Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/6.4.7.1
6.4.7.1 Slechte financiële omstandigheden (tijdens opleggen/beoordelen boete)
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS466909:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Voetnoten
Voetnoten
Hoge Raad 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:685 (BNB 2014/194, met noot De Bont).
Zie rechtsoverweging 3.4.3. van eerdergenoemd arrest van de Hoge Raad. De uitspraak van Hof Den Bosch van 12 oktober 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:4423) geeft een goede indicatie van de waardering en weging van allerlei financiële omstandigheden.
Zie bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 14 maart 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:2098).
Zie voor een voorbeeld: Hof Den Bosch 9 april 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BM7451.
De Centrale Raad van Beroep refereerde overigens bij de beoordeling van de draagkracht bij beboeting in bijstandszaken eveneens aan de artikel 24 en 24a van het Wetboek van Strafrecht: CRvB 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:9/10/12. Wellicht dat de belastingkamer van de Hoge Raad deze lijn binnenkort volgt.
Aanwijzing kader voor strafvordering en OM-afdoeningen van 1 maart 2015, 2015A001, Stcrt. 2015, 4952.
Zie eerdergenoemde Aanwijzing.
Hof Leeuwarden 15 februari 2010, ECLI:NL:GHLEE:2010:BL4199.
Hof Arnhem 19 november 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BO5085.
Omschrijving
In onderdeel 6.4.6.2 heb ik de strafverminderende werking van slechte financiële omstandigheden ten tijde van het begaan van het beboetbare feit beschreven. In dit onderdeel ga ik in op slechte financiële omstandigheden ten tijde van het opleggen van de boete (lid 7 van paragraaf 7 van het BBBB).
De Hoge Raad heeft van deze strafverminderende omstandigheid bepaald dat de rechter deze in het licht van het draagkrachtbeginsel op grond van artikel 5:46 Awb ex nunc – dus in het heden – moet toetsen.1 Voor de inspecteur betekent dit naar mijn mening dat hij niet alleen de financiële situatie ten tijde van het opleggen van de boete moet beoordelen, maar bijvoorbeeld ook ten tijde van het doen van uitspraak op bezwaar. Gaat de belastingplichtige in beroep, dan ligt het initiatief voor het (her)beoordelen van de financiële situatie in beginsel bij de belastingplichtige zelf. Op hem rust dan namelijk de last om ter zake een ‘uitdrukkelijk onderbouwd standpunt’ aan te dragen (vgl. artikel 359, lid 2 Sv).2
Doelen; gemis aan subsidiariteit
Het belang van deze matigingsgrond is evident: een boete van bijvoorbeeld € 2.000 kan voor een belastingplichtige die alleen een bijstandsuitkering heeft en geen vermogen bezit zeer grote gevolgen hebben. Daarbij kan gedacht worden aan een langlopend invorderingsproces met termijnbetalingen, dwanginvordering, schuldsaneringstrajecten of zelfs een faillissement.3 De gevolgen van de boete staan in dat geval niet in verhouding tot de met de boete beoogde strafdoelen, omdat meer leed wordt veroorzaakt dan eigenlijk is bedoeld. Door de boete te matigen naar de draagkracht van de belastingplichtige, wordt een zeker surplus aan leed voorkomen.
De vraag is echter of met de boete na matiging nog in voldoende mate de strafdoelen worden nagestreefd. Het kan immers in het hiervoor genoemde voorbeeld best zo zijn dat een boete van € 2.000 uit hoofde van vergelding en preventie gerechtvaardigd is, terwijl een eventuele matiging naar bijvoorbeeld € 500 niet in verhouding staat tot de mate van verwijtbaarheid en wederrechtelijkheid. De matiging kan aldus een spanning opleveren met het proportionaliteitsbeginsel.
Bij een gebrek aan financiële draagkracht is de boete dus slechts in beperkte mate effectief. Dit wordt veroorzaakt door de wijze waarop door beboeting leed wordt toegevoegd, namelijk door het afnemen van geld. Immers, als de belastingplichtige geen geld heeft dat afgenomen kán worden, dan lijkt het ‘boetemes’ bij voorbaat bot.
De bestraffer zou dan zijn toevlucht moeten nemen tot een alternatief waarmee wel leedtoevoeging kan worden bewerkstelligd. Maar een dergelijk alternatief is in het (fiscale) punitieve bestuursrecht niet voorhanden. In zoverre is de matiging op grond van slechte financiële omstandigheden dus het gevolg van een gemis aan subsidiariteit.
Waardering en weging
Voor de waardering en weging geldt in principe hetzelfde als voor slechte financiële omstandigheden tijdens het begaan van het beboetbare feit (zie hiervoor onderdeel 6.4.6.2). De inspecteur moet op grond van het BBBB voorzichtig zijn bij het honoreren van draagkrachtverweren. Daarnaast is er ook te weinig richtinggevende rechtspraak over draagkrachtmatigingen om conclusies aan te verbinden.4
Strafrecht
Het draagkrachtbeginsel is ook in het strafrecht alom aanwezig. Zo bepaalt artikel 24 Sr dat de strafrechter bij het opleggen van een geldboete rekening moet houden met de draagkracht van de verdachte (zie ook hoofdstuk 5, onderdeel 5.4.3.10). Deelbetalingen zijn daarbij mogelijk (artikel 24a Sr).5 Ook het OM houdt op grond van de algemene strafvorderingsaanwijzing bij de te vorderen geldboete rekening met de financiële situatie van de verdachte.6
Beperkte draagkracht vormt dus ook in het strafrecht een strafverminderende omstandigheid. Maar in sommige gevallen is het voor het OM ook aanleiding om een ‘geldboete om te zetten naar een andere sanctie of een voorwaardelijke boete te eisen’.7 Ook de strafrechter kan dit overigens. Zo bepaalde Hof Leeuwarden dat op grond van de ‘slechte financiële situatie’ van de verdachte in plaats van de gevorderde geldboete een werkstraf meer op zijn plaats was.8 In een andere zaak vormde dit onder meer voor Hof Arnhem aanleiding om een voorwaardelijke geldboete op te leggen in plaats van een onvoorwaardelijke geldboete.9 Dit laatste alternatief, voorwaardelijke in plaats van onvoorwaardelijke sanctionering, zou naar mijn mening ook binnen het fiscale bestuurlijke boeterecht van meerwaarde kunnen zijn.