Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/7.2.2.b
7.2.2.b Het subject van de morele rechten (<geenverwijzing>art. 6bisgeenverwijzing>)
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS467641:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zo luidt de Nederlandse vertaling in Stb. 1931, 361. Tijdens de twee volgende conferenties van 1948 en 1967 is art. 6bis verder uitgekristalliseerd.
In haar authentieke Franse versies heeft de conventie in art. 6bis altijd gesproken over 'la paternité.' In de Nederlandse vertalingen van de Romeinse en de Brusselse tekst (Stb. 1931, 361 resp. Trb. 1955, 45) is dit vertaald als 'vaderschap', in de vertaling van de Parijse tekst (Db. 1972, 157) als 'auteurschap?' De eerste vertaling is te verkiezen omdat zij geen ruimte laat voor misverstanden. Met 'paternité' wordt immers gedoeld op het `schepperschap' ofwel het intellectuele vaderschap, en niet op 'auteurschap' in de zin van `originaire rechthebbendeschap'.
In het Rapport général van Piola Caselli wordt opgemerkt dat de eerste alinea van art. 6bis ('Onafhankelijk van de vermogensrechtelijke auteursrechten en zelfs na overdracht van die rechten, behoudt de auteur (...)') bevestigt dat de morele rechten het specifieke karakter hebben van een recht dat inhaeret persome en dat zij bijgevolg niet overdraagbaar zijn (Actes BC 1928, p. 203). Zie ook Actes BC 1928, p. 181 (Rapport SousCommission pour le droit moral); zo ook het Italiaanse voorstel, zie Actes BC 1928, p. 174 en p. 177). Piola Caselli 1935, p. 68, heeft dit later nogmaals expliciet bevestigd. Gerbrandy 1988, p. 307, merkt op dat overdracht van morele rechten conform de internationale doctrine is uitgesloten, zie ook Van Isacker 1961, p. 42 en passim. Ook aan het in 1948 ingevoerde lid 2 ligt de gedachte ten grondslag dat morele rechten onvervreemdbaar zijn. Onvervreemdbaarheid laat uiteraard onverlet dat de auteur contractueel in zekere mate kan afzien van het inroepen van deze rechten of dat de uitoefening anderszins contractueel kan worden geregeld (vgl. Piola Caselli 1935, p. 68). Over de onvervreemdbaarheid van de morele rechten wordt overigens ook anders gedacht. Zo zag Ricketson 1987, p. 467 geen beletselen voor een overdracht, vgl. ook Ricketson & Ginsburg 2006, p. 599-600 (zo ook Hoffmann 1935, p. 111; De Boer 1977, p. 709).
Actes BC 1928, p. 177 (voorstel Italië); zie ook Actes BC 1928, p. 203 (Rapport général).
Zie ook Actes BC 1928, p. 202 (Rapport général).
Zie ook Ulmer 1977, p. 510.
Actes BC 1928, p. 181 (Rapport Sous-Commission pour le droit moral; onderstreping toegevoegd). Zie ook Actes BC 1928, p. 238 (Resumé par le Bureau), waar niet meer over de 'schepper' of de 'auteur' wordt gesproken maar over de schrijver en de kunstenaar.
Krachtens art. 6bis lid 2 (zoals ingevoerd in 1948) is de lex loci protectionis overigens wel van toepassing op de vraag wie na de dood van de 'auteur' de morele rechten uitoefent. Zie hierover nader par. 7.4.2.
Zie alinea's 966 e.v. hiervoor.
Vgl. Dungs 1910, p. 31 (zie alinea 979 hiervoor).
Een analoog probleem speelt onder de vigeur van de Nederlandse Auteurswet, die immers zowel ten aanzien van exploitatierechten als ten aanzien van morele rechten spreekt over de 'maker' (art. 25 Auteurswet). Ook hier wordt een splitsing van het makersbegrip verdedigd, bijvoorbeeld door Gerbrandy 1988, p. 290 en p. 401; Van Lingen 2007, p. 113-115; Hof Amsterdam 10 februari 1970, NJ 1971, 130. Zie hierover voorts Spoor, Verkade & Visser 2005, p. 361-362.
Dat onderscheid is overgenomen in de TRIPs-Overeenkomst, zie art. 9 lid 1, tweede volzin; zie daarover Gervais 2003, p. 124-125.
