Sfeerovergangen in de winstsfeer
Einde inhoudsopgave
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/9.3.3:9.3.3 Grensoverschrijdende sfeerovergangen
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/9.3.3
9.3.3 Grensoverschrijdende sfeerovergangen
Documentgegevens:
Mr. dr. B.F.M. Coebergh, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
Mr. dr. B.F.M. Coebergh
- JCDI
JCDI:ADS630536:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het tweede type sfeerovergang dat ik heb onderzocht, is de internationale sfeerovergang van een onderneming. Bij het vervallen van een vrijstelling gaat het primair over de vraag of de totaalwinst juist wordt bepaald en of er geen voordelen in de heffing worden betrokken die toerekenbaar zijn aan de onbelaste periode. Omdat er bij een dergelijke sfeerovergang een onbelaste periode is te definiëren, is het terecht dat over een deel van de voordelen geen heffing plaatsvindt. Bij een grensoverschrijdende sfeerovergang ligt dit anders. Er is geen sprake van een onbelaste periode. Wel moet dan worden voorkomen dat er dubbele heffing plaatsvindt, of dat er een heffingslek ontstaat. In internationaal verband speelt er dus ook nog een andere dynamiek: het verdelen van de heffingsbevoegdheid tussen landen en daarmee de belastingopbrengst.
In mijn onderzoek heb ik de volgende grensoverschrijdende sfeerovergangen onderzocht: (i) de overdracht van vermogensbestanddelen van hoofdhuis naar vaste inrichting en vice versa, (ii) de feitelijke leiding van een lichaam wordt verplaatst naar of uit Nederland waardoor de subjectieve belastingplicht aanvangt (immigratie) of eindigt (emigratie), of (iii) het belastingverdrag wijzigt waardoor de verdeling van heffingsrechten onder het toepasselijke belastingverdrag verandert. Bij de behandeling van de grensoverschrijdende sfeerovergangen is daarom ook de volgende subonderzoeksvraag aan de orde gekomen: Welke additionele regels gelden er bij een sfeerovergang binnen de Europese Unie?
De internationale sfeerovergangen hebben een grote gelijkenis met de binnenlandse sfeerovergangen. Bij de overdracht van vermogensbestanddelen van hoofdhuis naar vaste inrichting behoudt Nederland bijvoorbeeld ook het heffingsrecht over de latente meerwaarde die is opgebouwd in de binnenlandse belastingplichtige periode. Uit de onderzochte jurisprudentie concludeer ik dat de Hoge Raad bij de allocatie van voordelen aan een jurisdictie kijkt naar de periode waarin het voordeel is opgekomen en derhalve het veroorzakingsbeginsel toepast. Als de belastingplichtige nexus in land A had toen het voordeel opkwam, dan is het voordeel ook aan dat land toerekenbaar. Het daadwerkelijke realisatiemoment is niet van doorslaggevend belang. Toepassing van het veroorzakingsbeginsel leidt ertoe dat de aan Nederland toerekenbare winst op een adequate manier wordt bepaald, omdat voor de voordelen die niet door de bedrijfsuitoefening in Nederland worden veroorzaakt een vrijstelling wordt verleend.
De hoofdregel dat alle vermogensbestanddelen op de fiscale openings- of slotbalans gewaardeerd moeten worden op de waarde in het economische verkeer, geldt ook bij grensoverschrijdende sfeerovergangen. Tussen de binnenlandse en de internationale sfeerovergang is er echter wel een belangrijk verschil. Zelfgevormde goodwill en andere zelf ontwikkelde immateriële activa mogen in geval van een binnenlandse sfeerovergang bij het ontstaan van belastingplicht door toepassing van BNB 1991/91 of artikel 33 Wet Vpb 1969 vaak niet worden geactiveerd tegen de waarde in het economische verkeer. Deze beperkingen zijn niet van toepassing bij sfeerovergangen in internationale situaties. Het verschil in behandeling tussen de grensoverschrijdende en binnenlandse sfeerovergang kan worden verklaard door het verschil in achtergrond van de fiscale regels. Bij de internationale sfeerovergang moet de heffingsbevoegdheid (en daarmee de belastingopbrengsten) tussen landen worden verdeeld. Een land heeft in beginsel heffingsrecht over het inkomen dat besloten ligt in de waarde van een immaterieel activum dat in zijn jurisdictie is ontwikkeld of waar een inwoner van die jurisdictie eigenaar van was. Een complicerende factor bij buitenlandse sfeerovergangen is het (mogelijk) verschil van inzicht van de lidstaten over de waarde van de vermogensbestanddelen.
