Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/3.1.8
3.1.8 De verkoop van aandelen
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS378184:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
OK 9 juli 1987, NJ 1989/269 (Drukkerij Vlasveld).
OK 9 juli 1987, NJ 1989/269 (Drukkerij Vlasveld), r.o. 4.
OK 13 juni 1991, NJ 1991/669 (DHDH), r.o. 4.4-4.5. Zie ook OK 2 april 1992, De NV 1992, p. 177 (Vrieland Holding).
OK 10 november 1994, NJ 1995/460 (Transom Management), r.o. 4.1.1 en 4.1.2. Lees de volledige beschikking van de OK in HR 26 juni 1996, NJ 1996/730 (Transom Management). In de beschikking inzake De Merwede Holding overweegt de OK gelijkluidend: “Gelet op die onzekerheden kan er, in ieder geval voor zover het de vraag betreft of Van Tricht ontvankelijk is in haar verzoek, thans slechts van worden uitgegaan dat Van Tricht aandeelhoudster van de vennootschap is en uiterlijk in oktober 2003 gehouden zal zijn haar aandelen aan Van Nieuwpoort aan te bieden. (…) Zolang Van Tricht aandeelhoudster van de vennootschap is, maakt zij tegenover de vennootschap aanspraak op de behandeling die een aandeelhouder rechtens toekomt”, zie OK 31 augustus 2001, JOR 2001/208 (De Merwede Holding), r.o. 3.2 en 3.3. Zie ook OK 31 maart 1994, NJ 1995/418 (Kluft Distrifood) r.o. 4.1.1.
Zie OK 28 december 2005, JOR 2006/67 (Bram Broerse Schoonmakers-Dienstverleners) en OK 5 januari 2016, ARO 2016/24 (Partners in Finance Accountants & Adviseurs).
OK 5 januari 2016, ARO 2016/24 (Partners in Finance Accountants & Adviseurs), r.o. 3.7.
OK 22 maart 1990, NJ 1992/182 (Vertimart).
OK 28 februari 2005, JOR 2005/120 (Dodo Beheer B.V.), r.o. 3.6.
OK 10 maart 2003, JOR 2003/108 (Kolen Reststoffen Limburg), r.o. 3.1 e.v. Zie in dit kader ook OK 13 april 2016, ARO 2016/114 (Penn & Ink), waarin bij de gewone burgerlijke rechter een procedure liep waarin een beroep werd gedaan op de vernietigbaarheid van een aandelentranstactie waardoor de verzoeker aandelen de vennootschap had verkregen. De OK merkt verzoekster vooralsnog aan als aandeelhouder en acht haar in die hoedanigheid ontvankelijk.
OK 28 maart 2013, JOR 2013/171 m.nt. Josephus Jitta (AAA Auto Group), r.o. 3.3.
Zie § 3.3.5.
Zie over de vereisten voor de enquêtebevoegdheid op grond van de economische gerechtigdheid § 3.3.5.10.
Zie voor een recente beschikking waarin dit ook het uitgangspunt is: OK 29 november 2016,ARO 2017/57 (EES International), r.o. 3.4, waarin de verzoeker op grond van het vonnis van de rechtbank zijn aandelen moest overdragen, maar tegen dat vonnis was hoger beroep ingesteld en het was niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De OK oordeelde dat vooralsnog van een rechtsgeldige vernietiging geen sprake was en zag onvoldoende aanleiding om vooruit te lopen op een mogelijk bevel tot teruglevering van de aandelen. De verzoeker was derhalve enquêtebevoegd.
In gelijke zin Geerts, diss. (2004), p. 67. Zie ook hoofdstuk 5, i.h.b. § 5.3.3.
Aldus ook OK 16 juli 2010, ARO 2010/112 (Boon Holding); OK 22 november 2012, ARO 2012/163 (Van Lier-Van der Lans); OK 17 januari 2013, ARO 2013/26 (Thermen Holiday), waarin de verzoekende aandeelhouders op het moment van de indiening van het enquêteverzoek alsook ten tijde van de terechtzitting de aandelen nog houden en voldoen aan de kapitaalseis van art. 2:346 BW, maar een overdracht van de door hen gehouden aandelen in het zicht is.
Hoe te oordelen over de enquêtebevoegdheid van een aandeelhouder die op het moment van het indienen van het enquêteverzoek zijn aandelen reeds heeft verkocht, maar nog niet heeft geleverd?
