Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/6.4.3.4
6.4.3.4 Toelaatbaarheid van subsidieovereenkomsten
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS400793:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hoofdstuk 5, paragraaf 5.3.6.
Zie hoofdstuk 5, paragraaf 5.3.1.
Zie hieromtrent hoofdstuk 5, paragraaf 5.3.6.
Voor Nederland geldt dat de overeenkomst door de Dienst Regelingen, namens de minister van LNV wordt gesloten, namelijk op grond van artikel 15 en 19 van de Landbouwwet, artikel 4a en 24a van de Regeling medebewind Gemeenschappelijk Landbouwbeleid en artikel 19, jj, van het Mandaatbesluit EL&I Dienst Regelingen. Het wekt wel bevreemding dat uit paragraaf 8.1. van het Bestek voor het indienen en selecteren van programma's voor voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten op de binnenmarkt en in derde landen 2012, lijkt te volgen dat het contract door de Dienst Regelingen wordt gesloten. Dit komt mij erg vreemd voor, nu immers sprake is van een mandaatconstructie. Deze constructie kan niet tot gevolg hebben dat de Dienst Regelingen in eigen naam contracten sluit.
Zie de nota naar aanleiding van het verslag, p. 15 (Kamerstukken II 1994/95, 23 700, nr. 5). Zie ook Den Ouden, Jacobs & Verheij 2011, p. 157 e.v.; Scheltema & Scheltema 2008, p. 215; Polak & Den Ouden 2004, p. 59 en 66; Den Ouden 2002, p. 94-97; Den Ouden & Westra 2002, p. 30; Jacobs & Den Ouden 1997, p. 255-256. Jacobs meende in 1999 dat er nog wel ruimte bestaat voor het sluiten van een beschikkingvervangende subsidieovereenkomst, zie M.J. Jacobs 1999, p. 232-235. Zie ook Van Ommeren 2000, p. 80.
Zie Den Ouden, Jacobs & Verheij 2011, p. 161; Scheltema & Scheltema 2008, p. 216. Een nationaal voorbeeld biedt artikel 2.3.4 van de WEB.
Zie bijvoorbeeld de Europese verordening die geldt voor voorlichtings- en afzetbevorderingsacties.
ABRvS 19 april 2006, AB 2006, 296, m.nt. W. den Ouden en M.J. Jacobs (Flevo Herb I).
Den Ouden en Jacobs merken in hun annotatie bij ABRvS 19 april 2006, AB 2006, 296 (Flevo Herb I) terecht op dat dit oordeel overeenkomt met eerdere jurisprudentie, waarin de Afdeling zich steeds op het standpunt stelt dat niet (volgens de daarvoor geldende regels) bekendgemaakte besluiten geen rechtswerking krijgen. Zie ABRvS 22 februari 2006, AB 2006, 199, m.nt. N. Verheij, r.o. 2.4.2, ABRvS 29 december 2004, AB 2005, 199, m.nt. A.G.A. Nijmeijer, JB 2005/61, m.nt. RvD, r.o. 22.4; ABRvS 14 november 1994, AB 1995, 115, m.nt. P.J.J. van Buuren, JB 1994, 350, m.nt. R.J.N. Schlössels.
Zie punt 8 van de annotatie van W. den Ouden en M.J. Jacobs bij ABRvS 19 april 2006, AB 2006, 296 (Flevo Herb 1).
ABRvS 10 februari 2010, AB 2010, 214, m.nt. W. den Ouden, JB 2010/80, m.nt. AJB (Flevo Herb II).
Zie echter ook CBb 24 februari 2005, AB 2005, 165, m.nt. J.H. van der Veen, JB 2005/223, m.nt. AJB waarin het CBb oordeelde dat een vaststelling van een financiële bijdrage, ondanks het feit dat de grondslag daarvoor slechts was te vinden in de overeenkomst, een besluit vormde in de zin van artikel 1:3 van de Awb. In het vervolg van de uitspraak beoordeelt het CBb het vaststellingsbesluit inhoudelijk, zonder een overweging te wijden aan het feit dat de subsidie bij overeenkomst was verleend. Den Ouden, Jacobs & Verheij leiden uit deze uitspraak af dat het CBb van mening is dat het is geoorloofd om beschikking-vervangende subsidieovereenkomsten te sluiten. Zij geven aan dat dit vanuit het oogpunt van effectieve rechtsbescherming is toe te juichen, maar wel het risico in zich draagt dat met de Awb strijdige praktijken worden voortgezet. Zie Den Ouden, Jacobs & Verheij 2011, p. 160-161.
