Het hof heeft bevolen dat de in voorarrest doorgebrachte tijd op de taakstraf in mindering wordt gebracht naar de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag.
HR, 10-02-2026, nr. 24/03226
ECLI:NL:HR:2026:215
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10-02-2026
- Zaaknummer
24/03226
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:215, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑02‑2026; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:23
ECLI:NL:PHR:2026:23, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 13‑01‑2026
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:215
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2026-0050
Uitspraak 10‑02‑2026
Inhoudsindicatie
Mishandeling van ex-partner, art. 300.1 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten. 1. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat verdachte de mishandeling niet kan hebben gepleegd omdat hij t.t.v. delict elders was, art. 359.2 Sv. 2. Redengevendheid van aanvullende getuigenverklaring voor bewijs. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Ad 1. Hof heeft hetgeen door en namens verdachte naar voren is gebracht kennelijk opgevat als uos, inhoudende dat verdachte moet worden vrijgesproken wegens ontbreken van voldoende (wettig en) overtuigend bewijs. Die uitleg is, gelet op conclusie die raadsvrouw zelf aan haar pleidooi heeft verbonden, niet onbegrijpelijk. Hof heeft vervolgens gemotiveerd uiteengezet waarom het van oordeel is dat wel sprake is van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Uit die motivering blijkt dat hof meer waarde toekent aan verklaringen van aangeefster, getuige A en getuige B dan aan de door verdediging genoemde verklaringen van buren van verdachte. ’s Hofs motivering is, gelet op selectie- en waarderingsvrijheid van feitenrechter en hetgeen door of namens verdachte is aangevoerd, niet onbegrijpelijk. Ad 2. Hof heeft verklaring van getuige A als bewijsmiddel opgenomen. Deze verklaring houdt o.m. in dat zij zag dat 2 personen ruzie hadden, dat 1 van personen de ander beetpakte en met kracht op grond gooide en dat er vrouw overstuur en huilend naar haar toe kwam lopen. I.v.m. bewijsverweer van verdediging heeft hof kennelijk ook redengevend geacht dat man (kennelijk andere persoon) op zijn fiets stapte en wegfietste. Hof heeft aangegeven deze vaststelling te hebben ontleend aan aanvullende verklaring van getuige A. In dossier bevindt zich naast verklaring van getuige A die (deels) als b.m. is gebruikt, 1 aanvullende verklaring van getuige A. Met verwijzing naar die aanvullende verklaring heeft hof op niet onbegrijpelijke en toereikende wijze voldaan aan motiveringsvereisten voor redengevende feiten en omstandigheden in bewijsoverweging. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/03226
Datum 10 februari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 augustus 2024, nummer 21-004030-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) het in de zaak met parketnummer 05104661-23 bewezenverklaarde.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2026.
Conclusie 13‑01‑2026
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Jaddoe. Mishandeling (art. 300 Sr). Falende klacht over reactie hof op uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inhoudende dat de verdachte ten tijde van het plegen van het delict elders was, hetgeen door twee verschillende getuigen zou worden bevestigd. Ook voor zover het middel klaagt dat het hof een aanvullende verklaring van een getuige redengevend heeft geacht voor het bewijs, terwijl deze verklaring niet als bewijsmiddel is opgenomen en de vindplaats van het bewijsmiddel evenmin is aangegeven, faalt het. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/03226
Zitting 13 januari 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 14 augustus 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem (parketnr. 21-004030-23), wegens "opzettelijke handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering" en “mishandeling”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken met een proeftijd van drie jaren, met bijzondere voorwaarden zoals in het arrest vermeld, en een taakstraf voor de duur van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.1.Voorts heeft het hof aan de verdachte een dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
2. De bewezenverklaring en bewijsvoering van het hof
2.1
Ten laste van de verdachte is onder meer bewezenverklaard dat:
“hij op 20 april 2023 te [plaats] , [aangeefster] heeft mishandeld door die [aangeefster]
- bij de haren vast te pakken en aan de haren te trekken,
- tegen de (linker)schouder te stompen, en
- met kracht een knietje in de buik te geven.”
