De prioriteitsregel in het vermogensrecht
Einde inhoudsopgave
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/7.5:7.5 Slotsom
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/7.5
7.5 Slotsom
Documentgegevens:
mr. L.M. de Hoog, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. L.M. de Hoog
- JCDI
JCDI:ADS383439:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze komen immers ten aanzien van roerende zaken door levering door middel van constitutum possessorium en ten aanzien van vorderingsrechten zelfs geheel vormvrij tot stand.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De toepassing van de prioriteitsregel kan worden teruggevoerd op het absolute karakter van goederenrechtelijke rechten. Aangezien deze rechten tegen eenieder kunnen worden ingeroepen – waaronder dus ook tegen gerechtigden met een jonger recht op het goed – komt de prioriteitsregel tot uitdrukking doordat de later gerechtigden een eerder gevestigd recht tegen zich dienen te laten gelden. De toepassing van de prior-temporeregel is daarmee in beginsel beperkt tot het goederenrecht, doch verschijnt incidenteel ook daarbuiten waar de wet aan persoonlijke rechten een zekere absolute werking heeft toegekend.
De visie waarin de prioriteitsregel als een gevolg van de nemo-plusregel wordt beschouwd moet worden verworpen. Deze motivering vormt weliswaar een didactisch bruikbaar hulpmiddel ter verdediging van de prioriteitsregel, zij schiet evenwel dogmatisch gezien te kort en gaat uit van een te ruime lezing van de nemo-plusregel en een onjuiste constructie van het beperkte recht.
De kenbaarheid van oudere rechten speelt een fundamentele rol voor de rechtvaardiging van de prioriteitsregel. De stelling dat de prioriteitsregel zich laat rechtvaardigen met het feit dat de jonger gerechtigde zich op de hoogte had kunnen stellen van het oudere en daarmee sterkere recht, kan in lang niet alle gevallen standhouden. In elk van de besproken rechtsstelsels is de publiciteit van registergoederen weliswaar gewaarborgd door de openbaarheid van registers, goederenrechtelijke zekerheidsrechten op niet-registergoederen zijn veelal minder goed kenbaar. De overheersende indruk is dat het publiciteitsbeginsel heeft ingeboet ten gunste van het belang dat het financieringsverkeer hecht aan een snelle en eenvoudige wijze van zekerheidsneming. Dat verklaart dat men zich in Nederland van onkenbare stille pandrechten bedient, men zich in Duitsland nooit los heeft weten te maken van de fiduciaire eigendomsoverdrachten1 en men in Frankrijk aan de verpanding van een vordering derdenwerking toekent vanaf het moment waarop de akte tot stand komt. Een digitaal openbaar register zoals dat recent in Frankrijk en België ten aanzien pandrechten op roerende zaken is ingevoerd komt de kenbaarheid – en daarmee de gerechtvaardigde toepassing van de prioriteitsregel – ten goede. De huidige stand van de techniek staat zonder meer toe dat het publiciteitsbeginsel in theorie niet langer onder het belang van het financieringsverkeer hoeft te lijden.