Een voorbeeld bieden de Europese subsidies die aan de orde waren in de uitspraak van 19 april 2006 (AB 2006, 296, m.nt. W. den Ouden en M.J. Jacobs (Flevo Herb 1)). Voorts verstrekte de Stichting EMR in de programmaperiode 2000-2006 Europese subsidies bij overeenkomst in het kader van de uitvoering van INTERREG-M-programma Euregio Maas-Rijn. Zie de Algemene voorwaarden voor het Programma van het Communautair Initiatief INTERREG-DI-A van de Euregio Maas-Rijn. Ingevolge punt 17 van deze voorwaarden was op de overeenkomst Nederlands recht van toepassing en dienden geschillen te worden voorgelegd aan de bevoegde rechter in Maastricht. Bij mijn weten bestaat over deze onrechtmatige subsidieverstrekking geen jurisprudentie.
Er wordt weliswaar een toekenningsbrief verzonden, maar deze wordt door het nationaal agentschap Jeugd in Actie zelf niet aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb.
Zie hieromtrent Den Ouden, Jacobs & Verheij 2011, p. 161.
Den Ouden, Jacobs & Verheij 2011, p. 162. Zie omtrent de uitvoeringsovereenkomst ook Jacobs & Den Ouden 1997.
Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, p. 60-61 (MvT). Zie voor een voorbeeld CBb 18 januari 2007, JB 2007/65.
Zie hoofdstuk 5, paragraaf 5.3.6.
Dit leid ik af uit het feit dat in de bezwaarregeling van het nationaal agentschap ervan wordt uitgegaan dat zij zijn aan te merken als een bestuursorgaan in de zin van de Awb. De enige manier waarop dit mogelijk is, is ervan uit te gaan dat zij Awb-subsidies verstrekken op grond van de publieke-taak jurisprudentie (zie paragraaf 6.2.3.3). Er bestaat immers geen wettelijke grondslag voor de verstrekking van Europese subsidies door het nationaal agentschap. Feit is wel dat onder de toekenningsbrieven geen bezwaarclausule is te vinden en uit de overeenkomst niet blijkt dat het om een uitvoeringsovereenkomst gaat in de zin van artikel 4:36 van de Awb.
Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, p. 60-61 (MvT).
Zie artikel 3.72, eerste lid: 'The NA shall use the standard texts for the grant agreements enclosed in Annex Er-C to this Guide for NAs'. Indien het nationaal agentschap Een Leven Lang Leren uitsluitend voor een besluit tot subsidieverlening had gekozen was zij op grond van het Financieel Reglement verplicht ervoor te zorgen dat de bepalingen van de standaardovereenkomst in het besluit tot subsidieverlening zouden zijn opgenomen. Het nationaal agentschap Een Leven Lang Leren heeft ervoor gekozen de standaardovereenkomst als uitvoeringsovereenkomst te hanteren zodat aan deze eis in ieder geval is voldaan.
Zie ook Den Ouden, Jacobs & Verheij 2011, p. 163.
ABRvS 4 maart 2009, AB 2010, 21, m.nt. J.E. van den Brink (Movement on the European labour market), r.o. 2.5.3.
Zie hoofdstuk 5, paragraaf 5.3.6.
Zie hoofdstuk 5, paragraaf 5.3.6.
Dit leerstuk kwam aan de orde in paragraaf 6.3.4.5.
De Uitvoeringsovereenkomst die wordt gebruikt in het kader van Kansen voor West (EFRO) levert in dat opzicht geen problemen op.
Zie artikel 2, eerste lid, van de uitvoeringsovereenkomst Kansen voor West.
Zie artikel 3 van de Regeling EGF.