2.2
Het hof heeft daartoe de volgende bewijsmiddelen gebruikt:
“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte, proces-verbaalnummer PL0600-2023172943-2, afgesloten d.d. 20 april 2023, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1] , brigadier bij de Eenheid Oost-Nederland, (p. 5-7 van het politiedossier), voor zover inhoudende als verklaring van [aangeefster] , zakelijk weergegeven:
Plaats delict : (...) [plaats]
Op donderdag 20 april 2023 omstreeks 08.10 uur ben ik vertrokken vanuit mijn woonhuis aan de [a-straat 1] te [plaats] . Ik ben gaan wandelen.
Op het moment dat ik mij omdraaide zag ik iemand fietsen op het fietspad. Ik zag dat dit mijn ex betrof, genaamd [verdachte] , (...). Ik zag dat [verdachte] stopte en van zijn fiets af sprong. (...) Ik voelde op dat moment dat ik bij mijn haren werd vastgepakt en dat mijn haren naar beneden werden getrokken. Ik voelde vervolgens een stomp op mijn linker schouder. Ik voelde een knie in mijn buik. Ik zag dat [verdachte] terwijl hij mij nog vast had bij mijn haren, zijn linkerknie boog en deze met kracht naar voren bracht, waarna deze belandde in mijn buik.(...) van angst heb ik in mijn broek geplast.
2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige, proces-verbaalnummer PL0600-2023172943-9, afgesloten d.d. 20 april 2023, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 2] , hoofdagent bij de Eenheid Oost-Nederland, (p. 10-12 van het politiedossier), voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1] , zakelijk weergegeven:
Op donderdag 20 april 2023, tussen 08:00 en 08:30 uur, was ik aan het wandelen. (...) Ik zag in de verte twee personen, ik dacht (...) dat ze ruzie hadden over de honden.
Ik zag dat een van deze personen de ander beet pakte en met kracht op de grond gooide. (...) Ik zag dat er een vrouw overstuur en huilend naar mij toe kwam lopen. (...) Ik zag dat de vrouw uit angst in haar broek had geplast.
3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige, proces-verbaalnummer PL0600-2023172943-27, afgesloten d.d. 5 oktober 2023, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 3] , brigadier bij de Eenheid Oost-Nederland, (p. 19-21 van het aanvullende politiedossier), voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 2] , zakelijk weergegeven:
Op donderdag 20 april 2023 bracht ik mijn zoontje naar school. Ik fietste over de [b-straat] in [plaats] . Ik fietste vervolgens over een soort van fietspad / voetpad. Deze komt uit op de straat [c-straat] . Ik zag daar toen [verdachte] staan. Dit was omstreeks 08.10 uur. (...) Ik zag dat hij op een fiets zat. Ik zag dat hij aan het rond kijken was.
V: Hoe keek hij rond?
A: Een beetje verward.”
2.3
Het bestreden arrest houdt verder in:
“Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken ten aanzien van de mishandeling, omdat er onvoldoende overtuigend bewijs is dat verdachte de mishandeling heeft gepleegd.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.
[aangeefster] heeft in haar aangifte verklaard dat zij op straat is mishandeld door verdachte. De verklaring van aangeefster wordt ondersteund door de verklaring van [getuige 1] . [getuige 1] heeft kort na het gebeuren verklaard dat zij zag dat twee personen ruzie hadden en dat een van deze personen de ander beet pakte en op de grond gooide. Even later kwam er een vrouw huilend en overstuur naar haar toe gelopen. De vrouw bleek in haar broek te hebben geplast. In haar aanvullende verklaring heeft zij verklaard dat zij gezien heeft dat de vrouw op haar toe kwam lopen en dat de man op de fiets stapte en wegfietste. Voor het bewijs dat het verdachte is geweest die [aangeefster] heeft mishandeld vindt het hof steun in de verklaring van [getuige 2] die heeft verklaard dat hij rond het bewuste tijdstip verdachte op een fiets heeft gezien op het fietspad/voetpad in de buurt van de [b-straat] / [c-straat] te [plaats] . Verdachte keek daarbij een beetje verward in het rond. De stelling van verdachte dat hij niet degene is geweest die aangeefster heeft mishandeld omdat hij op het bewuste tijdstip thuis was, volgt het hof daarom niet.
