Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/4.4
4.4 De verwijderdheid van de schade
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS589793:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Brunner 1981a, p. 214 en 234.
Zie § 2.2.2. Brunner wees ter onderbouwing van deze deelregel ook op art. 1284 (oud) BW.
Zie § 2.2.3.
Bijvoorbeeld: ten gevolge van een kabelbeschadiging lijdt de eigenaar van de kabel schade, maar ook de eigenaar van de fabriek die hierdoor enige tijd komt stil te liggen, en de afnemer van de fabriek die te laat geleverd krijgt enzovoort.
Brunner 1981a, p. 214. Overigens meende Köster 1963, p. 20 dat deze problematiek diende te worden opgelost in de aard van de schade. Schade van een secundair gelaedeerde noemde hij afgeleide schade. Voor schade van deze aard meende hij dat in het algemeen de regel gold dat de benadeelde die zelf diende te dragen.
In HR 20 december 2013,NJ 2014/35 (M./UWV) oordeelde de Hoge Raad dat voor de toewijzing van de vordering tot vergoeding van kosten ter vaststelling van de schade als bedoeld in art. 6:96 lid 2, aanhef en onder b BW niet vereist is dat de kosten een rechtstreeks gevolg zijn van het onrechtmatig handelen.
Nieuwenhuis 1979, p. 7 schreef over, wat tegenwoordig genoemd wordt, de redelijkheid en billijkheid. Daarover schreef Hartkamp 1991, p. 751 overigens terecht dat het wezen van de billijkheid erin ligt dat zij niet volledig kan worden gerationaliseerd.
Men kan het ook zo zeggen: degene die een appeltaart moet gaan bakken, heeft niet zoveel aan het advies dat de taart ‘lekker’ (‘niet te ver verwijderd’) dient te worden. Hij of zij is meer gebaat bij een recept waarin wordt beschreven hoe een lekkere appeltaart kan worden gemaakt. Vgl. ook Du Perron 1999, nr. 312 en 313 die ‘betrokkenheid van de derde bij een overeenkomst’ als hoofdcriterium hanteert, maar dat criterium vervolgens gaat uitwerken om tot hanteerbare regels te komen.
215. De lengte van de causale keten tussen de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis en de schade is de relevante factor in de tweede deelregel:
Naarmate het schadelijk gevolg minder verwijderd is, een direct of een dadelijk gevolg is van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, is toerekening eerder gerechtvaardigd. Het omgekeerde is het geval naarmate schade verder verwijderd, of een meer indirect gevolg is.1
Ook de verwijderdheid van de schade werd al ver voor Brunners publicatie relevant geacht voor de begrenzing van aansprakelijkheid. Pothier betoogde al dat geen aansprakelijkheid bestaat voor te ver weg liggende schade. Die opvatting heeft via de Franse Code Civil geleid tot art. 1284 (oud) BW waarin aansprakelijkheid voor door een wanprestatie veroorzaakte schade werd begrensd tot schade die geldt als het onmiddellijke en dadelijk gevolg van deze wanprestatie.2 Tot in het begin van de twintigste eeuw was de Hoge Raad van oordeel dat analoog een onrechtmatige daad alleen aansprakelijk maakt voor daardoor rechtstreeks veroorzaakte schade.3
Brunner lijkt bij het formuleren van deze deelregel vooral casus op het oog te hebben gehad waarin een aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis leidt tot een keten van gelaedeerden.4 In die gevallen kan de schade van diverse gelaedeerden in zo’n keten waarschijnlijk zijn, zonder dat de laedens daarvoor aansprakelijk gehouden dient te worden. Brunner meende hierom de verwijderdheid van de schade nodig te hebben om tot een bevredigende begrenzing van aansprakelijkheid te kunnen geraken.5
216. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de verwijderdheid van de schade een relevant gezichtspunt kan zijn bij schadetoerekening.
In Waterwingebied Leeuwarden6 en in Rijksweg 127 sanctioneerde de Hoge Raad de toerekening van de door een onrechtmatige daad veroorzaakte schade mede omdat de schade niet “in een zo verwijderd verband [met het ongeluk] staat”. In Vader Versluis8 sanctioneerde de Hoge Raad de niet toerekening van schade mede omdat sprake was van “een zo verwijderd verband met de voormelde gedragingen [van de laedens]”. In Van Dijk/Beter Wonen9 oordeelde de Hoge Raad dat het niet door de rechtbank toerekenen van de schade omdat zij in een “te ver verwijderd verband” staat, gelet op de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting (rov. 3.2). In Swinkels/Saint-Gobain10 oordeelde de Hoge Raad dat in het kader van de schadetoerekening een relevante omstandigheid “kan” zijn of een bepaald gevolg “in (zeer) ver verwijderd verband staat tot die aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis” (rov. 3.5).11
217. Naar mijn mening zal vrijwel steeds wanneer een grens getrokken wordt tussen wel toerekenbare schade en schade die niet meer toerekenbaar is, de wel toerekenbare schade dichter bij de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis liggen dan de niet-toerekenbare schade. Dit betekent echter niet, dat het zinvol is om de verwijderdheid van de schade mee te wegen bij de beoordeling of de schade kan worden toegerekend. Verwijderdheid is – om een frase van Nieuwenhuis in deze context te gebruiken12 – naar mijn mening niet een argument om de door een aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis veroorzaakte schade niet toe te rekenen; het niet-toerekenen van verwijderde schade veronderstelt naar mijn mening juist argumenten.13 In geen van de door mij bestudeerde casus bleken de argumenten om de veroorzaakte schade wel of niet toe te rekenen (mede) te zijn gebaseerd op de (mate van) verwijderdheid van de schade. Naar mijn mening is het bij de beoordeling van de schadetoerekening betrekken van de verwijderdheid van de schade niet zinvol. Het leidt af van het vinden van de argumenten die wel relevant zijn voor de toerekenbaarheid van de schade. Het toestaan dat verwijderdheid als factor wordt gebruikt, bergt bovendien het gevaar in zich dat schade in wezen zonder motivering niet wordt toegerekend op de grond dat de schade ‘te ver verwijderd’ zou zijn.
