Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/5.2.4
5.2.4 Overige standpunten ten aanzien van de temporele reikwijdte van de 403-aansprakelijkheid en jurisprudentie die ik buiten beschouwing laat
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250190:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Beckman 1995a, p. 497-513. Beckman duidt deze standpunten aan als de a-2-B, b-1, b-2, b-3 en c-1 opvattingen.
Beckman 1995a, p. 530.
Rb. Den Haag 2 maart 2005, JOR 2005/116, m.nt. Harmsen (Uni-Invest/Content Beheer), r.o. 3.2, Hof Amsterdam (OK) 28 februari 2007, JOR 2007/145, m.nt. Van der Zanden (Van den Wildenberg/Van Wijnen Holding), r.o. 3.5, Rb. Den Haag 7 oktober 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BL3877(MFE/Katwijk Farma), r.o. 4.51,Hof Amsterdam 22 oktober 2019, JIN 2019/179, m.nt. Van der Kraan (Maison Zen beheer/Pauw), r.o. 3.19 en Hof Den Haag 25 juni 2019, JOR 2020/56, m.nt. van Dooren (ZOM), r.o. 3.20-3.22.
Zie § 2.3.6.c.
HR 28 juni 2002, NJ 2002/447, m.nt. Maeijer (Akzo/ING), r.o. 3.4.3. Ook gepubliceerd in JOR 2002/136, m.nt. Bartman.
Naast de vijf bovenstaande standpunten ten aanzien van de temporele reikwijdte van de 403-aansprakelijkheid, noemt Beckman nog een vijftal andere manieren hoe deze reikwijdte kan worden uitgelegd.1 De aansprakelijkstelling kan bijvoorbeeld zo worden uitgelegd dat de moedermaatschappij aansprakelijk is voor de schulden die voortvloeien uit een na de deponering van de 403-verklaring door de 403-maatschappij verrichtte rechtshandeling, vermeerderd met de op het moment van de deponering reeds bestaande uit rechtshandelingen voortvloeiende schulden onder tijdsbepaling, onder voorwaarde of periodieke betalingen die nadien opeisbaar worden. Daarnaast kan worden betoogd dat de 403-aansprakelijkheid de opeisbare schulden omvat die op het moment van de deponering van de 403-verklaring zijn voortgevloeid uit een daarvoor door de 403-maatschappij verrichtte rechtshandeling. Voorts kan art. 2:403 lid 1 sub f BW zo worden geïnterpreteerd dat een moedermaatschappij op grond van de 403-verklaring aansprakelijk is voor alle schulden die op het moment van de deponering van deze verklaring zijn voortgevloeid uit een daarvoor door de 403-maatschappij verrichtte rechtshandeling. Het is ook mogelijk om de 403-aansprakelijkheid van een moedermaatschappij zo uit te leggen dat deze de schulden omvat die zijn voortgevloeid en in de toekomst nog zullen voortvloeien uit de rechtshandelingen die de 403-maatschappij heeft verricht tot het moment dat de 403-verklaring is gedeponeerd. Tot slot kan worden betoogd dat de temporele reikwijdte van de aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring de schulden omvat die op het moment van de deponering van de 403-verklaring zijn voortgevloeid uit een daarvoor door de 403-maatschappij verrichtte rechtshandeling en de schulden die voortvloeien uit een nadien verrichtte rechtshandeling. Evenals Beckman laat ik deze standpunten echter buiten beschouwing omdat deze verder niet in de literatuur zijn verdedigd en mij ook geen jurisprudentie bekend is waar volgens een van deze standpunten is geoordeeld.2
Naast bovengenoemde standpunten ten aanzien van de temporele reikwijdte van de 403-aansprakelijkheid, laat ik ook een aantal rechterlijke uitspraken buiten beschouwing.3 Deze uitspraken hebben betrekking op een verklaring van aansprakelijkheid van de moedermaatschappij waarin expliciet is opgenomen dat de moedermaatschappij zich slechts aansprakelijk stelt voor de schulden die vanaf een bepaalde datum voortvloeien uit een rechtshandeling van de 403-maatschappij, respectievelijk voor de schulden die voortvloeien uit een rechtshandeling die de 403-maatschappij vanaf een bepaalde datum heeft verricht. Deze beperkingen met betrekking tot de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij zijn niet terug te vinden in art. 2:403 lid 1 sub f BW. Op grond van deze bepaling dient een moedermaatschappij zich hoofdelijke aansprakelijk te stellen ‘voor de uit rechtshandelingen van de [403-maatschappij] voortvloeiende schulden’. Ik heb eerder opgemerkt dat een dergelijk verklaring daarom niet kwalificeert als een 403-verklaring in de zin van art. 2:403 lid 1 sub f BW.4 Het betreft een zogenoemde ‘ontoereikende 403-verklaring’.
De rechters in bovengenoemde uitspraken hebben terecht geoordeeld dat de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij niet verder reikt dan uit de (tekst van de) desbetreffende verklaring volgt. Dit sluit aan bij het oordeel van de Hoge Raad in de Akzo/ING-beschikking dat crediteuren geen rechten kunnen ontlenen aan art. 2:403 BW, maar uitsluitend aan de gedeponeerde verklaring.5 In de uitspraken wordt echter geen oordeel gegeven over de temporele reikwijdte van de aansprakelijkheid van een moedermaatschappij op grond van een 403-verklaring in de zin van art. 2:403 lid 1 sub f BW. Om die reden laat ik deze uitspraken verder buiten beschouwing.
Ik merk op dat ook enkele andere uitspraken die in dit hoofdstuk wel aan de orde komen, betrekking hebben op een ‘ontoereikende 403-verklaring’. Bij die uitspraken heeft de rechter echter wel een oordeel gegeven over de temporele reikwijdte van de aansprakelijkheid van een moedermaatschappij op grond van een 403-verklaring in de zin van art. 2:403 lid 1 sub f BW.