Einde inhoudsopgave
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/3.4.1
3.4.1 Het beginsel der balanscontinuïteit
dr. A.O. Lubbers, datum 01-07-2000
- Datum
01-07-2000
- Auteur
dr. A.O. Lubbers
- JCDI
JCDI:ADS416907:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Aanslag
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Brüll (blz. 127), die de balanscontinuïteit ziet als het middel om via sommering van de jaarwinsten de totaalwinst te benaderen.
De Hoge Raad maakt in zijn arresten overigens geen onderscheid tussen het beginsel der balanscontinuïteit en de boekhoudkundige balanscontinuïteit. Zo wordt in HR 22 oktober 1952, B. 9293, aangegeven dat het beginsel der balanscontinuïteit is neergelegd in artikel 9, zesde lid, Besluit IB en wordt overwogen dat dit beginsel ‘een belasting van de gehele in den loop der jaren met een bedrijf behaalde winst beoogt te verzekeren’.
Een voorbeeld van de door Jacobs bedoelde speciale (boekhoudkundige) balanscontinuïteit is naar mijn mening te vinden in HR 16 februari 1955, BNB 1955/107, waarin de Hoge Raad oordeelt dat bij de berekening van de winst over enig jaar aan het vee op 1 januari geen andere waarde mag worden toegekend dan op 31 december van het voorafgaande jaar.
H. Mobach en L.W. Sillevis, Cursus belastingrecht (inkomstenbelasting), 2.2.11, a.
Er is bijvoorbeeld een passiefpost ten bedrage van f 20 000 ten onrechte in aanmerking genomen.
Fiscaal vermogen per 31 december 1997 -/- fiscaal vermogen per 1 januari 1997 = 100 000 -/- 20 000 = f 80 000.
Fiscaal vermogen per 31 december 1997 -/- fiscaal vermogen per 1 januari 1997 = 120 000 -/- 20 000 = f 100 000.
Fiscaal vermogen per 31 december 1998 -/- fiscaal vermogen per 1 januari 1998 = 220 000 -/- 100 000 = f 120 000.#$
Tweede Kamer, vergaderjaar 1939-1940, 239, nr. 3.
Op grond van artikel 38, vijfde lid, Besluit op de Winstbelasting 1940 werd daaronder verstaan het tijdstip waarop het eerste boek- of kalenderjaar dat eindigt met of na 31 december 1939 is aangevangen.
Later is deze tekst bij amendement van kamerlid IJsselmuiden gewijzigd in ‘Bij het vaststellen van het zuivere vermogen van het lichaam op het overgangstijdstip worden de activa en passiva gewaardeerd op de bedragen waarop zij voor de heffing van de winstbelasting worden gesteld.’
Tweede Kamer, vergaderjaar 1939-1940, 239, nr. 3, blz. 11.
Zie ook HR 29 juni 1948, B. 8531, waarin wordt geoordeeld, dat het doel van artikel 9, zesde lid, Besluit IB ‘hoofdzakelijk is te voorkomen dat door een – overigens gerechtvaardigde – verandering in het stelsel van winstberekening een deel van de in den loop der jaren met het bedrijf behaalde winst aan de belasting zou ontsnappen’.
MvT, Tweede Kamer, 1948-1949 – 1251, nr. 3.
Zie in dit verband bijvoorbeeld HR 16 februari 1955, BNB 1955/107.
In hoofdstuk 8 wordt nader ingegaan op de oudedagsreserve en de wijze waarop fouten bij de toepassing van deze reserve kunnen worden hersteld.
Ik wijs hierbij op HR 14 oktober 1987, BNB 1988/43, waarin ten aanzien van artikel 44, tweede lid, Wet IB 1964, wordt overwogen: ‘Deze bepaling, welke is ontleend aan het in de winstsfeer gangbare beginsel van de balanscontinuïteit, strekt ertoe te bewerkstelligen dat een overeenkomstig beginsel ten aanzien van de oudedagsreserve toepassing vindt.’
