Einde inhoudsopgave
Vertrouwen voorop (IVOR nr. 114) 2019/7.2.2
7.2.2 Maatsschapsstructuur in juridisch perspectief
E.V.A. Eijkelenboom, datum 01-05-2019
- Datum
01-05-2019
- Auteur
E.V.A. Eijkelenboom
- JCDI
JCDI:ADS611034:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De bepalingen uit titel 2 boek 3 BW en afdeling 5 boek 6 BW zijn dan ook in beginsel op deze overeenkomst van vennootschap van toepassing. Er kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de verplichting uit art. 6:2 lid 1 BW om ‘zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid’. De vennootschapsovereenkomst dient hoofdzakelijk objectief uitgelegd te worden, partijbedoelingen geven niet de doorslag bij de uitleg van de overeenkomst. Dat zou ook niet billijk zijn wanneer een nieuwe persoon partij wordt van de overeenkomst, Tervoort 2015, p. 18-19. Zie voor samenwerking in de maatschap nader Mohr en Meijers 2009, p. 18 en Tervoort 2015, p. 22.
Zie nader Tervoort 2015, p. 20-22.
Mohr en Meijers 2009, p. 13.
Wanrooij 2007, p. 62. Zie nader paragraaf 2.2.
Vgl. bijvoorbeeld AFM 2015 en AFM 2017b, p. 29-39.
Mohr en Meijers 2009, p. 16-17.
Mohr en Meijers 2009, p. 18. Tervoort 2015, p. 24.
Wanneer er sprake is van een arbeidsovereenkomst zal gekeken moeten worden naar de bedoeling van partijen om te achterhalen of er sprake is van een overeenkomst van vennootschap. Indien er sprake is van de wil om in gelijkwaardigheid samen te werken hoeft een arbeidsovereenkomst een overeenkomst van vennootschap niet in de weg te staan, Mohr en Meijers 2009, p. 19. Bij accountantsorganisaties worden naast equity partners – juridisch gezien: vennoten – ook salary partners onderscheiden. Accountantsorganisaties met salary partners zijn in mindere mate te kwalificeren als maatschap dan organisaties met equity partners. Indien een salary partner zeggenschap kan uitoefenen in de organisatie is hij overigens in juridische zin wel als vennoot te kwalificeren. In gelijke zin Tervoort 2015, p. 25.
Zie art. 7A:1676 sub 1 BW, Asser/Maeijer & Van Olffen, 7-VII 2017/83.
Mohr en Meijers 2009, p. 29.
Zie art. 7A:1662 lid 1 BW. De inbreng kan bestaan in geld, goederen en genot van goederen en arbeid. Er zijn verschillende vormen van ‘inbreng’ mogelijk waaronder goodwill en ‘knowhow’. Elke vennoot verbindt zich bij het aangaan van de vennootschapsovereenkomst tot het verrichten van inbreng in de vennootschap. De inbreng hoeft niet bij het aangaan van de overeenkomst te geschieden maar kan ook gedurende de overeenkomst worden voldaan. Ook hoeft de inbreng van de vennoten niet aan elkaar gelijk te zijn in aard en omvang. Zie voor een heldere uiteenzetting Tervoort 2015, p. 26-34. Zie nader: Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/34.
NBA 2014, p. 48.
NBA 2014, maatregel 3.7.
De MCA beveelt derhalve nadere onderbouwing van (de samenhang tussen) oorzaken, maatregelen en effecten aan. MCA 2018, p. 12.
MCA 2018, p. 26.
Zie hiervoor het door Kahneman en Tversky al in 1984 beschreven – en inmiddels wetenschappelijk breed erkende – concept van loss aversion (verliesaversie). De theorie van loss aversion stelt dat een individu sterker reageert op een verlies dan op een winst en dat individuen een voorkeur hebben voor stabiliteit boven verandering. Kahneman en Tversky 1984, zie ook Tversky en Kahneman 1986.
De inbreng van de vennoot in de maatschap is in zekere zin vergelijkbaar met de beloning in aandelen van bestuurders van een beursvennootschap. Door onder meer het (gedeeltelijk) belonen van bestuurders van beursvennootschappen in aandelen (die geruime tijd aangehouden dienen te worden) tracht de Monitoring Commissie Corporate Governance via het beloningsbeleid de lange termijn waardecreatie van de vennootschap te stimuleren. Zie ook Kleipool en Van Olffen 2017, p. 323-324.
Zoals Brooks, onder verwijzing naar Adam Smith, onomwonden stelt: “‘managers of other people’s money’ could not be trusted to be as prudent with it as they were with their own. […] bean counters now had more commercial priorities and – with limited liability of their own – less fear for the consequences of failure.” Brooks 2018, p. 13.