Dit gebeurde mijns inziens in Van Dijk/Beter Wonen.14 In een echtscheidingsprocedure was het voorlopige gebruik van de door Van Dijk bij Beter Wonen gehuurde woning aan zijn voormalige echtgenote, De Weerd, toegewezen. De Weerd kwam vervolgens, met toestemming van Beter Wonen, een woningruil met Van de Loo overeen. Op de dag dat uitvoering aan de woningruil moest worden gegeven, kwam Van Dijk daarvan op de hoogte en belette hij dat zij werd nagekomen. Van de Loo sprak vervolgens met succes De Weerd aan tot schadevergoeding wegens het niet-nakomen van de overeenkomst. Van Dijk was, als gewezen echtgenoot, voor de helft van de schade aansprakelijk. Van Dijk sprak vervolgens Beter Wonen aan op de grond dat zij buiten hem als huurder om toestemming had verleend voor de woningruil en daarmee wanprestatie had gepleegd. De rechtbank oordeelde in hoger beroep dat ook al zou sprake zijn van wanprestatie dan “staat de onderhavige schade van Van Dijk als echtgenoot van De Weerd daarmee toch in een te ver verwijderd verband om [Beter Wonen] daarvoor aansprakelijk te houden”. De tegen dit oordeel door Van Dijk gerichte klachten verwierp de Hoge Raad: “In aanmerking genomen de aard van de door de rechtbank aan de vereniging toegeschreven gedraging en de aard van de schade, welke Van Dijk volgens het in cassatie bestreden oordeel als gevolg daarvan stelt te hebben geleden, kan niet worden gezegd dat de rechtbank van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan.” (rov. 3.2)
Mijns inziens valt niet goed in te zien waarom in deze zaak de schade ‘te ver verwijderd’ zou zijn. De formele wijze waarop de Hoge Raad het toerekeningsoordeel van de rechtbank aankleedt, door de aard van de gedraging en de aard van de schade in aanmerking te nemen, verheldert naar mijn mening weinig. Staat bijvoorbeeld in de eerder besproken casus van de tekortschietende verzekeringsmakelaar, waarin ook door wanprestatie zuivere vermogensschade werd veroorzaakt en de aard van de aansprakelijkheid en de aard van de schade dus niet anders is, de wel toerekenbare schade niet in een verder verwijderd verband van de normschendende gedraging dan in deze casus? Naar ik meen worden hier de werkelijke redenen om geen aansprakelijkheid voor de schade te laten bestaan verstopt in een, gemakkelijk gegeven, oordeel over verwijderdheid van de schade. Ofwel levert mijns inziens het nalaten van Beter Wonen om toestemming voor de woningruil aan Van Dijk te vragen geen tekortkoming in de nakoming op, waardoor Beter Wonen niet aansprakelijk is tegenover Van Dijk. Ofwel schiet Beter Wonen door dit nalaten wel tegenover Van Dijk tekort, maar dan is mijns inziens de schade van Van Dijk ook toerekenbaar omdat de toestemming dan ook gevraagd had moeten worden om te voorkomen dat de woningruil vanwege het niet verlenen van die toestemming afgeblazen zou worden en dat dat tot kosten en schade zou leiden.
218. Het werken met de factor verwijderdheid is ook niet nodig om het door Köster en Brunner gesignaleerde probleem van de begrenzing van aansprakelijkheid in het geval van een keten van gelaedeerden op te lossen. In dit boek zal ik betogen dat de oplossing van dergelijke casus langs twee wegen gevonden kan worden. In de eerste plaats laat zich deze problematiek in het algemeen beter benaderen in het kader van ongeschreven zorgvuldigheidsnormen. Indien jegens zo’n latere gelaedeerde wel een zorgvuldigheidsnorm wordt geschonden die strekt tot bescherming van de door hem geleden schade, kan de schade wel worden toegerekend (hoofdstuk 7). Indien geen sprake is van de schending van zo’n norm jegens de latere gelaedeerde, laat toerekening zich niet rechtvaardigen (hoofdstuk 10). In de tweede plaats is het mogelijk dat de schade niet voor rekening komt van degene die de schade normaliter zou lijden, maar de veroorzaakte schade door min of meer bijzondere omstandigheden voor rekening van een ander komt. Het kan dan redelijk zijn om degene naar wie de schade zich in deze zin heeft verplaatst evengoed een aanspraak op vergoeding te geven. In hoofdstuk 15 zal ik uiteenzetten op welke gronden en onder welke omstandigheden een dergelijke aanspraak op vergoeding van verplaatste schade dient te bestaan. Op deze wijze laat zich bepalen tot hoe ver in een schadeketen gelaedeerden aanspraak hebben op schadevergoeding.