Blijkens deze Toelichting oudedagsreserve (beschikking van de minister van Financiën van 12 december 1973, nr. B73/27060, V-N 16 februari 1974, blz. 242, punt 7) beoogt men te voorkomen dat achterwege gebleven afnemingen van de oudedagsreserve, zonder mogelijkheid van redres, tussen wal en schip zouden vallen.
Dit is ook terug te vinden in de parlementaire geschiedenis van de oudedagsreserve (Tweede Kamer, vergaderjaar 1971-1972, 11 818, nr. 3, blz. 12).
Vgl. HR 2 april 1947, B. 8335 en HR 24 juni 1953, BNB 1953/189. De koper van een onderneming is evenmin gebonden aan de boekwaarden van de verkoper.
Nu de wet een afrekeningsbepaling bij overlijden bevat (artikel 15, eerste lid, Wet IB 1964) heeft de belastingadministratie thans geen belang meer deze stelling in te nemen; het verschil tussen de waarde in het economische verkeer en de boekwaarde van het pand wordt immers bij de erflater belast als winst uit onderneming, zodat er geen winst tussen wal en schip valt.
Te denken valt aan artikel 15, derde lid, Wet IB 1964 en artikel 17, eerste lid, Wet IB 1964. In hoofdstuk 11, paragraaf 11.4, besteed ik nader aandacht aan deze doorschuifbepalingen.
In zijn conclusie voor HR 14 oktober 1987, BNB 1988/43.
De activa en passiva kunnen uit de balans ‘verdwijnen’ zonder heffing over eventuele stille reserves.
HR 14 oktober 1987, BNB 1988/43 en BNB 1988/44.
Jacobs (blz. 22) verstaat onder het beginsel der balanscontinuïteit het verschijnsel dat de jaarwinsten zó worden bepaald, dat niet meer en niet minder belastbaar is, behoudens de wettelijke uitzonderingen, dan de som van de jaarwinsten gedurende de tijd dat de onderneming bron van inkomen is voor één en dezelfde belastingplichtige1. Ingeval de winst wordt bepaald via vermogensvergelijking, vindt realisatie van dit beginsel plaats door middel van de boekhoudkundige balanscontinuïteit2. Op grond van deze boekhoudkundige balanscontinuïteit dient het eindvermogen van enig jaar gelijk te zijn aan het beginvermogen van het opvolgende jaar3. Dit geldt volgens Jacobs niet alleen voor het vermogen als saldo van activa en passiva, aangeduid als de algemene (boekhoudkundige) balanscontinuïteit, doch tevens voor de waarderingen van de afzonderlijke balansposten, aangeduid als de speciale (boekhoudkundige) balanscontinuïteit4.
Vergelijkbare beschrijvingen van het beginsel der balanscontinuïteit worden gegeven door Mobach/Sillevis5:
Om de som van de jaarlijkse winsten gelijk te doen zijn aan de totale winst, moet gedurende de bestaansduur van de onderneming de fiscale vermogensopstelling aan het eind van ieder jaar aansluiten op die aan het begin van het daaropvolgende jaar. Dit noemt men het beginsel van de balanscontinuïteit. Hierdoor wordt bereikt dat geen winst aan de heffing ontsnapt en tevens dat geen winst dubbel wordt belast.
door Geppaart (FED Literatuur : 202):
In de rechtspraak betreffende de fiscale winstberekening werd herhaaldelijk beslist dat aan de wettelijke regeling ter bepaling van de jaarlijkse winst het beginsel ten grondslag ligt dat als zuiver bedrijfsvermogen bij het begin van het boekjaar heeft te gelden het zuiver bedrijfsvermogen bij het einde van het boekjaar. Dat beginsel kan worden afgeleid uit het thans in art. 7 [Wet IB 1964] geformuleerde voorschrift dat winst is het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden verkregen uit onderneming. Een inbreuk op deze – als het beginsel der balanscontinuïteit aangeduide – grondgedachte leidt tot een evident rechtstekort in deze zin dat het ontbreken van de aansluiting tussen een eindbalans van een jaar en de beginbalans van het daarop volgende jaar leidt tot een te hoge of te lage vaststelling van de fiscale winst.