De samenwerking tussen de vennoten dient eraan bij te dragen dat de vennoten financieel beter af zijn dan dat zij zonder de samenwerking zouden zijn. Hieruit volgt dat het voordeel ook gelegen kan zijn in kostenbesparingen en niet beperkt is tot het verkrijgen van winst, zie Tervoort 2015, p. 36.
Het publiek belang is onder meer wettelijke verankerd in de taak van het orgaan van intern toezicht bij de OOB-accountantsorganisatie, zie par. 5.3.2. Een voorbeeld waar de accountant rekening dient te houden met het maatschappelijk belang kan gevonden worden in art. 38b lid 1 sub a Bta waar de accountant het maatschappelijk belang in acht moet nemen bij zijn overweging om inlichtingen te verstrekken. Zie voorts Van der Waals 2017, p. 21.
De discussie over de (onwenselijke) focus op commerciële belangen is overigens niet exclusief voorbehouden aan accountantsorganisaties maar wordt bijvoorbeeld ook gevoerd bij Nederlandse beursvennootschappen. Anders dan bij accountantsorganisaties is er bij beursvennootschappen geen uitdrukkelijke beroepsnorm die verplicht tot handelen in het maatschappelijk belang. Wel is in de preambule bij de Corporate Governance Code opgenomen: “De Code berust op het uitgangspunt dat de vennootschap een lange termijn samenwerkingsverband is van diverse bij de vennootschap betrokken stakeholders. […] Het bestuur en de raad van commissarissen hebben een verantwoordelijkheid voor de afweging van deze (stakeholder) belangen […]. Daarbij streeft de vennootschap naar het creëren van waarde op de lange termijn.” (toevoeging tussen haakjes EVAE) Corporate Governance Code 2016, p. 8.
Wanneer is sprake is van het (tot op zekere hoogte) delen in winst en verlies van de vennootschap dan is een salary partner te kwalificeren als vennoot. Indien de salary partner enkel salaris ontvangt wat onafhankelijk is van winst of verlies van de vennootschap, is hij juridisch gezien niet als vennoot aan te merken. Het is overigens geen vereiste dat alle vennoten in gelijke mate in winst en verlies delen. Ook hoeft het delen van de winst en verlies niet gekoppeld te zijn aan de inbreng van de vennoot. Zie Tervoort 2015, p. 25, 36-37.
MCA 2016, p. 66.
Greenwood en Empson 2003, p. 927.
Kosten zijn onder meer aanloopkosten (waaronder investeringen in tijd en advieskosten) en operationele kosten.
“Part of the turbulence affecting professional-service-firm governance, I would argue, is that a growing portion of the work is becoming less of an art and moving more towards the science end of the spectrum.” Maister 1993, p. 292.
Vgl. Maister 1993, p. 289-291.
Hoewel het onderzoek van Maister (1993) 25 jaar geleden werd gepubliceerd heeft het, mijns inziens, weinig aan actualiteitswaarde verloren. In wetenschappelijke literatuur wordt zijn werk nog steeds veelvuldig aangehaald en ook verschijnen er met enige regelmaat herdrukken van dit werk van Maister.
Maister 1993, p. 185.
Maister 1993, p. 291.
Maister 1993, p. 291.
Maister 1993, p. 292.
Maister 1993, p. 299. Voorbeelden van de vereisten waaraan de governancestructuur van de PSF volgens Maister voldoet zijn het maximeren van de kans dat de persoon met leiderschapskwaliteiten op een leidinggevende positie komt door de keuzemogelijkheid en benoemingsrechten, de structuur biedt ruimte voor snelle besluiten (al is de structuur geen verzekering voor snelle besluiten), binnen de structuur is ruimte om duidelijke doelen te stellen en personen daarvoor verantwoordelijk te maken.
Zie bijvoorbeeld het door de NBA gepubliceerde Green paper ‘Structuurmodellen accountancy’ (NBA 2017b), het AFM- onderzoek naar kwetsbaarheden in de structuur van de accountancysector waarin de AFM enkele alternatieve structuurmodellen presenteert (AFM 2018e) en de recente aandacht voor governancemodellen van accountantsorganisaties door Tweede Kamerlid Van der Linde,Kamerstukken II, 2018/19, 33977, 25.
AFM 2015b, p. 17.
