De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/6:6 Welke delen van dit boek zijn voor wie bedoeld?
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/6
6 Welke delen van dit boek zijn voor wie bedoeld?
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS365301:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Men hoort tegenwoordig wel zeggen dat juridische schrijvers zich meer rekenschap moeten geven van hun publiek, in die zin dat duidelijk moet zijn voor wie het geschrevene bedoeld is. Ik zal hierover inderdaad iets zeggen, in het besef evenwel van de betrekkelijkheid van die opmerkingen omdat het natuurlijk aan de lezer is te bepalen wat hem wel en niet interesseert. Bovendien valt wat ik hier ga zeggen voor een deel al wel valt te bedenken bij bestudering van de inhoudsopgave. Hoe dan ook, laten wij de groepen wetgever, praktijkjurist en wetenschapper onderscheiden.
De wetgever is een belangrijke geadresseerde van dit boek, in die zin dat de evaluatie van het nieuwe verjaringsrecht (deel 2), een kwestie is die in de eerste plaats hem aangaat. Als de wetgever zichzelf serieus de vraag stelt of het nieuwe verjaringsrecht moet worden herzien, zou dat uiteraard met brede oriëntatie gepaard gaan. In dat kader zou ook de rest van dit boek aandacht verdienen.
De praktijkjurist heeft denk ik met name profijt van deel 3: dat gaat over de uitleg van positief verjaringsrecht. Ik heb geprobeerd dat deel zo op te zetten dat het optimaal ontsloten is voor naslag door de praktijkjurist; de door mij voorgestane oplossingen zijn steeds met op zichzelf staande redeneringen gestaafd, uiteraard wel met regelmatige verwijzing naar met name het eerste deel.
Welke passages voor de wetenschapper in het bijzonder van belang zijn, is lastig te zeggen. Als men veronderstelt dat het hem in de eerste plaats om fundamentele gedachtevorming gaat, zal zijn aandacht met name uitgaan naar het eerste en het vierde deel. Maar de nadere uitwerking in het tweede en derde deel van de in het eerste deel geuite opvattingen moet toch eigenlijk evenzeer onderwerp van wetenschappelijk debat zijn. De vele publicaties over concrete verjaringsonderwerpen wijzen uit dat dat ook zo is. Zo beschouwd zijn het tweede en derde deel van dit boek dus net zo goed als het eerste en het vierde voor de wetenschapper bestemd.