en door Slot (Voorraadwaardering, FM nr. 8, Kluwer, Deventer 1987, blz. 76):
Wat in zeker jaar als winst is beschouwd dient niet in een volgend jaar nogmaals als zodanig te worden aangemerkt. Anders zou deze winst dubbel worden belast. Omgekeerd dient winst toch eens tot uitdrukking te worden gebracht. Anders zou deze winst nimmer worden belast. Voorzover deze opzet boekhoudtechnisch kan worden geformuleerd, kan zij worden weergegeven door de regel, dat de beginbalans van enig jaar gelijk dient te zijn aan de eindbalans van het vorige jaar (balanscontinuïteit).
Ook in de jurisprudentie van de Hoge Raad wordt het beginsel der balanscontinuïteit omschreven. Een uitgebreide uiteenzetting is te vinden in HR 4 januari 1995, BNB 1995/129:
Ingevolge artikel 7 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) geldt voor de bepaling van de winst uit een onderneming als hoofdregel, dat winst is het bedrag van de gezamenlijke voordelen die worden verkregen uit onderneming. Het is met deze regel niet verenigbaar om hetgeen in artikel 9 van de Wet is voorgeschreven, met betrekking tot de bepaling van het vermogen ter berekening van de jaarlijkse winst aldus toe te passen dat een deel van de uit een onderneming verkregen voordelen blijvend aan de heffing van de belasting wordt onttrokken.
In een en ander ligt besloten dat ter verwezenlijking van hetgeen in voormelde hoofdregel is neergelegd, bij de berekening van de winst over enig jaar het beginvermogen dient te worden gesteld op het bedrag dat bij de bepaling van de winst van het voorgaande jaar als eindvermogen in aanmerking is genomen (...).
Uit deze beschrijvingen leid ik met betrekking tot het beginsel der balanscontinuïteit het volgende af. Indien gedurende de bestaansduur van de onderneming de balans aan het begin van een jaar aansluit op de eindbalans van het daaraan voorafgaande jaar, wordt bereikt dat de som van de jaarlijkse winsten gelijk is aan de totaalwinst. Aldus wordt recht gedaan aan het totaalwinstbeginsel en wordt voorkomen dat een deel van de totaalwinst dubbel wordt belast of in het geheel niet wordt belast. De werking van het beginsel der balanscontinuïteit kan worden geïllustreerd aan de hand van het volgende cijfervoorbeeld:
Een belastingplichtige geniet gedurende een periode van twee jaren winst uit onderneming; van 1 januari 1997 tot en met 31 december 1998. Op 1 januari 1997 bedraagt het fiscaal vermogen f 20 000. Op 31 december 1998 bedraagt het fiscaal vermogen f 220 000. Indien wordt aangenomen dat er geen correcties dienen plaats te vinden wegens kapitaaltransacties, kan de totaalwinst worden berekend op 220 000 – 20 000 = f 200 000. Dit is de winst die op grond van artikel 7 Wet IB 1964 in de belastingheffing dient te worden betrokken. Bij het bepalen van de winst voor het jaar 1998 wordt geconstateerd dat het fiscaal vermogen per 31 december 1997 – in plaats van op f 120 000 – ten onrechte is berekend op f 100 0006. Hierdoor is in 1997 een winst berekend van f 80 0007; bij een correcte berekening van de jaarwinst voor 1997 zou deze winst zijn berekend op f 100 0008. Als het fiscaal vermogen per 1 januari 1998 overeenkomstig het beginsel der balanscontinuïteit wordt gesteld op f 100 000, dan wordt in 1998 een winst van f 120 0009 berekend. De totaalwinst van f 200 000 wordt in de belastingheffing betrokken door in 1997 een bedrag van f 80 000 te belasten en in 1998 een bedrag van f 120 000 te belasten. Zou de balanscontinuïteit echter worden losgelaten en per 1 januari 1998 worden uitgegaan van een fiscaal vermogen van f 120 000 – hetgeen bij een juiste winstberekening voor 1998 het geval zou zijn geweest – dan wordt in 1998 slechts f 100 000
in de belastingheffing betrokken. Hierdoor wordt uiteindelijk slechts geheven over een totale winst van 80 000 + 100 000 = f 180 000, in plaats van over de te belasten totaalwinst van f 200 000.