In de Vlasveld-beschikking laat de OK zich bij mijn weten voor de eerste keer uit over een dergelijke kwestie. In deze zaak heeft verzoeker Kamp zich ten tijde van het indienen van zijn verzoekschrift reeds verbonden tot het overdragen van zijn aandelen.1 Daarbij was met alle betrokkenen volledige overeenstemming bereikt over de tekst van de akte van levering, die reeds door Kamp was getekend en Kamp had zich verplicht tot levering van de aandelen op een tijdstip vóór het moment van indiening van het enquêteverzoek. Pas na de indiening van het enquêteverzoekschrift heeft de wederpartij de akte van levering getekend en heeft de schriftelijke erkenning door de vennootschap plaatsgevonden. Kamp was op het moment van indiening van het verzoekschrift dus nog aandeelhouder. Toch verklaart de OK Kamp niet ontvankelijk:
“Een redelijke uitleg van art. 2:346 aanhef en letter a BW brengt mee dat onder aandeelhouder in dat voorschrift niet kan worden begrepen een aandeelhouder, die, zoals Kamp, zich ten tijde van de indiening van het verzoek heeft verbonden tot het overdragen van zijn aandelen, met alle betrokkenen te dien tijde reeds volledige overeenstemming heeft bereikt omtrent de tekst van de akte van levering en zijnerzijds die akte reeds van zijn handtekening heeft voorzien en die overeenkomstig de statuten – krachtens de overeenkomst tot levering ook verplicht is tot levering over te gaan op een tijdstip, liggende voor dat waarop het verzoek wordt gedaan. Daarenboven zal, naar redelijkerwijze moet worden aangenomen, Kamps positie van aandeelhouder in de betrokken vennootschap na de overdracht van de aandelen nimmer meer herleven. Verzoeker kan derhalve in zijn verzoek niet worden ontvangen.”2
In de DHDH-beschikking oordeelt de OK vervolgens dat de in Vlasveld genoemde omstandigheden zich in casu niet voordoen. Zij verklaart de aandeelhouder ontvankelijk in zijn enquêteverzoek. Doorslaggevend is dat over de verkoop en levering van de aandelen op tal van punten nog geen overeenstemming was bereikt.3
De OK zet deze lijn voort in de Transom Management-beschikking. Deze beschikking wijkt enigszins af van de vorige twee, omdat de verzoekende aandeelhouder zich na de indiening van het verzoekschrift verbonden heeft tot het overdragen van zijn aandelen op een nog nader te bepalen tijdstip. De vennootschap voert als verweer dat de verzoekende aandeelhouder (achteraf) niet meer voldoet aan het vereiste van art. 2:346 (oud) BW. De OK overweegt over de ontvankelijkheid van de verzoeker:
“Toen verzoekster haar rekest op 15 juni 1994 indiende, was zij daartoe ingevolge het bepaalde in artikel 2:346 BW bevoegd; zij hield voor eigen rekening ten minste een tiende gedeelte van het geplaatste kapitaal van beide verweersters. Daarin is door de schikking van 20 juni 1994 geen verandering gekomen. Zij houdt de aandelen in verweerster nog steeds, zij het dat zij zich heeft verbonden die te zijner tijd over te dragen.
Dat op een gegeven moment voorzienbaar wordt dat een aandeelhouder op betrekkelijk korte termijn die hoedanigheid zal verliezen doordat hij zich tot overdracht van zijn aandelen verbindt, heeft in het algemeen niet tot gevolg dat hij de bevoegdheid verliest de aan die aandelen verbonden rechten, waaronder te rekenen valt de bevoegdheid een enquête te verzoeken (of een reeds gedaan verzoek te handhaven) uit te oefenen. Dat kan onder bijzondere omstandigheden wellicht anders zijn doch die doen zich hier niet voor (…).”4
De OK licht niet toe wanneer sprake is van zulke bijzondere omstandigheden en evenmin of zij doelt op haar oordeel in de eerder besproken Vlasveld-beschikking.
