Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/6.2.2
6.2.2 De relativiteit van ongeschreven zorgvuldigheidsnormen
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS503652:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
HR 11 maart 1937, NJ 1937/899 m.nt. E.M. Meijers (Holdisco).
Volgens Lankhorst 1992, p. 24, is dit de enige principieel juiste beslissing. Anders: Meijers in zijn annotatie bij het arrest. Hij merkt op dat ‘een beperking der aansprakelijkheid, door na te gaan, wier belangen de norm beoogt te beschermen, alleen past bij sommige, publiekrechtelijke wettelijke voorschriften.’
Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 616 en HR 2 december 1994, NJ 1995/288 m.nt. J.M.M. Maeijer, r.o. 3.4.3 (Poot/ABP).
HR 30 september 1994, NJ 1996/196 m.nt. C.J.H. Brunner, r.o. 3.8.4 (Staat/Shell), HR 30 september 1994, NJ 1996/197 m.nt. C.J.H. Brunner, r.o. 3.8.4 (Staat/Duphar) en HR 30 september 1994, NJ 1996/198 m.nt. C.J.H. Brunner, r.o. 3.8.4 (Staat/Fasson). Vgl. nog HR 30 september 1994, NJ 1996/199 m.nt. C.J.H. Brunner, r.o. 4.3.2 en 5.1.1 (Van den Brink/Staat). Zie over deze arresten Schut 1997, p. 43-46.
In HR 27 januari 1984, NJ 1984/536 m.nt. W.C.L. van der Grinten (Verstekeling) oordeelde de Hoge Raad dat het onjuiste verkeersgedrag van de bestuurder van een bestelauto geen onrechtmatige daad oplevert tegenover een persoon die zich in de (niet voor vervoer van personen bestemde en ingerichte) laadruimte van die bestelauto bevond, omdat die bestuurder niet ‘bedacht hoefde te zijn op de aanwezigheid van mensen in de laadruimte van zijn auto, en in zijn verkeersgedrag dus ook niet met eventueel daaraan verbonden gevaren voor het welzijn van deze mensen rekening behoefde te houden’. Hierbij werd ervan uitgegaan – en dat is essentieel – dat de bestuurder niet wist van de aanwezigheid van de betreffende verstekeling.
HR 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7579, AB 2014/15 m.nt. C.N.J. Kortmann, JB 2013/43 m.nt. R.J.N. Schlössels, r.o. 3.11 (Amsterdam/Have) en HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1454, AB 2017/4 m.nt. C.N.J. Kortmann, O&A 2016/79 m.nt. S.A.L. van de Sande & D. van Tilborg (Graansma/Noordoostpolder)
Vgl. nog HR 3 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU3253, NJ 2006/325 m.nt. M.R. Mok, AB 2006/225 m.nt. G.A. van der Veen, JB 2006/69 m.nt. R.J.N. Schlössels, r.o. 3.3.4 (Staat/SFR) en HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3073, JB 2014/225 m.nt. S.A.L. van de Sande, r.o. 3.5 (Staat/Fabricom).
Het relativiteitsvereiste beperkt niet slechts de aansprakelijkheid voor irrelevante schendingen van wettelijke normen. Ook zorgvuldigheidsnormen zijn aan relativering onderhevig. Dit werd reeds duidelijk met het Holdisco-arrest van de Hoge Raad uit 1937 over het verstrekken van ‘ongerechtvaardigde inlichtingen’ over de gang van zaken bij een naamloze vennootschap.1 De ongeschreven zorgvuldigheidsnorm dat het een commissaris van zo’n vennootschap niet vrijstaat om zulke inlichtingen te geven, strekt volgens de Hoge Raad ‘ter bescherming niet alleen van den derde, aan wien de inlichtingen zijn verstrekt, doch ook van den ruimer kring van personen, waaronder zeker begrepen zijn lichamen, welke door middel van dien derde als hun vertegenwoordiger aan het verkeer deelnemen’.2 Er moet echter wel steeds sprake zijn van een specifieke zorgvuldigheidsnorm die jegens een bepaalde persoon in acht moet worden genomen: die persoon kan niet volstaan met het stellen van een schending van een zodanige norm jegens anderen.
