Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/2.2.2.4.2
2.2.2.4.2 De wil van de oprichter is het belang van de stichting
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232470:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
W.J.M. van Veen, ‘Het belang van de rechtspersoon en zijn ‘raison d’etre’’, WPNR 2017/7162; Van Uchelen-Schipper 2018/4.4.2; Kamerstukken II 2015-2016, 34 491, nr. 3, p. 11-12.
Voor de uitleg van statuten naar partijbedoeling, zie Hof Arnhem-Leeuwarden 19 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:3094, JOR 2016/221, m.nt. C.J. Groffen; Hof Arnhem-Leeuwarden 20 maart 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:2640, JOR 2018/175, m.nt. R.A. Hagens.
‘Wie dogmatisch moeite heeft met het begrip ‘partij’ bij eenzijdige rechtshandelingen, leze: ‘quasi-partij’, schreef B. Schols 2007, p. 110, mede onder verwijzing naar artikel 3:56 BW.
Er bestaat een direct verband tussen de objectieve uitleg van de statuten en het belang van de stichting. De oprichter richt de stichting op met een bepaald doel voor ogen. Bij de bij uiterste wilsbeschikking opgerichte stichting is de erflater de oprichter. Het doel wordt daarom opgenomen in de statuten. Als de stichting eenmaal is opgericht, zo bleek hiervoor, dan staat het doel vast en kan het in beginsel niet meer worden gewijzigd (meer hierover in 4.4.1.1). Vervolgens dient het bestuur van de stichting zich in zijn handelen te richten op het belang van de stichting.1 Maar wat is dat belang van de stichting? Dat belang is de bestaansreden die de oprichter aan de stichting heeft meegegeven zoals die uit de statuten blijkt.2 Daarmee is de cirkel rond: het belang van de bij uiterste wilsbeschikking opgerichte stichting valt samen met de wil van de erflater/oprichter. Het samenvallen van de wil van de erflater met het belang van de stichting heeft verregaande consequenties. Stel dat de erflater een stichting bij dode opricht die moet dienen als bufferorganisatie voor de materiële erfgenamen als bedoeld in 1.2. Bij een dergelijke stichting staat de bescherming van de erfgenamen bij versterf tegen schuldeisers van de erflater voorop. Dit gebeurt door de stichting tot enig erfgenaam te benoemen onder de verplichting (testamentaire last of legaat) het eventuele positieve saldo na voldoening van alle verplichtingen onder de materiële erfgenamen te ‘verdelen’. Het is daardoor de uitdrukkelijke bedoeling dat deze stichting ook erfgenaam zal zijn als de nalatenschap negatief is. Het aanvaarden van een dergelijke negatieve nalatenschap valt daardoor binnen het belang van de stichting zonder dat de stichting daar enig voordeel aan heeft.
Maar wat nu als de statuten van de stichting niet uitdrukkelijk vermelden wat de bestaansreden is die de erflater/oprichter aan de stichting bedoeld heeft meegegeven? Dit zou het geval kunnen zijn als de stichting is bedoeld als bufferorganisatie tegen schulden, maar de doelomschrijving zou zijn: ‘de stichting heeft tot doel mijn nalatenschap af te wikkelen’. In dat geval kan de uitzondering op de in beginsel objectieve uitleg van statuten een oplossing bieden. Op de geobjectiveerde uitleg van statutaire bepalingen bestaat een uitzondering in gevallen waarin sprake is van een samenwerkingsverhouding.3 In dergelijke gevallen kan het accent meer worden gelegd op die partijbedoelingen.4 Deze partijbedoeling zou afgeleid kunnen worden uit de persoon van de erflater – bijvoorbeeld iemand die grote financiële risico’s loopt – in combinatie met de inhoud van de bepaling dat de stichting verplicht is dat wat resteert na de afwikkeling van de nalatenschap uit te keren aan de materiële erfgenamen. Als voor de stichting zelf niets overblijft, vormt dat volgens mij een aanwijzing dat de stichting is bedoeld als bufferorganisatie. Uiteraard bieden heldere statuten meer zekerheid.