In hoofdstuk 5 is aan de orde geweest dat voor sommige Europese subsidies is voorgeschreven dat nationale uitvoeringsorganen in het kader van de verstrekking van een Europese subsidie met de eindontvangers een overeenkomst dienen te sluiten. Dit geldt voor de migratiefondsen1 en de Europese subsidieregeling voor voorlichtings- en afzetbevorderingsacties.2 Voor Een Leven Lang Leren en Jeugd in Actie bestaat een keuzemogelijkheid: het bevoegde nationaal agentschap kan de Europese subsidie door middel van een overeenkomst met de nationale aanvrager van de Europese subsidie, maar ook bij besluit verstrekken.3
Wat betreft de migratiefondsen, Een Leven Lang Leren en Jeugd in Actie zijn de regels omtrent het sluiten van subsidieovereenkomsten neergelegd in respectievelijk Europese besluiten van algemene strekking die zijn gericht tot de lidstaat en in programmagidsen die zijn vastgesteld door de Europese Commissie. Daarin neergelegde bepalingen werken niet rechtstreeks door in de nationale rechtsorde.
Dit ligt anders wat betreft de Europese subsidieregeling voor voorlichtings- en afzetbevorderingsacties. De verplichting tot het sluiten van een subsidieovereenkomst is namelijk neergelegd in een Europese verordening. Deze verplichting is onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig: toepassing van het nationale recht is niet aan de orde. De Europese verordening voorziet rechtstreeks in een bevoegdheid voor een nationaal uitvoeringsorgaan om een beschikkingvervangende subsidieovereenkomst te sluiten. In dat geval dient wel in het nationale recht te worden geregeld welk specifiek nationaal uitvoeringsorgaan bevoegd is deze overeenkomst aan te gaan.4
Dit betekent dat de grondslag voor het sluiten van een subsidieovereenkomst wat betreft de migratiefondsen, Een Leven Lang Leren en Jeugd in Actie moet worden gevonden in het nationale recht. Hier doet zich een aantal problemen voor waarop in deze paragraaf verder wordt ingegaan.
Ontoelaatbaarheid van de beschikkingvervangende subsidieovereenkomst
Uit de wetsgeschiedenis behorend bij de subsidietitel van de Awb blijkt dat het sluiten van een beschikkingvervangende overeenkomst een ontoelaatbare doorkruising van de subsidietitel van de Awb betekent.5 Het sluiten van een beschikkingvervangende overeenkomst voor Europese subsidies die tevens als Awb-subsidie moeten worden aangemerkt, is derhalve niet toegestaan, tenzij daarvoor een grondslag bestaat in een wet in formele zin,6 ofwel in een rechtstreeks toepasselijke bepaling uit een Europese subsidieverordening.7 In andere gevallen is het sluiten van een beschikkingvervangende overeenkomst in strijd met de Awb.
In de jurisprudentie is de lijn dat het sluiten van een beschikkingvervangende subsidieovereenkomst niet is toegestaan ten aanzien van subsidies uit het EOGFL-0 en LEADER II bevestigd.
In de uitspraak van 19 april 2006 gaat het om subsidieovereenkomsten die waren gesloten tussen GS van de provincie Flevoland en de Stichting Life Science Facilities Flevoland ten aanzien van de verstrekking van Europese subsidies uit het EOGFL-O en op grond van LEADER II.8 De ABRvS komt tot de conclusie dat dergelijke overeenkomsten niet achteraf als verleningsbeschikkingen inclusief uitvoeringsovereenkomsten kunnen worden beschouwd. In de overeenkomsten werd wel naar collegebesluiten verwezen, maar deze besluiten waren niet overeenkomstig de artikelen 3:40 en 3:41 door toezending of uitreiking of op een andere geschikte wijze aan de stichting bekendgemaakt, zodat daaraan niet de rechtskracht van verleningsbesluiten als bedoeld in artikel 4:29 van de Awb toekomt.9 De ABRvS overweegt verder dat de van toepassing zijnde provinciale bijdrageverordening geen grondslag biedt voor subsidieverstrekking door middel van een beschikkingvervangende overeenkomst. Verder stelt de ABRvS vast dat ook titel 4.2 van de Awb zich verzet tegen het verlenen van een subsidie bij overeenkomst. Slechts ter uitvoering van een beschikking tot subsidieverlening kan een overeenkomst worden gesloten. Den Ouden en Jacobs merken in hun annotatie terecht op dat ook wanneer de provinciale bijdrageverordening zich niet had verzet tegen het sluiten van beschikkingvervangende overeenkomsten of sterker dat zou hebben toegestaan, dit verboden zou zijn geweest op grond van Titel 4.2 van de Awb 10 In een provinciale verordening mag immers niet van dwingend Awb-recht worden afgeweken.