Ongeschreven zorgvuldigheidsnormen worden voor het concrete geval in het leven geroepen met het oog op een bepaalde, unieke rechtsverhouding (zie paragraaf 4.7.7). Zij hebben betrekking op de zorgvuldigheid die (i) in een bepaalde verhouding (ii) tegenover een of meer bepaalde anderen (iii) behoort te worden betracht. Hieruit volgt dat deze normen naar hun aard niet strekken tot bescherming van de belangen van allen die schade lijden als gevolg van het feit dat de vereiste zorgvuldigheid tegenover die bepaalde anderen niet in acht is genomen.3 In zijn arresten van 30 september 1994 heeft de Hoge Raad enige algemene beschouwingen besteed aan de vraag wanneer een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, kan worden aangemerkt als een onrechtmatige daad.4 De Raad leert het volgende:
‘Of van zodanig handelen sprake is, hangt – in abstracto – daarvan af of de dader anders heeft gehandeld dan hij had moeten doen teneinde geen schade toe te brengen aan een bepaald belang van een ander dat hij had behoren te ontzien, waartoe dan ook mede is vereist dat hij dat belang kende of had behoren te kennen. Dergelijke normen strekken aldus uitsluitend ter bescherming van belangen van anderen waarop de dader bedacht moest zijn. Schendt hij een belang van een ander waarop hij niet bedacht behoefde te zijn, dan is derhalve niet voldaan aan het relativiteitsvereiste, zodat het mogelijk is te zeggen dat de dader niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens die ander; men kan dan evenwel even goed, zo niet beter zeggen dat de dader (in zoverre) niet onrechtmatig heeft gehandeld (vgl. HR 27 januari 1984, NJ 1984, 536).5 In dit opzicht bestaat een nauwe samenhang tussen onrechtmatigheid en relativiteitsvereiste.’
In algemene zin draait het dus erom of rechtens een verplichting bestaat om rekening te houden met bepaalde kenbare belangen van derden, in de zin dat de laedens daarop zijn handelen had dienen af te stemmen. Dit is de abstracte hoofdregel. In het kader van de aansprakelijkheid van de overheid geldt soms een verzwaarde variant van deze regel. Het enkele feit dat een kenbaar belang is geschonden, is bijvoorbeeld onvoldoende als het gaat om handelen van een bestuursorgaan rondom het nemen van een besluit, althans voor zover het de verhouding betreft tussen het bestuursorgaan dat dit besluit heeft genomen en personen die hierbij geen belanghebbende zijn in de zin van artikel 1:2 lid 1 Awb. Het rechtsfeit dat de belangen van de benadeelden niet ‘rechtstreeks bij het besluit zijn betrokken’ als bedoeld in artikel 1:2 lid 1 Awb leidt er niet toe dat een bestuursorgaan niet onrechtmatig jegens hen kan handelen door dit besluit te nemen. Ten opzichte van de voornoemde arresten van 30 september 1994 geldt in dit geval wel een gekwalificeerde en tot meer terughoudendheid nopende ingangsvoorwaarde, zoals blijkt uit de arresten Amsterdam/Have en Graansma/Noordoostpolder.6 Uit deze twee arresten volgt dat het denkbaar is dat de belangen van bepaalde ‘derden’, die kenbaar zijn voor het bestuursorgaan, in zodanige mate betrokken zijn bij een besluit, dat het bestuursorgaan ook jegens deze derden – afhankelijk van de verdere omstandigheden van het geval – in strijd kan handelen met (kort gezegd) een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm. De omstandigheid dat de benadeelden geen belanghebbenden in de zin van de Awb zijn, staat in dat geval niet zonder meer in de weg aan aansprakelijkheid,7 maar er moet dan wel een ‘zodanige mate’ van betrokkenheid zijn dat deze meebrengt dat het bestuursorgaan de belangen van de niet-belanghebbende (toch) had moeten ontzien en onrechtmatig heeft gehandeld door dit niet te doen.