Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/7.5
7.5 De voorvragen van art. 348 Sv en beslissingen van art. 349 Sv
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
De politierechter en de kantonrechter buigen zich uiteraard ook over de vragen van art. 348-350 Sv (zie art. 367 en 398 Sv). De vragen van art. 348-350 Sv dienen in hoger beroep ook door het gerechtshof te worden nagelopen (art. 422 lid 2 Sv). Gemakshalve spreek ik hier verder van de rechtbank.
Een reden voor schorsing doet zich gelet op art. 16 lid 1 Sv voor 'indien de verdachte aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens lijdt, dat hij niet in staat is de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen'. Zie over deze weinig gebruikte bepaling Moncada Castillo, Van der Wolf, Van Marie en Mevis, 'Psychisch gestoorde verdachten. Artikel 6 EVRM vraagt om herijking van de Nederlandse antwoorden op procesonbekwaamheid', Strafblad 2010, p. 320-336.
Zie Rb Amsterdam 3 april 2009, RF 2009/51, par. 2.1.7 en Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht (2008), p. 558-561.
Zie Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht (2008), p. 559.
Waarom dit het geval is, is na te lezen in de conclusie van A-G Machielse bij BR 28 juni 2005, LJN AT7301.
Een verdachte kan niet ten laste worden gelegd dat hij opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen geldbedrag voordeel heeft getrokken (art. 416 lid 2 Sr) door dit geldbedrag aan te nemen (art. 416 lid 1 Sr). Zie BR 1 juli 1981, NJ 1981/637. Uiteraard kunnen de delicten van art. 416 lid 1 en lid 2 Sr wel alternatief ten laste worden gelegd. Er volgt dan tenminste voor één van die twee feiten vrijspraak.
HR 20 maart 2001, NJ 2001/330.
HR 9 november 2004, NbSr 2004/470.
Een voorbeeld hiervan is te vinden in Rb Amsterdam 3 april 2009, RF 2009/51. De rechtbank achtte de zeer uitgebreide tenlastelegging die zag op schending van de meldingsplicht van art. 46b Wte 1995 (oud) en handel met voorwetenschap in effecten, strafbaar gesteld bij art. 46 Wte 1995 (oud) nog wel voldoende duidelijk en niet innerlijk tegenstrijdig.
Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht (2008), p. 560.
HR 27 juni 1995, NJ 1996/127.
In een vervolging ter zake van belediging was in de tenlastelegging als strafverzwarende omstandigheid in de zin van art. 267 Sr vermeld dat de belediging plaatsvond 'gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening'. Die omschrijving vond de Hoge Raad toereikend (IR 17 november 1992, NJ 1993/275).
Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht (2008), p. 566.
Koopmans, Het beslissingsmodel van art. 348/350 Sv (2010), p. 24-26.
Koopmans, Het beslissingsmodel van art. 348/350 Sv (2010), p. 29.
Ingevolge art. 348 Sv onderzoekt de rechtbank1 op de grondslag van de telastlegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting de geldigheid van de dagvaarding, haar bevoegdheid tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de ontvankelijkheid van de officier van justitie en of er redenen zijn voor schorsing van de vervolging.2Art. 349 lid 1 Sv verbindt de volgende gevolgen aan een negatief antwoord op de eerste drie vragen of een positief antwoord op de laatste vraag: het uitspreken van de nietigheid van de dagvaarding, van de onbevoegdheid, van de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, of van de schorsing van de vervolging. De rechtbank dient deze vier voorvragen ook in deze volgorde te beantwoorden. Zij dient zich dus eerst uit te spreken over de geldigheid van de dagvaarding alvorens zij kan toekomen aan haar bevoegdheid kennis te nemen van het tenlastegelegde feit. Indien de dagvaarding zo onduidelijk is dat niet valt vast te stellen welk feit nu tenlaste wordt gelegd kan de rechtbank immers niet vast stellen of zij al dan niet bevoegd is. De volgorde van beantwoording geeft ook aan hoe belangrijk de tenlastelegging is. Het is ook op de grondslag van de tenlastelegging dat de rechtbank al dan niet tot een veroordeling komt, zo volgt uit art. 350 Sv.
