdat daarmee het beeld compleet wordt en omdat begrip van de werking en de details ervan ook voor de hier benoemde partijen van nut is. Deze materie wordt behandeld in hoofdstuk 6.
De complexiteit van het besproken terrein is – in elk geval voor een belangrijk deel – het gevolg van de ingewikkelde manier waarop met name de EU haar wetgeving heeft opgezet (met gescheiden structuren voor schade veroorzaakt door bezoekers en schade toegebracht aan bezoekers), een complexiteit die overigens historisch verklaarbaar is. Ook de overeenkomsten tussen de Bureaus en tussen de waarborgfondsen en de schadevergoedingsorganen zijn niet eenvoudig te doorgronden.
Daarom zal ik mij regelmatig van concrete ongevalssituaties bedienen die de theoretische behandeling een wat praktischer karakter proberen te geven.