NBA 2018b, p. 60-61. Zie nader over het accountantstuchtrecht Zetteler en Pheijffer 2016. De aanpassing van art. 22 Wtra waardoor de verjaringstermijn voor tuchtklachten tegen accountants naar tien jaar wordt verlengd treedt tegelijk in werking met de Wet financiële markten 2018 (Stb. 2018, 186). Deze verlenging draagt naar verwachting ook bij aan (verdere) groei van het aantal tuchtklachten.
Van oudsher is de maatschap een contractuele verbintenis tussen maten waarbij samenwerking centraal staat.1 Zowel natuurlijke als rechtspersonen kunnen maat in de maatschap zijn. Vanwege de mogelijkheid tot afschermen van de aansprakelijkheid wordt in de praktijk veel gebruik gemaakt van de B.V. waarvan de accountant dan – direct of indirect – 100% van de aandelen houdt.2 De primaire doelstelling van de overeenkomst is het tot stand brengen van een duurzame samenwerkingsrelatie die de vennoten (contractanten) tot voordeel strekt. Deze relatie wordt aangegaan met het oog op de persoon (intuitu personae).3 Dit persoonlijke karakter van de maatschap kan zowel voor- als nadelen met zich brengen. Er kan sprake zijn van een dubbele loyaliteit, enerzijds in het gezamenlijk uitvoeren van het beroep en anderzijds naar elkaar door het gevoel van broederschap.4 Tegelijk kunnen deze loyaliteiten ook nadelig werken. De cultuur en (informele) gezagsverhoudingen binnen de maatschap kunnen ertoe leiden dat kritische geluiden verstommen. Hoewel niet expliciet benoemd in wet- en regelgeving draagt dit element van de maatschapsstructuur in belangrijke mate bij aan de aandacht voor governance, gedrag en cultuur binnen de accountantsorganisatie.5 Wanneer de vennootschapsovereenkomst wordt gesloten moeten de vennoten de bedoeling hebben om zonder hiërarchische verhoudingen samen te werken (affectio societatis). De samenwerking tussen de maten dient min of meer gelijkwaardig te zijn. Dit impliceert dat niet elke vennoot dezelfde werkzaamheden hoeft uit te voeren, maar dat elke vennoot onderdeel dient te zijn van de besluitvorming.6 Anders gezegd, er is sprake van gelijkwaardigheid als de vennoten gezamenlijk de strategie van de vennootschap bepalen en deze strategiebepaling een gedeelde, gezamenlijke verantwoordelijkheid is.7 Het bepalen van de bij de strategie behorende werkzaamheden en de uitvoering ervan is een taak voor de besturende vennoten respectievelijk vennoten die arbeid inbrengen of derden. Deze taakverdeling staat samenwerking op voet van gelijkwaardigheid niet in de weg.8 De hoofdregel voor besluitvorming in de maatschap is dat besluiten gezamenlijk genomen worden met eenparigheid van stemmen vanuit de gedachte dat elke vennoot hoofdelijk aansprakelijk is. Dit impliceert dat elke vennoot feitelijk een vetorecht tot zijn beschikking heeft.9 Er kan van de hoofdregel van gezamenlijke besluitvorming worden afgeweken door middel van het opstellen van maatschapsovereenkomsten. In de praktijk wordt vaak gebruik gemaakt van maatschapsovereenkomsten omdat unanimiteit bij besluiten de daadkracht van de vennootschap in de weg kan staan. Bij grotere samenwerkingsverbanden wordt een bestuur aangewezen waaraan taken toebedeeld worden om de slagvaardigheid van de organisatie te vergroten.10 Echter ook indien in theorie sprake is van betrokkenheid van alle partners en gezamenlijke besluitvorming inzake de strategie van de vennootschap, kan dit in de praktijk anders uitwerken. Gezag, expertise of gedrag van partners en, daarmee samenhangend, de cultuur binnen de accountantsorganisatie kunnen de besluitvorming (onbedoeld) beïnvloeden.