Terzijde: in noot 88 van dit hoofdstuk 7 zagen wij dat het ontbreken van een verdragsautonoom auteursbegrip meebrengt dat het formele toepassingsgebied van de Berner Conventie rafelig is. Voor de morele rechten bestaat echter, als gezegd, m.i. wél een verdragsautonoom auteursbegrip. Men kan dat gegeven op verschillende manieren laten inwerken op het formele toepassingsgebied van de conventie. Denkbaar is bijvoorbeeld dat men dat gegeven irrelevant acht voor het formele toepassingsgebied, bijvoorbeeld omdat de verdragsopstellers hier niet aan lijken te hebben gedacht. Denkbaar is ook de benadering dat, als het om morele rechten gaat, onder de 'auteur' in art. 3 en 4 de schepper moet worden verstaan. Dan loopt het formele toepassingsgebied van de conventie voor morele rechten en exploitatierechten dus enigszins uiteen. Uitgaande van een dwingend verdragsautonoom auteursbegrip voor morele rechten, is deze laatste benadering m.i. het meest geëigend.
Cass. civ. I 28 mei 1991, Rev. erft. DIP 1991, p. 752 m.nt. P-Y. Gautier (Huston/Turner; `Asphalt Jungle'); zie ook RIDA 149 (1991), p. 197; Informatierecht/AMI 1991, p. 221-222 m.nt. Seignette. De zaak heeft veel stof doen opwaaien, zie onder meer Seignette 1991, p. 221-222; Seignette 1994, p. 77, noot 111; Ginsburg & Sirinelli 1991; Ricketson 1992, p. 24; De Boer 1993. Zie ook Cour d'appel Parijs 6 juli 1989, Rev. erft. DIP 1989, p. 706 m.nt. P-Y. Gautier (zie ook GRUR Int. 1989, p. 937 m.nt. A. Frangon; Seignette 1990, p. 198 e.v.; Siefarth 1991, p. 96); en Tribunal de grande instance Parijs 23 november 1988, Rev. uit. DIP 1989, p. 372 m.nt. P-Y. Gautier (zie ook D. 1989, p. 342 m.nt. B. Audit; RIDA 140 (1989), p. 205).
Met 'lois d'application impérative' doelt de Cour de cassation waarschijnlijk gewoon op 'lois de police' ofwel regels van positieve openbare orde; 'ce flou linquistique ne doit pas masquer un très bel exemple de loi de poli-ce (...)', constateert Gautier in zijn noot onder het arrest in Rev. erit. DIP 1991, p. 753. Zie ook Seignette 1991, p. 221; De Boer 1993, p. 6.
Over de toepasselijkheid van de Berner Conventie in deze zaak, zie de annotatie van B. Audit in D. 1989, p. 345, en de annotatie van P-Y. Gaultier in Rev. erit. DIP 1989, p. 718. Vgl. ook Goldstein 2001, p. 128-129.
996. Morele rechten. Aan de 'auteur' kent de Berner Conventie in artikel 6bis ook een aantal zogeheten 'morele rechten' toe. Deze bepaling is in 1928 tijdens de Romeinse conferentie in de conventie opgenomen. De auteur kreeg toen "het recht om het vaderschap van een werk op te eischen, evenals het recht om zich te verzetten tegen elke misvorming, verminking of andere wijziging van dat werk, die nadeel zou kunnen brengen aan zijn eer of goeden naam.',1Terwijl de andere materiële bepalingen van de conventie betrekking hebben op de exploitatie van het werk, hebben de morele rechten derhalve betrekking op erezaken: intellectueel vaderschap en integriteit van het werk.2 De morele rechten zijn daarmee typische scheppersrechten. Zij staan volgens artikel 6bis geheel los van de exploitatierechten.
997. Vraagstelling. Zoals hierboven is uiteengezet, bepaalt de lex loci protectionis wie als auteur moet worden aangemerkt. Denkbaar is dus dat een nationale wet een ander dan de schepper als 'auteur' aanmerkt. Vraag: worden aan deze niet-scheppende 'auteur' dan niet alleen de exploitatierechten, maar óók de morele rechten verleend? Op het eerste gezicht lijkt een bevestigend antwoord voor de hand te liggen. De conventie gebruikt immers zowel in het kader van de exploitatierechten, als in het kader van de morele rechten dezelfde term 'auteur'. Toch is het de vraag of dit juist is.