De geldigheid van de dagvaarding heb ik hiervoor al kort besproken. Ik zal nu met het oog op de toepassing van art. 348 Sv wat uitgebreider ingaan op de tenlasteleggingsfunctie van de dagvaarding. Ingevolge art. 261 lid 1 Sv behelst de dagvaarding een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd, met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn en vermeldt zij de wettelijke voorschriften waarbij het feit is strafbaar gesteld. Een dagvaarding met een tekortschietende tenlastelegging kan niet fungeren als grondslag voor een terechtzitting en is daarom nietig. Uit de literatuur en jurisprudentie volgt dat er drie categorieën van gevallen zijn waarin de omschrijving van het feit onvoldoende duidelijk is:
de tenlastelegging behelst een onvoldoende geconcretiseerde feitomschrijving, zij is onvoldoende feitelijk;
de tenlastelegging is innerlijk tegenstrijdig en om die reden onbegrijpelijk;
de tenlastelegging levert een onbegrijpelijk samenstel van woorden op; zij is redactioneel ontspoord en wel zo ernstig, dat daaraan geen touw valt vast te knopen. In dit geval spreekt men wel van een obscuur libel.3
Een tenlastelegging is voldoende feitelijk als bedoeld in art. 261 lid 1 Sv, indien de rechter op basis van de tenlastelegging weet wat hij moet onderzoeken en de verdachte voldoende duidelijk is waarvan hij wordt beschuldigd. De beschuldiging moet in voldoende precieze termen worden geformuleerd, zodat verdachte daaruit kan begrijpen waarvoor hij zich moet verantwoorden, en zodat hij zich op een adequate wijze tegen de aanklacht kan verdedigen. Duidelijk zal moeten zijn waar en wanneer het feit is gepleegd. Een tijds- en plaatsaanduiding kan algemener zijn wanneer het gaat om een eenmalige gedraging, dan wanneer het gaat om bijvoorbeeld een gewoonteheler die dagelijks gestolen fietsen opkoopt. In het laatste geval zal eerst de gewenste duidelijkheid ontstaan indien wordt omschreven welke fiets hij (van wie) heeft gekocht op welke dag.4 Het eenvoudigweg overnemen van de kwalificatie van een delict is verboden. Nu een kwalificatie uit een bewezenverklaard (complex van) handelen of nalaten volgt, zal in beginsel dit handelen of nalaten in de tenlastelegging genoemd moeten worden om voldoende feitelijk te zijn. Het in de tenlastelegging letterlijk opnemen van termen uit de delictsomschrijving is vaak echter evenzeer uit den boze, omdat veel termen feitelijk ingevuld zullen moeten worden. Welke termen uit een delictsomschrijving wel en welke niet kunnen worden gebezigd in een tenlastelegging is niet op voorhand duidelijk. Zo zijn de termen ontucht en seksuele gedragingen onvoldoende feitelijk, maar is de term seksueel binnendringen volgens de Hoge Raad wel voldoende feitelijk.5 Een tenlastelegging is innerlijk tegenstrijdig, als daarin naast elkaar twee mogelijkheden worden gepresenteerd die niet naast elkaar kunnen bestaan.6 Bij de beoordeling van de vraag of de tenlastelegging voor de verdachte begrijpelijk is, moet de tenlastelegging als geheel worden beschouwd. Ook de inhoud van de door de verdediging overgelegde pleitnota mag in de beoordeling van het nietigheidsverweer worden meegenomen,7 net als de door de verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaring.8
De grondslagleer, die — zoals ik in hoofdstuk 2 heb betoogd — zeker niet noodzakelijkerwijs voortvloeit uit art. 6 lid 3, onderdeel a, EVRM, heeft als ernstig nadeel dat tenlasteleggingen nogal eens uitermate gecompliceerd zijn.9 De officier van justitie formuleert veelal in zijn tenlastelegging allerlei alternatieve en subsidiaire feitelijke en rechtsgronden om te voorkomen dat de rechter concludeert tot een feitelijke gang van zaken die weliswaar dicht aanligt tegen hetgeen in de tenlastelegging naar voren wordt gebracht, maar niet door de bewoordingen ervan wordt gedekt. De verlangde duidelijkheid is dan afwezig, aldus Corstens.10 Pogingen om tot een vereenvoudiging te komen, mede door met kwalificatietermen te werken die ook gangbaar zijn in het dagelijks taalgebruik, zijn slechts deels succesvol gebleken. Zo werd de tenlastelegging die inhield dat de verdachte op 1 januari 1994 in Hilversum een compactdiscspeler had gestolen van M.J.H.J. Geurts bij een inbraak in zijn woning door de Hoge Raad afgeschoten. Die oordeelde dat stelen nog wel voldoende feitelijk was, maar dat het gedeelte 'bij een inbraak in zijn woning' geen feitelijke gedraging van de verdachte bevatte.11