Men dient evenwel voor ogen te houden, dat niet iedere doorbreking van de balanscontinuïteit leidt tot de situatie dat een deel van de totaalwinst dubbel of in het geheel niet wordt belast. Soms kan de beginbalans van een zeker jaar afwijken van de eindbalans van het daaraan voorafgaande jaar zonder dat dit leidt tot een onjuiste berekening van de totaalwinst. Dit doet zich bijvoorbeeld voor indien in de balans per 1 januari 1998 een vermogensbestanddeel is opgenomen dat op 1 januari 1998 is overgebracht van het privé-vermogen naar het ondernemingsvermogen. Hoewel het vermogen per 1 januari 1998 groter is dan het vermogen per 31 december 1997 – het vermogensbestanddeel kwam immers nog niet voor in de balans per 31 december 1997 – leidt deze breuk in de balanscontinuïteit niet tot een onjuiste berekening van de totaalwinst: er vindt immers een vermogensvermeerdering plaats die niet in de heffing dient te worden betrokken ((kapitaal)storting).
In de parlementaire stukken duikt het fenomeen ‘balanscontinuïteit’ – voorzover ik heb kunnen nagaan – voor het eerst op in de MvT bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot het Besluit op de Winstbelasting 194010. Met de invoering van dit besluit kwam de Wet op de Dividend- en Tantièmebelasting 1917 te vervallen. Om de overschakeling van een dividend- en tantièmebelasting op een winstbelasting mogelijk te maken, waren in het Besluit op de Winstbelasting 1940 overgangsbepalingen opgenomen (artikelen 38-40). Daarbij werd bepaald, dat van het zuivere vermogen van de vennootschap op het overgangstijdstip11, alsmede van het bedrag van de op dat tijdstip in de vennootschap aanwezige winst, aangifte moest worden gedaan (artikel 38, eerste lid). Het voorgestelde artikel 39, eerste lid, hield in:
Bij het vaststellen van het zuivere vermogen van de vennootschap (...) op het overgangstijdstip worden de baten en lasten gewaardeerd op de bedragen waarop zij voor de heffing van de winstbelasting worden gesteld.12
Ten aanzien van deze bepaling was in de MvT opgenomen13:
Belangrijk is het eerste lid van artikel 39, krachtens hetwelk de ‘eindbalans’ voor de dividend- en tantièmebelasting gelijk moet zijn aan de ‘beginbalans’ voor de winstbelasting. Slechts door op deze wijze de continuïteit van de belastingheffing, ondanks den gewijzigden vorm van de belasting, te erkennen, wordt verkregen, dat een bate is hetzij oude winst die overeenkomstig artikel 40 bij de heffing van de belasting in aanmerking wordt genomen, hetzij nieuwe winst (die ingevolge artikel 5 deel van de winst over eenig jaar uitmaakt). Dit nu is noodig teneinde te voorkomen, zoowel dat een bate tweemaal in aanmerking wordt genomen, als wel dat een bate geheel belastingvrij kan worden genoten.