Het hof acht het dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde mishandeling.”
2.4
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder in:
“Op vragen van de voorzitter verklaart verdachte, zakelijk weergegeven:
(…) Ik blijf er wel bij dat ik aangeefster niet heb mishandeld. Ik was die ochtend thuis tot de politie kwam. Ik was in de voortuin. U houdt mij de verklaring van de [getuige 3] voor. Die getuige is familie van aangeefster.
De raadsvrouw voert aan, zakelijk weergegeven:
De buurvrouw heeft op mijn verzoek een brief geschreven waarin staat dat hij mijn cliënt heeft gezien. De buurvrouw had op dezelfde dag al naar de politie gebeld om een verklaring af te leggen, maar toen werd gezegd dat het niet nodig was, omdat het bewijs al rond was.
Op vragen van de voorzitter verklaart verdachte voorts, zakelijk weergegeven:
U vraagt mij hoe het contact tot stand is gekomen met mijn buurvrouw. Ik had mijn buurvrouw gesproken en verteld wat er aan de hand was. Gaandeweg kwamen we er
achter dat het om die dag ging. Ik wist eerst niet meer dat het om die donderdagochtend ging. De buurman vertelde toen dat hij ook het een en ander had gezien. Ik blijf erbij dat ik er niet was en dat ik het ook niet heb gedaan. Aangeefster probeert mij al vijfeneenhalf jaar kapot te maken. Ik ben het helemaal zat. (…)”
Op vragen van de oudste raadsheer verklaart verdachte, zakelijk weergegeven:
U houdt mij voor dat de verklaringen van de getuige [aangeefster] en de [getuige 3] over dat ze mij hebben zien fietsen, op elkaar aansluiten. [getuige 3] is [aangeefster] . Die verklaring deugt niet. Ze verklaart dat ik op een fiets zou hebben gezeten die toen al kapot was. U houdt mij voor dat de [getuige 1] heeft verklaard dat zij een schermutseling heeft gezien en vraagt mij of ik heb gehoord wie daar dan wel bij betrokken zou zijn geweest. Ik ben alleen. Ik hoor nooit iets van mensen.
Op vragen van de advocaat-generaal verklaart verdachte, zakelijk weergegeven:
U houdt mij voor dat de [getuige 2] ook heeft verklaard dat hij mij heeft gezien. Dat kan niet. Ik stond toen te praten. Dat zei mijn buurvrouw. Ik snap ook niet dat iemand zijn telefoon pakt om te filmen, terwijl er iemand in nood is. Ik kan het niet zijn geweest, want ik was thuis.”
2.5
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze houdt onder meer in:
“In eerste aanleg is cliënt vrijgesproken van de mishandeling op zijn ex-partner. Cliënt ontkent ook ten stelligste dat hij dit heeft gedaan. Hij geeft ook aan dat hij niet bij haar in de buurt is geweest op dat moment. Cliënt zijn overbuurman en naaste buurvrouw geven aan dat zij cliënt hebben gezien ten tijde van het incident voor zijn eigen woning.
Cliënt zijn buurvrouw zegt dat zij in de ochtend om 08.10 uur met cliënt gesproken heeft voor zijn deur. Zijn buurvrouw zegt ook dat zij echt van de klok zijn omdat haar zoon autistisch is. Zij zijn dus heel punctueel qua tijdstippen. Zij geeft ook aan dat zij vervolgens cliënt naar binnen heeft zien gaan in zijn eigen woning. Dit wordt vervolgens bevestigd door zijn overbuurman.