Exitheffingen en de vrijheid van vestiging
Op het moment dat een onderneming Nederland verlaat, geldt een exitheffing. Hierdoor behoudt Nederland het heffingsrecht over hier opgebouwde vermogensmutaties. Uit mijn analyse in paragraaf 4.5.1 blijkt dat een exitheffing niet kan worden gemist bij het behouden van heffingclaims en het bestrijden van internationale belastingontwijking. In de ATAD-richtlijn is daarom een verplichte afrekening en step-up tegen de waarde in het economische verkeer opgenomen. Tegen de exitheffing kan worden ingebracht dat ze een belemmering vormt voor de uitoefening van de vrijheid van vestiging. Het HvJ EU heeft bepaald dat weliswaar sprake is van een belemmering van de vrijheid van vestiging, maar dat deze belemmering is gerechtvaardigd, mits de exitheffing aan bepaalde voorwaarden voldoet. Zo moet de belastingclaim gespreid kunnen worden voldaan.
Een vraag is hoe omgegaan moet worden met een waardedaling van een vermogensbestanddeel die optreedt na een grensoverschrijdende sfeerovergang. Uit de jurisprudentie van het HvJ EU blijkt dat een exitheffing over in privé gehouden aandelen in beginsel niet gerechtvaardigd is als in zowel het vertrekland als het ontvangstland geen rekening wordt gehouden met een na emigratie opgekomen waardevermindering (N-zaak). Door het HvJ EU is dit wel genuanceerd, in die zin dat de vraag of daadwerkelijk rekening moet worden gehouden met de waardedaling, afhankelijk is van het moment waarop het nationale heffingsrecht wordt geëffectueerd. Bij inningsuitstel hoeft volgens het Hof geen rekening te worden gehouden met na de emigratie ontstane waardedalingen; bij belastinguitstel moet dat wel. De Nederlandse wetgever heeft naar aanleiding van deze jurisprudentie voor het aanmerkelijk belang een tegemoetkoming gegeven in geval van een waardedaling. Hierdoor blijft heffing beperkt tot het daadwerkelijk gerealiseerde voordeel. Ook hier is sprake van een inbreuk op het systeem: na de sfeerovergang opgekomen waardeveranderingen worden namelijk wel in aanmerking genomen. Vanuit het perspectief van de belastingplichtige is het terecht dat rekening wordt gehouden met een nadien opgetreden waardedaling. Zijn belastingdruk moet immers in verhouding zijn tot het gerealiseerde rendement. Als de waardedaling echter haar oorzaak vindt in omstandigheden (bijvoorbeeld gebruik of een marktmutatie) die zich voordoen in de periode waarin de ontvangststaat het heffingsrecht heeft, dan zou de ontvangststaat deze waardedaling in aanmerking moeten nemen, omdat deze niet haar oorzaak vindt in de Nederlands periode. Voornoemde uitzondering geldt niet voor de winstbelastingen. In National Grid Indus heeft het HvJ EU namelijk beslist dat bij ondernemingen de vertrekstaat geen rekening hoeft te houden met een na emigratie opgekomen waardedaling. Het is onduidelijk waarom het HvJ EU een verschil maakt tussen de emigratie van een natuurlijk persoon (N-zaak) en die van een vennootschap (National Grid Indus).