De in art. 261 lid 2 Sv geformuleerde eis dat wordt vermeld onder welke omstandigheden het delict is begaan, wordt niet met nietigheid bedreigd. Zo wordt minder zwaar getild aan het niet feitelijk omschrijven van een strafverzwarende omstandigheid.12 Dit hangt wellicht ook samen met het gegeven dat, indien uit het onderzoek niet in de dagvaarding vermelde omstandigheden bekend zijn geworden die volgens de wet grond opleveren tot strafverzwaring, de officier van justitie bevoegd is deze alsnog mondeling ten laste te leggen (art. 312 Sv). Een dergelijke wijziging leidt niet tot schorsing van het onderzoek ter zitting, want art. 314 Sv ziet alleen op art. 313 Sv. Teneinde niet in strijd te komen met art. 6 lid 3, onderdeel a, EVRM is het raadzaam om de tenlastelegging niet aan te passen op de voet van art. 312 Sv in verstekzaken, maar in die gevallen art. 313 Sv toe te passen.13 Daarbij zij opgemerkt dat ook art. 314 lid 2 Sv voorziet in de mogelijkheid het onderzoek na wijziging van de tenlastelegging bij verleend verstek toch voort te zetten indien de verdachte daardoor niet wordt benadeeld. Te denken valt aan een wijziging van de tenlastelegging ten gunste van de verdachte. Art. 313 Sv, welke bepaling in de volgende paragraaf aan de orde komt, bevat ook meer mogelijkheden tot wijziging van de tenlastelegging dan art. 312 Sv. Indien in de oorspronkelijke tenlastelegging is volstaan met de omschrijving van het feit als in het bevel tot gevangenneming of gevangenhouding (art. 261 lid 3 Sv) dan wordt de tenlastelegging op de voet van art. 313 Sv alsnog in overeenstemming gebracht met de eisen van art. 261 lid 1 en lid 2 Sv. In een dergelijk geval moet in verstekzaken altijd worden geschorst (art. 314a lid 2 Sv). Indien de verdachte in verzet is gekomen tegen een strafbeschikking wordt hij niet gedagvaard maar opgeroepen, tenzij de officier de strafbeschikking intrekt. De omschrijving van de gedraging in de oproeping wordt daarbij als tenlastelegging aangemerkt (art. 257f lid 3 Sv). Indien het verzet niet tijdig of onbevoegdelijk is gedaan dan wel niet aan de vereisten van art. 257e lid 4 Sv is voldaan, wordt het niet ontvankelijk verklaard. Indien de rechter de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie uitspreekt, dan wel de verdachte vrijspreekt, ontslaat van alle rechtsvervolging of veroordeelt, vernietigt hij de strafbeschikking (art. 257f lid 4 Sv).
Het tweede en derde lid van art. 349 Sv geven enige vingerwijzingen waar het gaat om de bevoegdheid van de rechtbank en de ontvankelijkheid van de officier van justitie. Indien een feit dat ingevolge art. 382 Sv voor de kantonrechter moet worden vervolgd, bij een andere kamer van de rechtbank aanhangig is gemaakt, kan het feit op verzoek van de verdachte of ambtshalve worden verwezen naar de kantonrechter. Zodanige verwijzing is niet mogelijk, indien primair een feit is ten laste gelegd dat ingevolge artikel 382 niet voor de kantonrechter wordt vervolgd (art. 349 lid 2 Sv). Ingeval de officier van justitie op grond van art. 264 lid 2, onderdeel b, Sv, weigert een door de rechter gegeven bevel tot dagvaarding of oproeping van een getuige ten uitvoer te leggen, terwijl die getuige ingevolge een onherroepelijke rechterlijke beslissing geen bedreigde getuige of afgeschermde getuige wiens identiteit verborgen wordt gehouden is, spreekt de rechtbank de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn vervolging uit (art. 349 lid 3 Sv). Er zijn nog veel meer gronden voor niet-ontvankelijkheid van het OM. Koopmans onderscheidt vier categorieën gevallen.14 De eerste is de categorie gevallen dat het recht tot strafvervolging als zodanig ontbreekt. Te denken valt aan verjaring en aan ne bis in idem. Een tweede categorie gevallen is de niet-ontvankelijkheid van het OM die het Wetboek van strafvordering verbindt aan bepaalde acties of nalatigheden van processuele aard, bijvoorbeeld de kennisgeving van niet-verdere vervolging en de verklaring dat de zaak geëindigd is. De derde categorie vormt de niet-ontvankelijkheid die volgt uit bijzondere wetten. Denk aan una via-regelingen. De vierde categorie is de niet-ontvankelijkverklaring wegens het verzuim van vormen (art. 359a lid 1 Sv). De beginselen van een behoorlijke procesorde zijn aan het begin van dit hoofdstuk aan bod gekomen. Schending van die beginselen kwalificeren als een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek dat niet meer kan worden hersteld. Ingevolge art. 359a lid 1, onderdeel c, Sv is de sanctie daarop niet noodzakelijkerwijs een niet-ontvankelijkverklaring van het OM. Pas indien door het verzuim geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet is deze meest zware sanctie op zijn plaats. De strafrechter komt in dat geval immers niet meer aan de inhoud van de zaak toe. Bij minder ernstige verzuimen kan door de strafrechter ook worden gekozen voor strafverlaging of bewijsuitsluiting. Een schending van de beginselen van behoorlijke procesorde kan zich derhalve afhankelijk van de aard en de ernst ervan vertalen in een ontvankelijkheidsbeslissing als bedoeld in art. 348 Sv of een rol spelen bij de beantwoording van de vragen van art. 350 Sv. Niet elke niet-ontvankelijkverklaring van het OM levert een definitieve afdoening van de (mogelijkheid tot het entameren van een) strafzaak op. Een niet-ontvankelijkverklaring is namelijk niet een uitspraak over het feit als bedoeld in art. 68 Sr. Koopmans noemt hier de herleving wegens afstand van diplomatieke onschendbaarheid, de herleving wegens naturalisatie van de buitenlander die eerder buiten Nederland een delict pleegde en de herleving wegens het alsnog indienen van een klacht ter zake van een klachtdelict.15 Maatstaf is dus of de reden waarom het OM niet-ontvankelijk is verklaard is te herstellen of niet.