Van 1941 tot aan het in werking treden van de Wet Belastingherziening 1950 is het beginsel der balanscontinuïteit uitdrukkelijk opgenomen geweest in het Besluit IB. Op grond van artikel 9 Besluit IB, welk artikel bepaalde dat de winst wordt gesteld op het verschil tussen het zuivere bedrijfs- of beroepsvermogen bij het einde en bij het begin van dat jaar (eerste lid), diende als zuiver bedrijfs- of beroepsvermogen bij het begin van het boekjaar te gelden het vermogen bij het einde van het vorige boekjaar (zesde lid). Uit de Toelichting Besluit IB, paragraaf 16, tiende lid, blijkt dat de bedoeling van deze bepaling hoofdzakelijk is, dat niet door een overigens gerechtvaardigde verandering in het stelsel van winstberekening (waardering) een deel van de winst aan de belastingheffing onder het reële stelsel ontsnapt14. Hoewel de boekhoudkundige balanscontinuïteit bij de Wet Belastingherziening 1950 uit het Besluit IB is verdwenen, werd met deze wijziging geen materiële verandering beoogd15. Ondanks het uit de wettekst verdwijnen van de eis dat het beginvermogen van een jaar gelijk moet zijn aan het eindvermogen van het daaraan voorafgaande jaar, blijkt uit de jurisprudentie dat het beginsel der balanscontinuïteit nog steeds aan de wettelijke regeling voor het bepalen van de jaarlijkse winst ten grondslag ligt16.
Een met het genoemde beginsel der balanscontinuïteit vergelijkbare bepaling is – buiten de winstsfeer – te vinden in het op de oudedagsreserve betrekking hebbende artikel 44d, tweede lid, Wet IB 196417. Op grond van deze bepaling, die is ontleend aan het in de winstsfeer voorkomende beginsel der balanscontinuïteit, geldt als oudedagsreserve bij het begin van het kalenderjaar de oudedagsreserve bij het einde van het voorafgaande kalenderjaar. In De Vakstudie Inkomstenbelasting (aant. 17 op art. 44d Wet IB 1964) wordt betoogd:
De wetgever beoogt nu onzes inziens door het bepaalde in art. 44d, tweede lid, tot uitdrukking te brengen, dat de door de Hoge Raad voor de winstsfeer ontwikkelde leer van de balanscontinuïteit en de doorbreking daarvan bij fouten van overeenkomstige toepassing is bij de regeling van de oudedagsreserve18.
In de Toelichting oudedagsreserve19 wordt het opnemen van genoemde bepaling noodzakelijk geacht omdat het niet vanzelfsprekend is dat het beginsel der balanscontinuïteit ook buiten de winstsfeer toepassing vindt20. Door de in artikel 44d, tweede lid, Wet IB 1964 opgenomen bepaling, wordt het beginsel der balanscontinuïteit ook buiten de winstsfeer toegepast.
Ten slotte moeten de grenzen van het beginsel der balanscontinuïteit in kaart worden gebracht.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 31 december 1952, BNB 1953/44, geoordeeld dat indien een onderneming bij de dood van de eigenaar door diens rechtverkrijgenden wordt voortgezet, de door die rechtverkrijgenden voor de door hen aangevangen onderneming opgemaakte openingsbalans als grondslag dient voor de bepaling van de winst, die zal worden behaald gedurende het tijdvak, waarin dat bedrijf voor hen als bron van inkomen zal bestaan. Geen enkel wettelijk voorschrift dwingt ertoe om deze beginbalans, hetzij met betrekking tot de in aanmerking te nemen activa en passiva, hetzij met betrekking tot de waardering daarvan, te doen aansluiten op de slotbalans, welke wordt opgemaakt met het doel de winst te bepalen, die de onderneming voor de overleden eigenaar heeft opgeleverd21. Dit arrest leidt tot de conclusie dat de inspecteur niet kan verlangen dat een pand, dat door de erflater per 31 december 1998 werd gewaardeerd op f 150 000 doch op dat moment een waarde in het economische verkeer van f 200 000 had, in de openingsbalans van de erfgenaam per 1 januari 1999 voor f 150 000 wordt opgenomen22. In sommige situaties van overdracht van een onderneming kan door de belastingplichtige overigens een beroep worden gedaan op een zgn. doorschuifbepaling, waardoor de voortzetter van de onderneming toch is gebonden aan de boekwaarden van de overdrager van de onderneming23.