In de praktijk is in de maatschapsstructuur, naast samenwerking, ook de karakteristiek van het inbrengvereiste (nog) zichtbaar. Uit de juridische definitie van de maatschap vloeit voort dat iedere maat is gehouden tot inbreng in de vennootschap om zo het vennootschappelijk doel te bereiken.11 In het rapport ‘In het publiek belang’ laat de werkgroep Toekomst Accountantsberoep zich kritisch uit over dit ‘goodwill model’, waarbij de inbreng van vennoten een bankfinanciering vereist waarvoor de bank zekerheid wil hebben, bijvoorbeeld in de vorm van een toereikend inkomen.12 De werkgroep Toekomst Accountantsberoep pleitte voor afschaffing van het goodwill model omdat het beloningsbeleid in grotere mate afhankelijk moet worden van kwaliteit waardoor het voor de bankfinanciering noodzakelijke inkomen niet meer gegarandeerd kan worden.13 Dit pleidooi voor afschaffing van het inbrengvereiste lijkt daardoor vooral een praktische insteek te hebben.14 In de praktijk hebben de OOB-accountantsorganisaties het goodwill model afgeschaft of zijn zij bezig met de uitfasering ervan.15 Het inbrengvereiste kan echter ook positieve effecten hebben. Zo verplichten de hoge investeringskosten de vennoot goed na te denken alvorens toetreding tot de organisatie. Op basis van de uit de gedragseconomie afkomstige theorie van loss aversion ligt het in de verwachting dat dit positieve effect ook niet teniet zal gaan indien de vennoot bij een vroegtijdige uitstap uit de vennootschap zijn inbreng (grotendeels) terugkrijgt.16 Voorts ontbreekt in een maatschap, door de (financiële) inbreng van de vennoot, een scheiding tussen kapitaal en leiding. Het vennootschappelijk belang komt – mede in het licht van de theorie van loss aversion – daardoor in lijn te liggen met het persoonlijk belang van de maat waardoor een lange termijn focus en strategie wordt gestimuleerd.17 In de praktijk bestaat er binnen de juridische vormgeving van de accountantsorganisatie, de maatschapsstructuur, wel een scheiding tussen kapitaal en leiding waardoor het persoonlijk en vennootschappelijk belang niet altijd synchroon lopen.18
Het streven van de vennoten bij het sluiten van de vennootschapsovereenkomst en tijdens de uitvoer van hun werkzaamheden dient, blijkens de definitie van de maatschap uit art. 7A:1655 BW, gericht te zijn op een op geld waardeerbaar voordeel.19 Het gericht zijn op voordeel – het commerciële belang – is inherent aan bedrijfsvoering buiten de ideële sfeer. Een accountantsorganisatie verschilt daarin niet van andere ondernemingen. Bij de accountantsorganisaties kan er echter een spanningsveld bestaan tussen het persoonlijk, vennootschappelijk en publiek belang. Naast het nastreven van voordeel, verplichten de op de accountants en accountantsorganisatie toepasselijke gedrags- en beroepsregels tot het in acht nemen van het maatschappelijk belang.20 Deze doelstellingen kunnen botsen in de praktijk. De onwenselijke focus op commerciële belangen door accountants is een steeds terugkerend punt in de publieke discussie en bij de ontwikkeling van nieuwe wetgeving.21 Het aanspraak maken door de vennoten op het door hen nagestreefde voordeel is een kernelement van de maatschap maar wordt tegelijk als negatieve prikkel geduid.22 Zo wijst de MCA op de spanningen die kunnen ontstaan in het netwerk wanneer partners uit de verschillende praktijken niet in evenredige mate kunnen bijdragen aan het ontstane voordeel. Ook zouden (noodzakelijke) investeringen onder druk kunnen komen te staan wanneer de beloning van de partners afhankelijk is van de winst.23 Anders gezegd, winstdeling kan leiden tot een belangenverstrengeling van het vennootschappelijk en persoonlijk belang van vennoten.
De opkomst van maatschapsstructuren bij accountantsorganisaties kan mede verklaard worden vanuit kostenefficiëntie of -besparingen voor vrije beroepsbeoefenaars en de geschiktheid van de structuur voor samenwerking. De bestendigheid (of het succes) van maatschapsstructuren bij accountantsorganisaties vloeit echter wellicht meer voort uit de lastigheid die wijziging van de governance in de praktijk met zich brengt. Greenwoord en Empson noemen dat ‘institutional stickiness’.24 Zij veronderstellen dat de maatschapsstructuur een niet meer weg te denken onderdeel van de organisatie kan zijn waardoor eraan vastgehouden wordt zelfs wanneer het niet meer de meest optimale organisatievorm is. De aanpassing van de vennootschappelijke structuur met inbegrip van de rechten en verplichtingen van de verschillende actoren binnen de vennootschap brengt kosten met zich mee.25 De (conflicterende) belangen die spelen bij aanpassing van de organisatiestructuur dragen bij aan de ‘institutional stickiness’, anders gezegd, (conflicterende) belangen bemoeilijken een organisatiewijziging. Verlaten van de maatschapsstructuur kan bijvoorbeeld tot gevolg hebben dat partners zeggenschapsbevoegdheden inleveren en achteruit gaan in beloning. Door de gezamenlijke besluitvorming van de partners binnen de maatschapsstructuur is het nemen van een besluit met verstrekkende gevolgen voor partners, die hun status ontlenen aan hun positie binnen de organisatie, een uitdagende opgave. Het persoonlijke belang conflicteert op dat punt met het (mogelijke) vennootschappelijke belang.