In de uitspraak van 19 april 2006 heeft het onrechtmatig gebruikmaken van beschikkingvervangende subsidieovereenkomsten volgens de ABRvS tot gevolg dat geen wettelijke grondslag bestaat voor de verstrekking van de Europese subsidie en evenmin voor later daarop gebaseerde vaststellingsbesluiten. De beslissing op bezwaar wordt dan ook vernietigd en het bestuursorgaan wordt opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Een nieuw besluit waarbij subsidie werd verstrekt kon echter slechts worden genomen, nadat een wettelijke regeling voor het verstrekken van de desbetreffende Europese subsidies was gemaakt.11 Wanneer niet is voorzien in een wettelijke grondslag voor het sluiten van beschikkingvervangende overeenkomsten, kan dit derhalve tot gevolg hebben dat de bestuursrechter in het kader van beroepen tegen later genomen besluiten oordeelt dat de Europese subsidie niet had mogen worden verstrekt, ook als het project is uitgevoerd en afgerond.12 Het voorgaande neemt niet weg dat in eerdere programmaperioden Europese subsidies bij beschikkingvervangende overeenkomst werden verstrekt, ook als hiervoor geen grondslag bestond in een wet in formele zin, dan wel in een Europese subsidieverordening.13
In de huidige programmaperiode geldt voor Een Leven Lang Leren en Jeugd in Actie in de programmagidsen een keuzemogelijkheid is neergelegd tussen het nemen van een subsidiebesluit en het sluiten van een subsidieovereenkomst. Het Nederlands Jeugdinstituut giet de verstrekking van Europese subsidies op grond van het programma Jeugd in Actie in beschikkingvervangende overeenkomsten giet.14 In paragraaf 6.2.3.3 is geconcludeerd dat deze Europese subsidies zijn aan te merken als Awb-subsidies. De in de programmagidsen neergelegde keuzemogelijkheid voor het nationaal agentschap betekent echter niet dat daarmee de bevoegdheid bestaat om de Europese subsidies bij beschikkingvervangende overeenkomsten te verstrekken; het betreft immers geen Europese verordening. Omdat voor het sluiten van beschikkingvervangende subsidieovereenkomsten in het kader van Jeugd in Actie evenmin een grondslag bestaat in een wet in formele zin, bestaat daarvoor geen ruimte. Europese subsidies in het kader van Jeugd in Actie moeten dan ook bij besluit worden verstrekt. Europeesrechtelijk bezien bestaat hiertegen geen bezwaar, nu de Europese programmagids ruimte laat voor het verstrekken van de Europese subsidie bij besluit. Het risico is dat wanneer geschillen ontstaan inzake de verstrekking van Europese subsidies, de nationale rechter tot de conclusie moet komen dat de beschikkingvervangende overeenkomst in strijd is met de wet en met het probleem wordt geconfronteerd dat het niet mogelijk is om de daarin neergelegde Europese verplichtingen na te komen.