Zijn overbuurman geeft aan dat hij cliënt vanaf 08.10 uur heeft gezien dat hij voor de woning met [betrokkene 1] de buurvrouw stond te praten en vervolgens cliënt binnen in zijn eigen woning heeft gezien. Bovendien geeft [verdachte] aan dat hij de fietsen van cliënt de hele tijd voor de deur heeft zien staan.
Uit deze verklaringen blijkt dat cliënt dus zijn woning of althans zijn tuin niet heeft verlaten rond het tijdstip waarop de mishandeling zou hebben plaatsgevonden.
Er zijn door de officier van justitie aanvullende verklaringen ingediend. Uit deze verklaringen blijkt dat zij de [verdachte] rond dat tijdstip hebben gezien bij het […] . Ik merk daarbij nog op dat [getuige 1] aangeeft dat zij de man niet kan omschrijven die de mishandeling zou hebben gepleegd. Zij stond op een behoorlijke afstand.
[getuige 3] betreft de schoonzus van [aangeefster] . De verdediging twijfelt aan de betrouwbaarheid van deze verklaring, nu zij en cliënt elkaar niet liggen. [getuige 3] zegt dat zij cliënt tussen 08.15 en 08.25 uur uit de […] heeft komen zien fietsen. Dit is exact hetzelfde moment als waarop cliënt met zijn buurvrouw in zijn eigen voortuin stond te praten.
[getuige 3] geeft bovendien aan dat hij op de elektrische fiets van zijn overleden moeder was. Ze benoemt nog specifiek dat hij deze keer niet op de racefiets was. Cliënt geeft aan dat deze elektrische fiets al lang kapot is en hij deze nog nooit heeft gemaakt. Bovendien is deze verklaring ook tegenstrijdig met hetgeen [getuige 2] verklaard. Hij geeft namelijk aan dat cliënt fietste op een verouderde sportieve fiets, normaal stuur, modelherenfiets. Dit komt niet met elkaar overeen.
[getuige 2] geeft bovendien aan dat hij omstreeks 08.10 uur zijn zoontje naar school bracht en dat hij rond 08.30 uur weer langs de plek fietste waar het incident zou hebben plaatsgevonden. Ook weer precies het moment waarop cliënt stond te praten met zijn buurvrouw en het moment waarop zijn buurman cliënt in de woning heeft gezien.
[aangeefster] is de enige die zegt dat zij is mishandeld door cliënt. Niemand anders heeft deze mishandeling gezien. Er zitten bovendien ook foto's van wondjes in het dossier en ik vraag mij af wanneer deze foto's genomen zijn. Het lijkt er namelijk ook dat er al een korstje op de wondjes zit. Bovendien passen de wondjes ook niet bij de handelingen die cliënt verricht zou hebben richting aangeefster. Aangeefster spreekt erover dat zij bij haar haren is gepakt en naar beneden is getrokken en een stomp op haar schouder heeft gekregen. Ik zie dan niet in hoe deze wondjes ontstaan zouden moeten zijn.
Al met al, zelfs na de aanvullende verklaringen, vindt de verdediging dat er te weinig overtuigend bewijs in het dossier zit. Het is geen populaire mening, maar cliënt heeft het idee dat zijn ex er alles aan doet om hem kapot te maken en cliënt is al heel erg gebroken. Cliënt heeft geen idee waarom aangeefster dit heeft gezegd en zou dit heel graag willen weten, al komt hij hier waarschijnlijk nooit achter. Wegens het ontbreken van overtuigend bewijs, ga ik u vragen om cliënt vrij te spreken van de mishandeling op [aangeefster] .”
2.6
Volgens voornoemd proces-verbaal van de terechtzitting heeft de raadsvrouw in aanvulling daarop medegedeeld:
“Ik hoor de advocaat-generaal nu zeggen dat het vreemd is dat de [getuige 4] zich de specifieke dag nog kan herinneren. Dat geldt ook voor de andere getuigen.”