ATAD-richtlijn
Doordat ieder land zelf zijn exitheffing mocht vormgeven, kon er sprake zijn van een situatie waarin geen heffing plaatsvond of juist een dubbele heffing binnen de EU plaatsvond. Dubbele heffing kon zich voordoen wanneer het vertrekland de vermogenswinst berekende op het moment van de (fictieve)vervreemding en het ontvangstland de volledige vermogenswinst, van verwerving tot werkelijke vervreemding, belastte (dus geen step-up). Ook als de landen wel hetzelfde systeem hanteerden, kon er dubbele (niet)-heffing ontstaan, als er verschil van inzicht was tussen de lidstaten over de waarde van de vermogensbestanddelen op het moment van de sfeerovergang. In de ATAD-richtlijn is daarom bepaald dat lidstaten exitheffingen moeten invoeren bij sfeerovergangen binnen de EU. Het andere land dient een verplichte step-up naar de waarde in het economische verkeer te verlenen. Het ontvangstland hoeft de vertrekwaarde echter niet te volgen, als deze de waarde in het economische verkeer niet reflecteert. De exitheffing in de ATAD-richtlijn komt overeen met de benadering van het HvJ EU in zijn jurisprudentie over de werking van de EU-verdragsvrijheden op het vlak van de exitheffingen. Nederland kent al een dergelijke exitheffing en heeft derhalve op dit punt geen aanpassingen in zijn nationale wetgeving hoeven door te voeren. Daarnaast geldt dat op grond van de totaalwinstbepaling een fiscale openingsbalans moet worden opgesteld bij aanvang van de belastingplicht, zodat Nederland ook aan het step-up vereiste voldoet. Wel diende er een aanpassing in de Invorderingswet te komen.
Toerekening van het verlies aan het ontvangstland kan voor de belastingplichtige nadelig zijn indien de onderneming na de emigratie te weinig winst maakt om de waardedaling mee te kunnen verrekenen. Vanuit het territorialiteitsbeginsel is dat effect te rechtvaardigen, omdat de waardedaling is opgekomen in het ontvangstland. Doordat nu binnen EU-verband wordt uitgegaan van dezelfde waarde, hebben de fiscale openingsbalans en slotbalans– in tegenstelling tot bij louter binnenlandse situaties – voor de onderneming een beperkter effect, omdat altijd ergens rekening wordt gehouden met na emigratie opgetreden waardedalingen. Maar ook hieruit blijkt dus dat het onevenredig is als nergens rekening wordt gehouden met waardedalingen die plaatsvinden na een sfeerovergang.
In geval van een sfeerovergang waarbij een derde land is betrokken, is het nog steeds mogelijk dat bij een emigratie vanuit Nederland dubbele heffing plaatsvindt. Ook is het mogelijk dat er bij een immigratie naar Nederland geen heffing plaatsvindt als het vertrekland geen exitheffing kent dan wel uitgaat van een andere exitwaarde. Internationaal is er derhalve nog steeds sprake van een onwenselijke uitkomst.
Wijziging van het toepasselijke belastingverdrag
Bij de sfeerovergang omdat het belastingverdrag wijzigt waardoor de verdeling van heffingsrechten onder het toepasselijke belastingverdrag verandert, moet als door de wijziging de belastingplicht aanvangt ook een fiscale openingsbalans worden opgesteld. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie dat de tie-breaker regel in een belastingverdrag wordt aangepast waardoor de woonplaats van een onderneming wordt verplaatst. Als een verdragsbepaling wordt aangepast, is sprake van een regelwijziging. In dat geval moet – behoudens wanneer door de verdragswijziging volledige onderworpenheid in Nederland aanvangt – worden uitgegaan van onmiddellijke werking en vindt er geen compartimentering plaats. Het is dan – conform de later te behandelen objectvrijstellingen – aan de verdragsluitende landen om in die gevallen te zorgen voor adequaat overgangsrecht.