De vraag rijst in hoeverre in de Wet op de Europese subsidies de mogelijkheid zou moeten worden neergelegd om, voor zover de Europese subsidieregelgeving dit eist, Europese subsidies bij beschikkingvervangende overeenkomst te verstrekken. Bij formele wet kan immers van de subsidietitel van de Awb worden afgeweken. In sommige wetten in formele zin die specifiek zien op de verstrekking van nationale (onderwijs)subsidies is het sluiten van een beschikkingvervangende overeenkomst zelfs verplicht voorgeschreven.15 Het opnemen van een dergelijke mogelijkheid in de Wet op de Europese subsidies heeft tot gevolg dat per Europese subsidie kan verschillen of deze bij besluit dan wel beschikkingvervangende overeenkomst wordt verstrekt. Het is de vraag of dit erg is. In de eerste plaats vloeit dit verschil voort uit de Europese subsidieregelgeving zelf. Bovendien bestaat dit verschil ook nu al; voor sommige Europese subsidies volgt thans rechtstreeks uit de Europese verordening dat een beschikkingvervangende overeenkomst moet worden gesloten. Ten derde bestaat op Europees niveau sinds jaar en dag het systeem dat kan worden gekozen tussen een beschikkingvervangende overeenkomst en een subsidiebesluit. Gelet hierop, zou in de Wet inzake Europese subsidies dan ook moeten worden bepaald dat, voor zover de Europese subsidieregelgeving dit voorschrijft, Europese subsidies door middel van beschikkingvervangende overeenkomst moeten worden verstrekt. Belangrijk is wel dat voor de bepalingen in eventueel voorgeschreven standaardovereenkomsten van de Europese Commissie die niet zijn gebaseerd op een Europese verordening en verder gaan dan de subsidietitel van de Awb een grondslag bestaat in de Wet inzake Europese subsidies. De mogelijkheid tot het sluiten van een beschikking-vervangende overeenkomst mag niet tot gevolg hebben dat daarin voor ontvangers van Europese subsidies verplichtingen worden neergelegd die niet zijn terug te voeren op een Europese verordening dan wel een nationale wet in formele zin. Hierop wordt in het vervolg van deze paragraaf nog teruggekomen.
De kwalificatie van Eu-standaardovereenkomsten als uitvoeringsovereenkomst?
Volgens de subsidietitel van de Awb is het wel mogelijk om ter uitvoering van een besluit tot subsidieverlening een uitvoeringsovereenkomst te sluiten. In dat geval wordt de subsidie verleend onder de voorwaarde dat de ontvanger meewerkt aan het tot stand brengen van een overeenkomst.16 Volgens de memorie van toelichting kan in de eerste plaats worden gedacht aan overeenkomsten van geldlening of van borgtocht, ingeval de subsidie de vorm heeft van een krediet, respectievelijk een garantie.17 Ten tweede is in het tweede lid van artikel 4:36 een bijzondere vorm van de uitvoeringsovereenkomst geregeld, namelijk de overeenkomst waarin wordt bepaald dat de subsidieontvanger zich verplicht de activiteiten te verrichten waarvoor de subsidie is verleend.
Wat betreft de overeenkomsten die in het kader van de migratiefondsen moeten worden gesloten, is reeds aangegeven dat het daarbij niet om beschikkingvervangende overeenkomsten gaat.18 De Commissiebeschikkingen schrijven immers expliciet voor dat voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst een gunningsbesluit wordt genomen. Omdat de bepalingen inzake de te sluiten overeenkomsten in de Europese besluiten niet rechtstreeks doorwerken in de nationale rechtsorde, dienen de te sluiten overeenkomsten op het nationale recht te worden gebaseerd en — nu geen van de subsidietitel van de Awb afwijkende voorziening is getroffen in een bijzondere wet in formele zin — derhalve binnen de grenzen van artikel 4:36 van de Awb te vallen. De minister van BZK heeft echter ervoor gekozen om uitsluitend een besluit tot subsidieverstrekking af te geven dat vervolgens door zowel de minister als de eindontvanger van de Europese subsidie wordt ondertekend. Het besluit tot subsidieverlening houdt als het ware tevens de overeenkomst in. Voor zover het besluit tot subsidieverlening blijft binnen de grenzen van de subsidietitel van de Awb, bestaat hier vanuit Nederlands perspectief geen bezwaar. Het is echter de vraag in hoeverre deze praktijk zich verdraagt met de Europese eis dat een overeenkomst moet worden gesloten. Hierover bestaat nog geen Europese of Nederlandse jurisprudentie.