3. Het middel
3.1
Het middel bevat de klacht dat het hof niet heeft gerespondeerd op het verweer dan wel uitdrukkelijk onderbouwde standpunt inhoudende dat de verdachte de tenlastegelegde mishandeling niet heeft gepleegd en ook niet heeft kunnen plegen omdat hij ten tijde van het delict elders was, hetgeen door twee verschillende getuigen is bevestigd. Voorts klaagt het middel dat het hof een aanvullende verklaring van de [getuige 1] redengevend heeft geacht voor het bewijs, terwijl deze verklaring niet als bewijsmiddel is opgenomen en evenmin de vindplaats van het bewijsmiddel is aangegeven.
3.2
Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de rechter die over de feiten oordeelt, beslist wat hij van het beschikbare bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. De feitenrechter hoeft deze beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal niet te motiveren. Dat is anders in een aantal specifiek gevallen, onder meer wanneer door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ten aanzien van het gebruikte bewijsmateriaal. Hoe ver die motiveringsplicht gaat, hangt onder meer af van de inhoud en indringendheid van de argumenten die zijn aangevoerd. Die motiveringsplicht gaat niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.2.
3.3
Het hof heeft hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht kennelijk opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, inhoudende dat de verdachte moet worden vrijgesproken wegens het ontbreken van voldoende (wettig en) overtuigend bewijs. Die uitleg is gelet op de conclusie die de raadsvrouw zelf aan haar pleidooi heeft verbonden niet onbegrijpelijk. Het hof heeft vervolgens gemotiveerd uiteengezet waarom het van oordeel is dat wél sprake is van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Uit die motivering blijkt dat het hof meer waarde toekent aan de verklaringen van de aangeefster, de [getuige 1] en de [getuige 2] dan aan de door de verdediging genoemde verklaringen van de buren van de verdachte. De klacht dat het hof niet heeft gereageerd op het door de verdediging ingenomen standpunt mist daarmee feitelijke grondslag. Bovendien is de motivering van het hof, mede in het licht van hetgeen onder 3.2 is vooropgesteld en hetgeen door en namens de verdachte is aangevoerd, niet onbegrijpelijk.
3.4
Wat betreft de tweede klacht geldt het volgende. De rechter die zich – al dan niet in reactie op een bewijsverweer – beroept op bepaalde niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens moet met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging (a) die feiten of omstandigheden aanduiden, en (b) het wettige bewijsmiddel aangeven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend.3.
3.5
Het hof heeft als bewijsmiddel 2 opgenomen de verklaring van de [getuige 1] . Deze verklaring houdt onder meer in dat zij zag dat twee personen ruzie hadden, dat een van de personen de ander beetpakte en met kracht op de grond gooide en dat er een vrouw overstuur en huilend naar haar toe kwam lopen. In verband met het bewijsverweer van de verdediging heeft het hof kennelijk ook redengevend geacht dat de man – kennelijk de andere persoon – op zijn fiets stapte en wegfietste. Het hof heeft aangegeven deze vaststelling te hebben ontleend aan de aanvullende verklaring van de [getuige 1] . In het aan de Hoge Raad toegezonden (overzichtelijke) dossier bevindt zich naast de verklaring van de [getuige 1] die (deels) als bewijsmiddel 2 is gebruikt, één aanvullende verklaring van de [getuige 1] .4.Met de verwijzing naar die aanvullende verklaring heeft het hof mijns inziens op niet onbegrijpelijke en toereikende wijze voldaan aan hetgeen hiervoor onder 3.4 is vermeld.
3.6
Het middel faalt.
4. Slotsom
4.1
Het middel faalt. Omdat het middel gaat over de bewezenverklaring van een feit waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken, ligt afdoening op de voet van art. 81 lid 1 RO niet voor de hand.5.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 13‑01‑2026
Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130.
Vgl. HR 24 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7985, NJ 2004/165 m.nt. J.M. Reijntjes, HR 23 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5858, NJ 2008/70 m.nt. M.J. Borgers en recenter HR 23 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:46.
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep volgt dat de korte inhoud van de stukken van de zaak, waaronder dus deze aanvullende verklaring, is medegedeeld.
HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40, NJ 2023/106 m.nt. N. Keijzer, r.o. 2.5.