Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/16.1:16.1 Inleiding
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/16.1
16.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS458848:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naast de ANBI-regeling kunnen kerkelijke en levensbeschouwelijke instellingen een belastingvoordeel genieten op grond van de eredienstvrijstelling in de onroerendezaakbelasting. ‘Onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, met uitzondering van delen ervan die dienen als woning’, zijn vrijgesteld van onroerendezaakbelasting. De grondslag voor dit belastingvoordeel is te vinden in artikel 2 sub g Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken1 en artikel 220d sub c Gemeentewet.2 Deze bepalingen overlappen elkaar. De eerste bepaling regelt dat er geen waarde wordt toegekend aan het (religieuze of levensbeschouwelijke) belastingobject en de tweede bepaling dat bij de vaststelling van de heffingsmaatstaf de waarde van het (religieuze of levensbeschouwelijke) belastingobject buiten beschouwing wordt gelaten. Het resultaat is dat kerkelijke, religieuze of levensbeschouwelijke instellingen geen onroerendezaakbelasting hoeven te betalen: de zogenaamde kerkenvrijstelling.3
Wanneer een kerkelijke, religieuze of levensbeschouwelijk instelling aanspraak wil maken op deze vrijstelling dient te zijn voldaan aan een aantal elementen die in het kader van de juridische uitleg van godsdienst interessant zijn. Zoals uit de wet blijkt moet de vrijstelling zijn aangevraagd ten aanzien van een ‘onroerende zaak die in hoofdzaak is bestemd voor de openbare eredienst of het houden van openbare bezinningssamenkomsten’. Dit levert in het kader van dit proefschrift vier kwalificatievragen op. Ten eerste wat een eredienst is, ten tweede wat een bezinningssamenkomst is, ten derde wat in dit verband een onroerende zaak is, en ten vierde wanneer een onroerende zaak in hoofdzaak geschikt is voor de eredienst of een bezinningssamenkomst. In paragraaf 16.2 bespreek ik de wijze(n) waarop naar aanleiding van deze vragen wordt gekwalificeerd en in paragraaf 16.3 behandel ik de legitimatie hiervan. Ter afsluiting volgt in paragraaf 16.4 een conclusie.