Einde inhoudsopgave
RvdW 2026/367
Mishandeling van ex-partner, art. 300 lid 1 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten. 1. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat verdachte de mishandeling niet kan hebben gepleegd omdat hij t.t.v. delict elders was, art. 359 lid 2 Sv. 2. Redengevendheid van aanvullende getuigenverklaring voor bewijs. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Ad 1. Hof heeft hetgeen door en namens verdachte naar voren is gebracht kennelijk opgevat als uos, inhoudende dat verdachte moet worden vrijgesproken wegens ontbreken van voldoende (wettig en) overtuigend bewijs. Die uitleg is, gelet op conclusie die raadsvrouw zelf aan haar pleidooi heeft verbonden, niet onbegrijpelijk. Hof heeft vervolgens gemotiveerd uiteengezet waarom het van oordeel is dat wel sprake is van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Uit die motivering blijkt dat hof meer waarde toekent aan verklaringen van aangeefster, getuige A en getuige B dan aan de door verdediging genoemde verklaringen van buren van verdachte. ’s Hofs motivering is, gelet op selectie- en waarderingsvrijheid van feitenrechter en hetgeen door of namens verdachte is aangevoerd, niet onbegrijpelijk. Ad 2. Hof heeft verklaring van getuige A als bewijsmiddel opgenomen. Deze verklaring houdt o.m. in dat zij zag dat 2 personen ruzie hadden, dat 1 van personen de ander beetpakte en met kracht op grond gooide en dat er vrouw overstuur en huilend naar haar toe kwam lopen. I.v.m. bewijsverweer van verdediging heeft hof kennelijk ook redengevend geacht dat man (kennelijk andere persoon) op zijn fiets stapte en wegfietste. Hof heeft aangegeven deze vaststelling te hebben ontleend aan aanvullende verklaring van getuige A. In dossier bevindt zich naast verklaring van getuige A die (deels) als b.m. is gebruikt, 1 aanvullende verklaring van getuige A. Met verwijzing naar die aanvullende verklaring heeft hof op niet onbegrijpelijke en toereikende wijze voldaan aan motiveringsvereisten voor redengevende feiten en omstandigheden in bewijsoverweging. Volgt verwerping.
HR 10-02-2026, ECLI:NL:HR:2026:215
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10 februari 2026
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, C.N. Dalebout, F. Posthumus
- Zaaknummer
24/03226
- Conclusie
A-G mr. V.M.A. Sinnige
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2026:215, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑02‑2026
ECLI:NL:PHR:2026:23, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 13‑01‑2026
Essentie
Mishandeling van ex-partner, art. 300 lid 1 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten. 1. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat verdachte de mishandeling niet kan hebben gepleegd omdat hij t.t.v. delict elders was, art. 359 lid 2 Sv. 2. Redengevendheid van aanvullende getuigenverklaring voor bewijs. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Ad 1. Hof heeft hetgeen door en namens verdachte naar voren is gebracht kennelijk opgevat als uos, inhoudende dat verdachte moet worden vrijgesproken wegens ontbreken van voldoende (wettig en) overtuigend bewijs. Die uitleg is, gelet op conclusie die raadsvrouw zelf ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.