Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/II.5.1
II.5.1 De uitgangspunten voor een wettelijke geschillenregeling
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS378567:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie Timmerman (2009), p. 7.
Timmennan (2009), p. 6. Hij vervolgde: 'Het (vennootschapsrecht, CB) kan zo aan een fatsoenlijke samenleving bijdragen.'
Timmerman (2009), p. 10.
Timmerman (2009), p. 13. Zie ook zijn oratie uit 2004 (gepubliceerd in 2005; Timmerman (2005), p. 5) waarin hij constateerde dat het Nederlandse vennootschapsrecht steeds meer door de vennootschap heen kijkt: 'Het is aan het verpersoonlijken. Het speelt meer op de man. Er vindt een verschuiving plaats van de hardware van de dogmatiek naar de software van het gedragsrecht.'
Uit de vorige paragraaf blijkt dat onder omstandigheden de inbreuk op het eigendomsrecht is gerechtvaardigd. De bescherming van art. 1 Eerste Protocol EVRM is namelijk niet absoluut. De gedwongen overdracht van aandelen kan echter niet zonder meer geschieden. De procedure dient met bepaalde waarborgen omgeven te zijn. Er gelden enkele uitgangspunten die aan een wettelijke geschillenregeling ten grondslag moeten liggen.
Over de noodzaak voor een wettelijke geschillenregeling schreef ik in § 1.2. De uitstoting of de uittreding van een aandeelhouder kan niet zonder meer geschieden. Omdat het gaat om een inbreuk op een eigendomsrecht, moet de procedure voldoende waarborgen behelzen. De rechtszekerheid behoort hierin een vooraanstaande plaats te krijgen. Dit uitgangspunt moet echter in de praktijk niet tot gevolg hebben dat de aandelenoverdracht door allerlei procedurele complicaties te lang op zich laat wachten. De vennootschap glijdt dan steeds verder richting het faillissement. Snelheid is dus eveneens geboden. Aan de verstoorde verhouding moet met een rechterlijk ingrijpen zo spoedig mogelijk een einde komen. Deze snelheid mag op haar beurt weer niet ten koste gaan van de zorgvuldigheid van de procedure. Het is zaak bij een gedwongen aandelenoverdracht een juiste balans te vinden tussen deze twee communicerende vaten. Pas dan voldoet de geschillenregeling aan de vereiste kwaliteit. In een met voldoende waarborgen omgeven procedure kan bij een geschil tussen de aandeelhouders binnen redelijke tijd de vereiste oplossing worden geboden.
In het wetsvoorstel Flex-BV wijst de wetgever erop dat voor de hierin opgenomen wijzigingen van de geschillenregeling het beginsel van flexibiliteit van toepassing is. Dit beginsel ligt ten grondslag aan het gehele wetsvoorstel. De flexibiliteit brengt een grote vrijheid voor de bij de Flex-BV betrokkenen mee, en met name voor de aandeelhouders. Voor de geschillenregeling betekent dit dat de autonomie van de aandeelhouders onverkort geldt. De statutaire of contractuele afspraken tussen de procespartijen gaan voor op de geschillenregeling. Een van de uitgangspunten van het algemeen burgerlijk recht, de contractsvrijheid, geldt vanzelfsprekend ook in de situaties waarvoor de geschillenregeling is geschreven. Het subsidiaire karakter van de wettelijke procedure wordt nogmaals benadrukt. Overigens betekent dit niet dat de aandeelhouder de toegang tot de wettelijke regeling mag worden onthouden. De dwingendwettelijke geschillenregeling komt hem op grond van art. 2:25 BW immer toe.
In de procedures van de geschillenregeling is sprake van een pluraliteit van belangen.1 De rechter dient deze (botsende) belangen zorgvuldig tegen elkaar af te wegen. Indien sprake is van een schending van de norm voor uitstoting (art. 2:336 BW) of uittreding (art. 2:343 BW), dan geeft hij voorrang aan het belang van de vennootschap of van de uittredende aandeelhouder. Deze belangen verdienen bescherming, en die bescherming wordt geboden met de ingrijpende maatregel van gedwongen aandelenoverdracht. Het bevel tot uitstoting of uittreding is in zo'n situatie gerechtvaardigd. De rechter moet deze belangenafweging in zijn motivering tot uitdrukking laten komen. Hij behoort transparant te maken welke omstandigheden hebben bijgedragen tot zijn oordeel. Het beginsel van rechtszekerheid is hiermee gediend.
De wettelijke geschillenregeling — in het bijzonder de uitstoting — maakt een inbreuk op het eigendomsrecht van de aandeelhouder. Zo'n inbreuk kan niet lichtvaardig geschieden. Naast een zorgvuldige procedure dient ook de norm van voldoende gewicht te zijn. Niet iedere misstap mag tot een uitstotings- of een uittredingsvordering leiden. De aandeelhouder moet begrijpen dat zijn gedrag niet passend is en niet zonder ingrijpende consequenties kan blijven. De norm bevat tevens een mate van verwijtbaarheid. Het gedrag van de aandeelhouder rechtvaardigt het gevolg dat hij zijn eigendom moet overdragen of een prijs moet betalen voor de aandelen van de uittreder. De keuzevrijheid van de aandeelhouder wordt door zijn eigen keuze ingeperkt. Met zijn gedrag heeft hij immers bewerkstelligd dat de uitstoting of de uittreding de enige uitweg uit de misère is.
Met de te schenden norm vormt de geschillenregeling een sanctionering van in het gedragsrecht neergelegde normen. Timmerman wees erop dat een belangrijke taak van het vennootschapsrecht is om de conflicten in goede banen te leiden door het uitdenken van bevoegdheidsregels en het voorschrijven van gedragsnormen.2 Twee van de door hem geformuleerde gedragsbeginselen komen in de uitstoting en de uittreding terug.3 Het belangenpluralisme en de hieruit voortvloeiende gedragsnormen vormen het eerste beginsel. Dit komt tot uitdrukking in de regel dat de rechter de onrechtmatige uitoefening van bevoegdheden zoveel mogelijk moet sanctioneren. Zo mag de meerderheidsaandeelhouder zijn macht niet ongebreideld aanwenden. Of, om met de woorden van Timmerman te spreken: 'De kern van recht is voor mij telkens weer een redelijke afweging van belangen.'4
Het tweede beginsel ziet op de bescherming van de eigendom van de aandelen. Dit speelt een rol tussen de meerderheids- en de minderheidsaandeelhouder.