Met de constatering dat het beginsel der balanscontinuïteit wordt betrokken op de periode gedurende welke de onderneming bron van inkomen is voor een en dezelfde belastingplichtige – het beginsel der balanscontinuïteit wordt derhalve bezien vanuit het perspectief van de ondernemer en niet vanuit het perspectief van de onderneming – zijn de grenzen van dit beginsel nog niet geheel in kaart gebracht. Aan twee vragen dient nog aandacht te worden besteed:
Is het beginsel der balanscontinuïteit ook van toepassing indien de onderneming nooit heeft bestaan?
Blijft het beginsel der balanscontinuïteit ook van toepassing nadat de onderneming is gestaakt?
A-G Verburg24 beantwoordde deze vragen in 1987 ontkennend:
Nu doet in de sfeer van de winst uit onderneming de balanscontinuïteit slechts opgeld indien en zolang een onderneming bestaat. Evenzo kan een beroep op de balanscontinuïteit de Inspecteur mijns inziens niet baten indien hij, naar later blijkt ten onrechte, het ondernemerschap van een belastingplichtige heeft erkend en in het latere jaar een door belastingplichtige ten laste van de winst gevormde voorziening aan de winst zou willen toevoegen.
Met betrekking tot de toepasbaarheid van de balanscontinuïteit in de sfeer winst uit onderneming kan ik mij verenigen met de stelling van Verburg dat dit beginsel niet van toepassing is indien de onderneming nooit heeft bestaan. Heeft de inspecteur gedurende enkele jaren geaccepteerd dat de voordelen uit de door de belastingplichtige ondernomen activiteiten worden belast als winst uit onderneming, terwijl achteraf blijkt dat de activiteiten niet waren aan te merken als (het drijven van) een onderneming, dan kan hij mijns inziens niet verlangen dat het beginsel der balanscontinuiteit wordt toegepast op tot het ‘ondernemingsvermogen’ gerekende activa en passiva (zie hoofdstuk 6, paragraaf 6.2.5)25. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad26 is inmiddels gebleken dat de in artikel 44d, tweede lid, Wet IB 1964 neergelegde regel, inhoudende dat als oudedagsreserve bij het begin van het kalenderjaar de oudedagsreserve bij het einde van het voorafgaande kalenderjaar geldt, ook moet worden toegepast indien geen oudedagsreserve mocht en kon worden opgebouwd omdat de belastingplichtige in de voorgaande jaren geen winst uit onderneming had genoten. In zoverre bestaat er een verschil tussen de grenzen van de balanscontinuïteit bij de winst uit onderneming en de grenzen van de balanscontinuïteitbepaling bij de oudedagsreserve.
Uit de sinds 1987 gewezen jurisprudentie volgt dat het beginsel der balanscontinuïteit ook kan worden toegepast indien de onderneming inmiddels is gestaakt, doch nadien nog vermogensbestanddelen tot het ondernemingsvermogen zijn gerekend (zie HR 29 juni 1988, BNB 1989/1; dit arrest wordt besproken in hoofdstuk 6, paragraaf 6.2.3.1). Ook met betrekking tot de oudedagsreserve heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de in artikel 44d, tweede lid, Wet IB 1964, neergelegde continuïteitbepaling toepassing vindt indien de onderneming inmiddels is gestaakt, maar de opheffing van de oudedagsreserve bij de staking ten onrechte achterwege is gebleven (HR 1 maart 1995, BNB 1995/175; zie hoofdstuk 8, paragraaf 8.3.2.2).