Conversie en aandelen
Einde inhoudsopgave
Conversie en aandelen (VDHI nr. 149) 2018/2.2.1:2.2.1 Schrijvers over conversie
Conversie en aandelen (VDHI nr. 149) 2018/2.2.1
2.2.1 Schrijvers over conversie
Documentgegevens:
mr. P.H.N. Quist, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. P.H.N. Quist
- JCDI
JCDI:ADS368232:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Norbruis 1993, p. 145.
Klemann 1995, p. 46.
Zaman 2014, p. 208 en Zaman 1991, p. 7-8.
Wolf 2013, p. 229.
Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013/186.1.
Huizink, GS Rechtspersonen, artikel 2:92 BW, aant. 7.2 (online, bijgewerkt 1 maart 2017).
Prinsen 2004, p. 140-141.
Buijn & Storm 2013/4A.8.
Bosse 2014. Bosse beperkt zich in zijn betoog tot conversie van aandelen in aandelen met eenzelfde nominale waarde.
Van den Ingh 1999a, p. 260.
Van Olffen 1999, p. 368.
Van den Ingh 1999b, p. 369.
Portengen & Groot 2004.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Norbruis1 spreekt over conversie van aandelen van een bepaalde soort in een bepaalde vennootschap in aandelen in diezelfde vennootschap van een andere soort. Als gevolg van deze conversie wordt het karakter van een eenmaal door een vennootschap uitgegeven aandeel veranderd.
Klemann2 meent dat conversie niets te maken heeft met uitgifte of intrekking van aandelen maar de verandering van de identiteit van een geplaatst aandeel betreft. Ook Zaman3 is van oordeel dat er bij conversie geen sprake is van intrekking of uitgifte van (nieuwe) aandelen. Wolf4 merkt eveneens op dat het bij conversie niet gaat om intrekking van het ene aandeel, gevolgd door uitgifte van een ander aandeel.
Dortmond5 schrijft dat het woord ‘conversie’ wordt gebruikt om aan te geven dat het niet gaat om intrekking en uitgifte van aandelen, maar over wijziging van rechten van een bestaande kapitaaldeelneming.
Huizink6 beschouwt conversie vennootschapsrechtelijk als een andere juridische figuur dan intrekking van de ene soort aandelen gevolgd door een latere emissie van aandelen van een andere soort. Uitgangspunt bij de omzetting van aandelen is dat de rechtsbetrekking van de aandeelhouder tot de vennootschap als zodanig in stand blijft.
Prinsen7 is van mening dat een conversie van aandelen kan bestaan in splitsing of samenvoeging van aandelen, zonder dat daarbij het geplaatste kapitaal wijzigt. Hoewel bij splitsing en samenvoeging aandelen ontstaan, respectievelijk tenietgaan, is er volgens hem geen sprake van uitgifte, respectievelijk intrekking van aandelen. De splitsing en de samenvoeging van aandelen hebben volgens Prinsen voldoende wettelijke basis, omdat zij plaatsvinden krachtens een statutenwijziging of een statutair conversiemechanisme.
Buijn en Storm8 zijn van mening dat in geval van conversie het aandeel als zodanig blijft bestaan: slechts de aan de aandelen verbonden rechten wijzigen conform de in de statuten neergelegde regels. Er is geen sprake van inkoop van aandelen of intrekking van aandelen van de ene soort, gepaard gaande met een uitgifte van aandelen van de andere soort. Het nominaal gestorte bedrag van de aandelen blijft intact en er is dan ook geen sprake van een noodzaak tot crediteurenbescherming.
Van Solinge en Nieuwe Weme9 menen dat bij conversie de aandelen als kapitaaldeelneming in stand blijven; bij het handhaven van de totale nominale waarde van de desbetreffende aandelen verandert het geplaatste kapitaal niet. Er is volgens hen geen intrekking en (hierop volgende) uitgifte van aandelen. Er komt slechts wijziging in de rechten of verplichtingen die aan het aandeel zijn verbonden.
Bosse10 is van mening dat conversie van aandelen in aandelen van een andere soort of aanduiding met dezelfde nominale waarde geen emissie van aandelen inhoudt.
Van den Ingh11 geeft een afwijkende mening door te stellen dat splitsing met uitgifte, en samenvoeging met intrekking van aandelen gepaard dient te gaan. Voor splitsing is daarom volgens hem een uitgiftebesluit nodig en – in geval van splitsing van aandelen op naam in een niet-beursgenoteerde NV – het verlijden van een notariële akte. Voor samenvoeging is volgens Van den Ingh een intrekkingsbesluit nodig. Van den Ingh komt tot zijn standpunten na een algemeen goederenrechtelijke redenering. Zijn redenering ten aanzien van splitsing is dat uit artikel 3:80 BW volgt dat iedere verkrijging van een goed een wettelijke basis dient te hebben. Dat geldt volgens hem daarom ook bij splitsing van een aandeel. Van den Ingh herkent die wettelijke basis kennelijk in de rechtshandeling van uitgifte, en niet in een statutenwijziging of in een statutair conversiemechanisme. Zijn redenering ten aanzien van samenvoeging is dat intrekking de enige wijze is waarop aandelen volgens Boek 2 BW teniet kunnen gaan.
In reactie op Van den Ingh, schrijft Van Olffen12 dat het aandeel weliswaar als een vermogensrecht mag worden beschouwd, doch dat het aandeel zijn oorsprong uitsluitend vindt in de statuten van de betrokken vennootschap en dat statutaire bepalingen inzake aandelen goederenrechtelijk effect hebben. Van Olffen verbindt daaraan de conclusie dat indien bijvoorbeeld door statutenwijziging de coupure van aandelen van NLG 500 wordt gewijzigd naar NLG 100, omzetting van elk ‘oud’ aandeel in vijf ‘nieuwe’ aandelen kan geschieden door en in het kader van de statutenwijziging, zonder een nadere goederenrechtelijke handeling (uitgifte). In zijn naschrift op de reactie van Van Olffen, stelt Van den Ingh13 dat hij zich niet kan vinden in de stelling van Van Olffen dat een aandeel uitsluitend zijn oorsprong vindt in de statuten. Statuten hebben volgens hem niet het vermogen aandelen in het leven te roepen.
Portengen en Groot14 nemen een standpunt in liggend tussen dat van Van den Ingh en dat van Van Olffen. Net als Van den Ingh achten zij voor het in het leven roepen van een aandeel een bepaling in de statuten op zichzelf niet voldoende. Het in het leven roepen van aandelen, dient ook binnen het goederenrecht geplaatst te kunnen worden. Aan de andere kant leidt de benadering van Van den Ingh tot in de praktijk onhanteerbare uitkomsten. In het gegeven voorbeeld dient, in de visie van Van den Ingh, de besluitvorming ook betrekking te hebben op emissie. Dat is, ook als de bevoegdheid bij een ander orgaan ligt, nog wel oplosbaar, volgens Portengen en Groot. Lastiger ligt de uitgifte zelf, zeker indien voor die uitgifte een notariële akte vereist is. De facto is dan immers medewerking van alle aandeelhouders vereist, ook voor de statutenwijziging. Portengen en Groot menen dat, vanuit de praktijk gezien, de visie van Van Olffen aantrekkelijker is.