Ook in meer recente enquêteprocedures wordt een aantal keer tevergeefs een beroep gedaan op het oordeel van de OK in de Vlasveld-beschikking. De OK acht de verzoekende aandeelhouders steeds enquêtebevoegd omdat de omstandigheden anders zijn dan in Vlasveld.5 In een van die zaken oordeelt de OK dat de situatie niet vergelijkbaar is met die in Vlasveld omdat “in dat geval […] de akte van levering van de aandelen ten tijde van de indiening van het verzoekschrift al door de verzoekster ondertekend [was].”6
Het uitgangspunt dat een aandeelhouder enquêtebevoegd blijft in het zicht van de overdracht van zijn aandelen, klinkt ook door in enquêteprocedures waarin de aandeelhouder zich niet vrijwillig voorafgaand aan de procedure heeft verbonden zijn aandelen over te dragen. Zo oordeelt de OK in de Vertimart-beschikking dat de omstandigheid dat tegen de verzoeker een vordering ex art. 2:336 BW is ingesteld niet in de weg staat aan enquêtebevoegdheid.7 Ook de omstandigheid dat de aanhangige geschillenregeling inmiddels heeft geleid tot een (tussen)vonnis waarbij de enquêteverzoeker is veroordeeld zijn aandelen over te dragen, staat niet in de weg aan enquêtebevoegdheid.8 Ik wijs voorts nog op de Korel-beschikking, waarin de verzoeksters op het moment van de indiening van het verzoekschrift geen aandeelhouders meer waren, omdat het op hun aandelen gevestigde pandrecht was uitgewonnen door de pandhouder. De OK acht hen niet (langer) enquêtebevoegd.9
In de AAA Auto Group-beschikking gaat het, anders dan in de hiervoor besproken beschikkingen, niet om de enquêtebevoegdheid van een verzoeker die zijn aandelen moet overdragen, maar die de aandelen zal verkrijgen. Deze beschikking laat zien dat de enquêtebevoegdheid van een verkrijger (koper) van aandelen niet afhankelijk is van de vraag of de aandelen daadwerkelijk geleverd zijn. In AAA Auto Group koopt een van de verzoekers, Fryc, aandelen bij op de beurs om aan de kapitaalseis te voldoen, maar die aandelen zijn op het moment van de indiening van het enquêteverzoek nog niet geleverd. Die levering vindt een paar dagen na de indiening van het enquêteverzoek plaats. De OK oordeelt dat de verzoekers vóór indiening van het enquêteverzoek aandelen in het kapitaal van AAA Auto Group hebben gekocht en sinds deze datum als economisch gerechtigden tot die aandelen moeten worden aangemerkt. De verzoekers voldeden daarom ten tijde van het indienen van het verzoek aan de kapitaalseis, aldus de OK.10 Dit oordeel past in de lijn van de rechtspraak over de enquêtebevoegdheid op grond van economische gerechtigdheid.11 De OK gaat er kennelijk van uit dat de aandelen vanaf het moment van de koop volledig voor rekening en risico van de verzoeker komen. Bij een koop in het beursverkeer lijkt dat terecht. Bij een onderhandse verkoop hoeft dat niet het geval te zijn. Een koper van aandelen kan mijns inziens alleen worden aangemerkt als een economisch gerechtigde tot de aandelen als het economisch belang steeds op het moment van de koop overgaat, dat wil zeggen dat de aandelen vanaf dat moment geheel voor zijn rekening en risico worden gehouden. De dividenduitkeringen dienen vanaf dat moment derhalve ook aan de koper toe te komen.12
Ik keer terug naar de enquêtebevoegdheid van de overdrager (verkoper) van aandelen. Uit de beschikkingen van de OK volgt alles overziend dat de omstandigheid dat een aandeelhouder zich ten tijde van het indienen van het enquêteverzoek heeft verbonden zijn aandelen over te dragen (of daartoe is veroordeeld), niet af doet aan zijn enquêtebevoegdheid. Steeds van belang is dat de aandeelhouder zijn aandelen ten tijde van de indiening van het verzoekschrift nog niet heeft geleverd en dus nog aandeelhouder is. De OK wijkt slechts onder bijzondere omstandigheden – tot op heden slechts één keer – af van dit uitgangspunt, namelijk als de aandeelhouder de akte van levering ten tijde van de indiening van het enquêteverzoekschrift reeds heeft getekend.13 In het bijzondere geval dat de verzoeker zijn aandelenbelang na de indiening van het enquêteverzoek overdraagt, dient de OK de afname van het belang mijns inziens mee te wegen bij de beoordeling van het belang dat de verzoeker heeft bij het enquêteverzoek in de zin van art. 3:303 BW en bij de belangenafweging ter beoordeling van de toewijsbaarheid van het enquêteverzoek.14 Van een aandeelhouder die zijn belang na indiening van het enquêteverzoek heeft overdragen, kan namelijk niet zonder meer – en zeker niet in het algemeen – worden gezegd dat hij geen belang meer heeft bij een onderzoek. Dit geldt temeer indien het enquêteverzoek ziet op het verkrijgen van openheid van zaken en het vaststellen wie verantwoordelijk is voor het mogelijk blijkend wanbeleid.15 Het moment van de indiening van het enquêteverzoek is naar mijn mening dus het enige peilmoment voor ontvankelijk, zie hoofdstuk 5.