Wat betreft Een Leven Lang Leren lijkt het erop dat ervoor is gekozen de toekenningsbrieven als besluiten tot subsidieverlening en de vervolgens te sluiten subsidieovereenkomsten als uitvoeringsovereenkomsten in de zin van artikel 4:36 van de Awb aan te merken.19 In dat kader doet zich een aantal problemen voor. Allereerst bevat de toekenningsbrief geen enkele informatie over de geldende subsidieverplichtingen. Dit is in strijd met de regeling omtrent de uitvoeringsovereenkomst in de subsidietitel van de Awb, nu uit de wetsgeschiedenis blijkt dat essentiële elementen van de subsidieverhouding — zoals een aanduiding van de activiteiten, eventuele verplichtingen, het subsidiebedrag of de berekeningswijze daarvan — in de beschikking tot subsidieverlening moeten staan.20 Ten tweede gebruikt het nationaal agentschap Een Leven Lang Leren de standaardovereenkomsten van de Europese Commissie. Hiertoe zijn zij op grond van de Gids voor Nationale Agentschappen verplicht.21 Problematisch is dat de inhoud van deze overeenkomsten veel verder gaat dan op grond van de Subsidietitel van de Awb ten aanzien van uitvoeringsovereenkomsten is toegestaan. Hierop is in de paragraaf 6.3.4.5 wat betreft controlebevoegdheden, de bevoegdheid tot het opleggen van boetes en het intrekken van Europese subsidies reeds uitvoerig ingegaan. Gelet op het leerstuk van de ontoelaatbare doorkruising van een publiekrechtelijke regeling, dient de uitvoeringsovereenkomst binnen de grenzen van de subsidietitel van de Awb te blijven.22 Dit is impliciet in de jurisprudentie van de nationale bestuursrechter erkend.
Dit blijkt bijvoorbeeld uit de uitspraak van 4 maart 2009 waarin de ABRvS overweegt dat het nationaal agentschap, gezien artikel 4:37, eerste lid, aanhef en onder h, van de Awb alsmede gezien de in artikel II.19 van de 'Grant agreement for mobility' neergelegde verplichtingen, bevoegd was om door PWC een onderzoek te laten uitvoeren naar de door appellant verrichte activiteiten waarvoor subsidie is verleend.23 Uit deze overweging volgt dat de Afdeling terecht relevant acht dat de in de uitvoeringsovereenkomst neergelegde verplichting past binnen artikel 4:37, eerste lid, aanhef en onder h, van de Awb. Het is echter goed voorstelbaar dat in een door de Commissie voorgeschreven standaardovereenkomst verplichtingen zijn opgenomen die zich niet verdragen met de artikelen 4:37, 4:38 en 4:39 van de Awb.
Voor het Nederlandse nationaal agentschap Een Leven Lang Leren is het momenteel dus niet mogelijk om èn de standaardovereenkomst van de Commissie te gebruiken èn in overeenstemming te handelen met de subsidietitel van de Awb, voor zover deze standaardovereenkomst verder gaat dan de (subsidietitel van de) Awb. Voorop staat dat de bepalingen die zijn neergelegd in een Europese standaardovereenkomst en zien op controles, het opleggen van boetes, het ontbinden van de overeenkomst en het verlagen en terugvorderen van de Europese subsidies, zouden moeten zijn te herleiden tot een Europese subsidieverordening van het Europees Parlement en de Raad.24 Ook wat betreft de op te leggen subsidieverplichtingen, zijn verbeteringen denkbaar. In hoofdstuk 5 is reeds aan de orde gekomen dat niet voor alle verplichtingen een grondslag bestaat in de Europese subsidieregelgeving.25 Zolang een en ander op Europees niveau niet goed is geregeld, verdient het aanbeveling om in de Wet inzake Europese subsidies alle bepalingen neer te leggen die het nationaal agentschap nodig heeft om de verplichtingen in de standaardovereenkomst van de Europese Commissie te kunnen uitoefenen. In paragraaf 6.3.4.5 is in dat kader reeds de aanbeveling gedaan om een regeling op te nemen omtrent de controlebevoegdheden van het nationaal agentschap, de bevoegdheid om boetes op te leggen en de intrekking en terugvordering van Europese subsidies.