998. Argument 1: ratio. Gelet op hun inhoud zijn de morele rechten immers zonder twijfel voor de schepper bestemd. Het is zijn eer die door de morele rechten wordt beschermd. Daarom zijn zij iure conventionis ook niet vervreemdbaar.3 De eer van de schepper wordt enerzijds beschermd door het recht om het intellectuele vaderschap van het werk op te eisen, welke mogelijkheid "surgit nécessairement et exclusivement du fait et acte, intime et personnel, de la création de l' cruvre."4 Anderzijds wordt zijn eer beschermd door de rechten die de integriteit van het werk hoeden. Het werk, zo merkten de verdragsopstellers op, weerspiegelt immers de persoonlijkheid van zijn schepper, hij leeft voort in zijn werk; een aantasting van het werk kan daarom als een schending van zijn persoonlijke integriteit worden gezien.5 De ratio van de morele rechten is derhalve gelegen in de bescherming van de eer van de schepper. Gelet op deze ratio horen zij niet in handen van een niet-schepper.6
999. Argument 2: travaux préparatoires. Uit de travaux préparatoires blijkt inderdaad ondubbelzinnig dat de verdragsopstellers met de 'auteur' in artikel 6bis doelden op de schepper. Zo wordt in het rapport van de desbetreffende subcommissie over de introductie van de bepaling gemeld:
"(...) il est désormais hors de doute que le créateur d'une oeuvre littéraire et artistique conserve sur le produit de sa pensée des droits qui sont au-dessus et en dehors des conventions d'aliénationy7
1000. Een verdragsautonome definitie. Tezamen genomen zijn dit sterke argumenten voor een verdragsautonome definitie van het begrip 'auteur' in artikel 6bis: onder de 'auteur' verstaat deze bepaling dan de schepper. Dat zou derhalve een ius conventionis-uitzondering zijn op het conventionele auteursbegrip, dat zoals eerder uiteengezet — de invulling van het begrip 'auteur' overlaat aan de lex loci protectionis.8
1001. Geen extrapolatie. Hier past een caveat Immers, de verleiding bestaat om de bedoeling van de stellers van artikel 6bis te extrapoleren buiten het kader van de morele rechten en te concluderen dat de conventie als geheel een verdragsautonome definitie van het begrip 'auteur' kent. Zo'n extrapolatie is ten onrechte. Nergens blijkt dat de stellers van artikel 6bis het aloude algemene uitgangspunt van de conventie dat ieder Unieland zelf bepaalt wie als 'auteur' moet worden aangemerkt, overboord hebben willen zetten. Ook van een stilzwijgende verlating van dit algemene uitgangspunt is geen sprake. In de eerste plaats ketst dit immers af op het uitdrukkelijke manifeste gebrek aan overeenstemming over de subject-vraag in zijn algemeenheid tijdens de latere conferenties.9 In de tweede plaats komt de voormelde bedoeling van de stellers van artikel 6bis naar voren in het door henzelf als geïsoleerd beschouwde — kader van de morele rechten. Hun debat was beperkt tot de morele rechten, waarvan — gelet op hun ratio — welhaast vanzelfsprekend is dat zij voor de schepper zijn bestemd. Bovendien lag de focus van hun debat op de inhoud van die rechten, niet op het subject daarvan, en al helemaal niet op het subject van de exploitatierechten. Van de (implicaties rond de) subject-vraag zijn de stellers van artikel 6bis zich niet bewust geweest. Waarschijnlijk hebben zij niet bij deze problematiek stilgestaan omdat auteur en schepper in de praktijk vrijwel altijd samenvielen.10 De argumenten die pleiten voor een verdragsautonoom auteursbegrip in artikel 6bis kan men derhalve niet doortrekken naar het auteursbegrip in de rest van de conventie.
1002. Voordeel verdragsautonome definitie. Keren wij terug naar deze verdragsautonome definitie in artikel 6bis. Het voordeel is duidelijk: de conventie dwingt tot verlening van morele rechten aan degene voor wie zij duidelijk bedoeld zijn: de schepper.
1003. Nadeel verdragsautonome definitie. Het nadeel van deze benadering is niettemin ook duidelijk. De conventie bezigt de term 'auteur' dan immers in twee verschillende betekenissen. In het kader van de exploitatierechten is de 'auteur' de originaire rechthebbende, nader aan te wijzen door de lex loci protectionis. In het kader van de morele rechten is de 'auteur' — de originaire rechthebbende van de morele rechten — de schepper van het werk. Het conventionele auteursbegrip wordt dan derhalve gesplitst.11 Terminologisch is deze benadering inconsistent.
