Einde inhoudsopgave
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/3.4.3
3.4.3 Geen "terughoudende rol" redelijkheid en billijkheid
mr. P.S. Bakker, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
mr. P.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS589675:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Vermogensrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
En overigens ook in het kort na PontMeyer gewezen arrest Derksen/Homburg (HR 29 juni 2007, NJ 2007, 576, m. nt. M.H. Wissink).
Vgl. HR 17 september 1993, NJ 1994, 173 (Gerritse/HAS) en Tjittes 1994, p. 412. Zie ook Schelhaas 2007, p. 299.
Zie in dit kader ook HR 15 oktober 2004, NJ 2005, 141 (GTT/Zdrich). Vgl. voorts HR 2 december 2011, NJ 2011, 574.
Zie bijv. Schelhaas 2008, pp. 151, 157 en 160.
Zie in deze zin ook Van der Werf 1982, p. 15. Zie voorts Mendel 2000, p. 231.
Dit volgt onder meer uit het arrest DSM/Fox (HR 20 februari 2004, NJ 2005, 493, m. nt. C.E. du Perron), waarin immers wordt overwogen dat ' (...) bij de uitleg van een schriftelijk contract telkens (curs. van mij, PSB) van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.'
Zie in dit kader recentelijk Hof Leeuwarden 15 juni 2010, LJN: BM8441, HR 19 november 2010, NJ 2010, 623 en HR 24 februari 2012, NJ 2012, 142. Vgl. voorts de conclusie van A-G Wissink bij dit arrest onder 3.22. Zie voorts Valk 1994, p. 112.
Zoals bekend bepaalt de in PontMeyer van toepassing geachte Haviltex-maatstaf dat het voor de beantwoording van de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, aankomt op:
"de zin die pp. in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen pp. behoren en welke rechtskennis van zodanige pp. kan worden verwacht."
Wat de Hoge Raad in PontMeyer1 heeft gedaan is naar mijn indruk niets meer of anders dan helderheid verschaffen over wat partijen in omstandigheden als in dat arrest aan de orde in beginsel redelijkerwijs van elkaar mogen verwachten en begrijpen. Zie ik het goed, dan ligt in het oordeel van de Hoge Raad de gedachtegang besloten dat in situaties, waarin de totstandkomingsfase van een overeenkomst niet (zoals normaliter) in het teken staat van het levendig contact en het uitwisselen van verklaringen tussen partijen, maar (veeleer) van (de redactie door ingehuurde specialisten van) de uiteindelijke tekst van een lijvig en gedetailleerd contractsdocument, professionele partijen er in de regel over en weer in redelijkheid op mogen vertrouwen dat de blijkens het gedrag van partijen zo belangrijk geachte tekst van het contract ten volle doorklinkt bij de uitleg van het overeengekomene en de voornamelijk bij de ingehuurde advocaten aanwezige kennis omtrent de achtergrond van de diverse, elkaar opvolgende drafts bij die uitleg in beginsel buiten beschouwing blijft.2 Dit zowel op het gedrag van partijen als op hun maatschappelijke positie geënte redelijke verwachtingspatroon van partijen vindt rechtens ingang door middel van een geobjectiveerde toepassing van de Haviltex-maatstaf, waarbij de contractsbedingen in beginsel in hun tekstuele betekenis en zonder gebruikmaking van specifieke achtergrondkennis over de totstandkoming van de bedingen, worden opgevat.
Redelijkheid en billijkheid spelen daarmee in een uitlegkwestie als aan de orde in PontMeyer net zo'n grote rol als in uitlegkwesties tussen andersoortige partijen: in beide gevallen gaat het om honorering van redelijk vertrouwen en redelijke verwachtingen. Wat in een gegeven situatie redelijk te noemen is, wordt echter in hoge mate bepaald door de omstandigheden van het geval, waaronder de maatschappelijke en economische positie van partijen, hun onderlinge (machts)verhouding, gedragingen en deskundigheid.3 Het verschil tussen deze en andere uitlegcasus is in deze omstandigheden gelegen, niet (zoals soms lijkt te worden gedacht)4 in de mate waarin redelijkheid en billijkheid de rechtsverhouding tussen partijen beheersen: het dwingende gedragsnormkarakter van redelijkheid en billijkheid brengt met zich dat dit begrippenpaar elke verbintenisrechtelijke rechtsverhouding steeds in even grote mate beheerst.5
Daarnaast geldt dat ook bij een geobjectiveerde toepassing van de Haviltex-maatstaf redelijkheid en billijkheid nog steeds de aan te leggen uitlegmaatstaven zijn.6 Ook dan geldt de eis van een redelijke uitleg, waarbij onder meer acht moet worden geslagen op de belangen van partijen, de aannemelijkheid en redelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe verschillende, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden, de aard en systematiek van het contract en de strekking van de daarin opgenomen contractsbepalingen.7