Het overig gebruik van uitvoeringsovereenkomsten in de zin van artikel 4:36 van de Awb in het kader van de verstrekking van Europese subsidies
Het komt voor dat Nederlandse bestuursorganen vrijwillig — dat wil zeggen niet op grond van een Europese verplichting — ervoor kiezen om ter uitvoering van een besluit tot verlening van een Europese subsidie met de eindontvanger een uitvoeringsovereenkomst te sluiten. Ook deze overeenkomst moet — gelet op het leerstuk van de ontoelaatbare doorkruising van een publiekrechtelijke regeling – 26 binnen de grenzen blijven van de subsidietitel van de Awb.
Nu de Europese subsidieregelgeving het gebruik van een overeenkomst niet voorschrijft en Nederlandse bestuursorganen de inhoud van de uitvoeringsovereenkomst zelf kunnen bepalen, hoeven zich in theorie geen problemen voor te doen. Het gevaar bestaat echter dat nationale uitvoeringsorganen in hun ijver om aan de Europese verplichtingen te voldoen, in de uitvoeringsovereenkomst bepalingen opnemen die in strijd zijn met de subsidietitel van de Awb. Dit is echter alleen mogelijk voor zover het gaat om rechtstreeks toepasselijke bepalingen die zijn neergelegd in Europese subsidieverordeningen en dientengevolge direct doorwerken in de nationale subsidieverhouding. Andere Europese regels dienen in nationale wet- en regelgeving te worden uitgewerkt.
Gelet op het voorgaande, is het bijvoorbeeld niet mogelijk om in een uitvoeringsovereenkomst gronden op te nemen op basis waarvan de overeenkomst kan worden ontbonden, die niet in overeenstemming zijn met de artikelen 4:46, 4:48 en 4:49 van de Awb.27 Dat wellicht op grond van het Europese recht een plicht tot intrekking zou bestaan, doet daaraan niet af. Daarbij rijst nog de vraag wat de consequenties zijn van het ontbinden van de uitvoeringsovereenkomst. Op grond van het besluit tot subsidieverlening, dat niet kan worden ingetrokken, bestaat de subsidierelatie immers nog steeds.
Nu in een uitvoeringsovereenkomst niet meer kan worden opgenomen dan op grond van de subsidietitel van de Awb is toegestaan, is de toegevoegde waarde daarvan beperkt. De enige toegevoegde waarde is erin gelegen dat het ingevolge artikel 4:36 is toegestaan om in een uitvoeringsovereenkomst neer te leggen dat de subsidieontvanger zich verplicht om het project uit te voeren waarvan nakoming in rechte kan worden gevorderd.28
Het gebruik van convenanten, niet zijnde een uitvoeringsovereenkomst
Ten slotte is in de Nederlandse subsidieregeling met betrekking tot het EGF bepaald dat de minister voorafgaand aan de indiening van het projectvoorstel bij de Europese Commissie, een convenant sluit met de aanvrager waarin afspraken worden vastgelegd over de samenwerking en de wijze van uitvoering van de beheers- en controleactiviteiten.29 Het betreft hier geen uitvoeringsovereenkomst in de zin van artikel 4:36 van de Awb, omdat het niet gaat om een overeenkomst ter uitvoering van een subsidieverleningsbesluit. De grondslag voor het sluiten voor een dergelijk convenant kan worden gevonden in artikel 3 van de Kaderwet szw-subsidies: bij regeling van de minister kunnen voorwaarden worden gesteld waaronder de subsidie wordt verleend. Het sluiten van een convenant kan ook hiertoe behoren. Indien de Europese Commissie het projectvoorstel goedkeurt, volgt uit artikel 4, eerste lid, van de Regeling EGF dat de minister de aanvrager een Europese subsidie verleent ter hoogte van het door de Europese Commissie toegekende bedrag onder meer onder de voorwaarden genoemd in het convenant. Het lijkt erop dat het convenant daarmee de status krijgt van een uitvoeringsovereenkomst in de zin van artikel 4:36 van de Awb. Hierover bestaat geen duidelijkheid. Hoe dan ook, de voorwaarden neergelegd in het convenant transformeren wel tot verplichtingen en subsidiabiliteitsregels. Dit hoeft niet problematisch te zijn, mits deze voorwaarden blijven binnen de grenzen van de Subsidietitel van de Awb.