1004. Dit bezwaar laat zich in zoverre ondervangen dat de conventie zelf, getuige artikel 6bis, morele rechten als een aparte categorie rechten met een afwijkend, specifiek karakter beschouwt, en uitdrukkelijk een onderscheid maakt tussen morele rechten en — in de rest van de conventie — exploitatierechten.12 In dat licht laat zich een onderscheid wat betreft de subject-vraag gemakkelijker rechtvaardigen.
1005. Bovendien is een zekere mate van onderscheid in het conventionele auteursbegrip welhaast onontkoombaar. Immers, stel dat een nationale wet in een bepaald zuiver-nationaal geval de exploitatierechten aan de werkgever verleent, en de morele rechten aan de scheppende werknemer. Hoe te handelen onder de vigeur van de conventie indien men vasthoudt aan een consistent conventioneel auteursbegrip? Exploitatierechten en morele rechten moeten dan aan dezelfde persoon de conventionele 'auteur' — worden verleend. Moet dan bijvoorbeeld de werkgever ook ten aanzien van de morele rechten als 'auteur' gelden? Dan blijft de werknemer onder deze wet als lex loci protectionis verstoken van morele rechten, hetgeen in strijd is met het in het beginsel van nationale behandeling besloten liggende non-discriminatiebeginsel. Om hieraan te ontsnappen zal men dus op zijn minst moeten dulden dat de nationale wet een verschillende invulling kan geven aan het conventionele begrip 'auteur' in het kader van exploitatierechten enerzijds en in het kader van morele rechten anderzijds. Daarmee is een begin van een onderscheid in het conventionele auteursbegrip gegeven. Ook wie een splitsing van het conventionele auteursbegrip niet aandurft, ontkomt derhalve niet aan het toestaan van deze splitsing op nationaal niveau — tenzij men de mogelijkheid van strijd met het fundamentele non-discriminatiebeginsel voor lief neemt.
1006. Conclusie. Het bezwaar tegen een verdragsautonoom auteursbegrip voor morele rechten — namelijk de splitsing van het conventionele auteursbegrip wordt door dit alles uiteindelijk niet weggenomen, maar het verliest aan kracht. Het bezwaar wordt m.i. zozeer ondervangen dat het niet opweegt tegen het voordeel van zo'n verdragsautonoom begrip, namelijk dat recht wordt gedaan aan de overduidelijke bedoeling van de stellers van artikel 6bis en aan de ratio van deze bepaling. M.i. wordt derhalve in artikel 6bis, in afwijking van de rest van de conventie, met de 'auteur' de schepper bedoeld. Deze splitsing van het conventionele auteursbegrip, hoezeer ook bezwaarlijk vanuit terminologisch oogpunt, doet enerzijds recht aan de eenstemmigheid van de verdragsopstellers wat betreft het subject van de morele rechten, en doet anderzijds recht aan de onenigheid van de verdragsopstellers over het subject van de exploitatierechten.13
1007. Huston-arrest. Vermeldenswaard is ten slotte de eigenzinnige weg die de Franse Cour de cassation insloeg in de Huston-zaak.14 Het hof draaide met een grote bocht om de hete brei heen en verklaarde botweg de Franse rechtsregels inzake morele rechten — inclusief de Franse subject-bepaling in dit verband — tot 'lois d'application impérative' die altijd in Frankrijk moeten worden toegepast.15 Onder de vigeur van de Berner Conventie is de tournure van de cassatierechter zowel onjuist als overbodig.16 Zij is onjuist voor wie in artikel 6bis een verdragsautonoom auteursbegrip ziet. De nationale kwalificatie tot 'lois d'application impérative' miskent immers deze verdragsautonome definitie, onderdeel van het dwingende ius conventionis. Zij is ook onjuist voor wie in artikel 6bis geen verdragsautonoom auteursbegrip ziet, maar de subject-vraag inzake de morele rechten gewoon verbuigt volgens de conflictregel in het beginsel van nationale behandeling, de lex loei protectionis-verwijzing. De nationale kwalificatie tot 'lois d'application impérative' miskent immers deze prevalerende conventionele conflictregel. Behalve onjuist, is de tournure bovendien overbodig Immers, zowel met de verdragsautonome definitie in artikel 6bis als met de lex loci protectionis-verwijzing zou men in de Huston-zaak tot hetzelfde resultaat zijn gekomen.