Maister beargumenteert dat de maatschapsstructuur onder druk komt te staan wanneer confectie maatwerk vervangt.26 Anders gezegd, de maatschapsstructuur past bij een organisatie waarin beroepsbeoefenaars werken die diensten verlenen die specialistische kennis en vaardigheden vereisen.27 Maister belicht ook uitdagingen binnen de PSF.28 Zo beschrijft hij dat er binnen een PSF veelal een up or out systeem gehanteerd wordt. Indien de carrière van een professional stagneert zal hij (gedwongen worden te) vertrekken. Het up or out systeem leidt er eveneens toe dat de partnergroep gezien wordt als elitegroep waarin alleen die personen worden opgenomen die op alle vlakken excelleren. Door dit systeem verdwijnt kennis die wellicht waardevol is voor de PSF.29 Tevens wijst hij op de uitdagingen in het managen van professionals. Zo stelt Maister dat een opvallende eigenschap van de professional is dat hij erg lastig te managen is omdat hij een sterke behoefte aan autonomie heeft. Ook de deskundigheid van de professional bemoeilijkt het managen. Voorts betoogt Maister dat de expertise en zelfverzekerdheid die de professional nodig heeft bij zijn werkzaamheden ook doorklinkt in zijn rol binnen de organisatie. Een professional wil bij besluitvorming betrokken zijn en vindt het lastig dit uit handen te geven.30 Met betrekking tot de samenwerking op voet van gelijkheid stelt Maister: “The decision-making process is as much a device for certifying status – the right to participate – as for getting things done.”31 Maister betoogt dat de maatschapsstructuur onder druk komt te staan wanneer (i) werkzaamheden minder specialistisch worden waardoor ze ook aan niet-partners uitbesteed kunnen worden en (ii) wanneer de omvang van de maatschap dusdanig wordt met zoveel specialistische kennis verdeeld over verschillende partners dat deze gemanaged moeten worden.32 Deze ontwikkeling waarin de inrichting van de accountantsorganisatie verandert – door mij eerder in par 4.3. als tweede ontwikkelingslijn, de ontwikkeling in de praktijk geduid – biedt een verklaring voor de verschuiving van de aandacht van de wetgever van professie naar de organisatie.
Hoewel Maister de uitdagingen van de governancestructuur van de PSF erkent, concludeert hij dat de governance van de PSF in haar huidige vorm aan belangrijke vereisten voldoet waardoor zij zeker niet onder doet voor andere governancestructuren.33 Ondanks dat er in de literatuur op de voordelen van de maatschapsstructuur bij de PSF gewezen wordt verwacht ik, mede in het licht van de recente (maatschappelijke) ontwikkelingen, dat de maatschapsstructuur van een accountantsorganisatie (verder) onder druk komt te staan.34 Zo is voor de uitoefening van de controlewerkzaamheden steeds meer samenwerking nodig, met verschillende disciplines maar ook met accountants uit verschillende landen, waardoor de samenwerkingsverbanden groeien en de druk op het creëren van hiërarchische structuren binnen de vennootschap toeneemt. Voorts neemt compliance een steeds grotere plaats in binnen de accountantsorganisatie, mede door de toename van wetgeving en onder druk van de toezichthouder. In aanvulling op de compliancestructuren dienen er binnen de accountantsorganisaties ook structuren te bestaan waarmee inzicht verkregen kan worden in de mate waarin de accountantsorganisatie “op een breder terrein in control is dan uitsluitend op de instrumentele aspecten van het stelsel van kwaliteitsbeheersing”.35 De toegenomen aandacht voor de controlewerkzaamheden in de laatste jaren uit zich ook in de toename van tuchtklachten die bij de Accountantskamer wordt ingediend.36 Deze (gepercipieerde) toename van het aansprakelijkheidsrisico van de accountant stimuleert niet alleen de vormgeving van meer checks and balances binnen de accountantsorganisatie maar ook een groter eigen verantwoordelijksheidsgevoel waardoor de partnerinvloed afneemt. Ook technologische ontwikkelingen, zoals de opkomst van robots en technologieën als bijv. blockchain, kunnen (en zullen naar verwachting) leiden tot aanpassingen van de controlewerkzaamheden en daardoor op termijn de maatschapsstructuur van de accountantsorganisatie beïnvloeden.