HR 6 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1031, rov. 2.3. Zie ook HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3076. Vgl. HR 19 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1268, rov. 5.4.3.
HR, 09-04-2024, nr. 23/03720 Br
ECLI:NL:HR:2024:565
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
09-04-2024
- Zaaknummer
23/03720 Br
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Internationaal strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:565, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑04‑2024; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:190
ECLI:NL:PHR:2024:190, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 27‑02‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:565
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0070
Uitspraak 09‑04‑2024
Inhoudsindicatie
Beklag ex art. 5.4.10 jo. 552a Sv na beslag ex art. 94 Sv op diverse goederen onder klager n.a.v. Europees onderzoeksbevel van Duitse autoriteiten. Klager (niet verschoningsgerechtigde) voert aan dat advocaat (Duitse advocaat van klager) beroep op verschoningsrecht toekomt m.b.t. inbeslaggenomen goederen. Rb heeft behandeling van klaagschrift ex art. 5.4.10 jo. 552a Sv aangehouden in afwachting van uitkomst van procedure ex art. 98 Sv. Na beschikking RC ex art. 98 Sv heeft Rb behandeling van klaagschrift voortgezet en klaagschrift ongegrond verklaard. Heeft Rb bij beslissing op klaagschrift terecht tot uitgangspunt genomen dat geen beroep is ingesteld tegen beschikking RC ex art. 98 Sv? Als i.h.k.v. uitvoering van EOB stukken in beslag zijn genomen en/of gegevens zijn vastgelegd, en degene onder wie stukken in beslag zijn genomen of bij wie gegevens zijn vastgelegd, die niet verschoningsgerechtigde is, aanvoert dat geheimhouder de bevoegdheid tot verschoning kan uitoefenen ten aanzien van inbeslaggenomen stukken of vastgelegde gegevens, dan is het eerst aan RC om te beslissen over beroep op verschoningsrecht dat is gedaan. Dat brengt met zich dat, als Rb bij behandeling van o.g.v. art. 5.4.10 jo. 552a Sv ingediend klaagschrift vaststelt dat t.a.v. inbeslaggenomen stukken of vastgelegde gegevens beroep op verschoningrecht is gedaan en dat RC daarover (nog) niet heeft beslist, zij behandeling van klaagschrift moet aanhouden en zaak in handen van RC moet stellen om beschikking te geven a.b.i. art. 98.1 Sv (vgl. HR:2022:223). HR herhaalt vervolgens relevante overwegingen uit HR:2022:223, HR:2020:1048 en HR:2015:3076 m.b.t. procedure van art. 98 Sv en gevallen waarin in meerdere beklagprocedures het verschoningsrecht aan de orde is. Als Rb bij behandeling van o.g.v. art. 5.4.10 jo. 552a Sv ingediend klaagschrift vaststelt dat beschikking RC nog niet overeenkomstig art. 98.3 Sv is betekend aan betrokken verschoningsgerechtigde dan wel termijn van 14 dagen voor indienen van klaagschrift ex art. 98.4 Sv nog niet is verstreken, moet zij behandeling van klaagschrift aanhouden. Rb heeft bij haar beslissing op klaagschrift dat door klager, die niet verschoningsgerechtigde is, o.g.v. art. 5.4.10 jo. 552a Sv is ingediend, beslissing van RC a.b.i. art. 98.3 Sv tot uitgangspunt genomen, omdat Rb ervan uitging dat beslissing RC onherroepelijk was geworden omdat tegen die beslissing geen klaagschrift is ingediend door verschoningsgerechtigde. In HR:2024:562 (zaak van betrokken verschoningsgerechtigde) heeft HR overwogen dat het in cassatie ervoor moet worden gehouden dat beschikking RC a.b.i. art. 98 Sv niet is betekend aan betrokken verschoningsgerechtigde. Rb had behandeling van klaagschrift van klager moeten aanhouden totdat beschikking RC is betekend aan verschoningsgerechtigde en termijn voor indienen van klaagschrift is verstreken. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 23/03721 Br.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/03720 Br
Datum 9 april 2024
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Limburg van 11 juli 2023, nummer RK 23/006076, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
hierna: de klager.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze hebben T.H.L. Kneepkens en M.D. Rijnsburger, beiden advocaat in Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schrifturen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Limburg teneinde op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden beslist en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de rechtbank bij haar beslissing op het klaagschrift dat op 7 maart 2023 is ingediend op grond van artikel 5.4.10 in samenhang met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), tot uitgangspunt heeft genomen dat geen beroep is ingesteld tegen de beschikking die de rechter-commissaris op 3 april 2023 op grond van artikel 98 Sv heeft genomen, terwijl die beschikking niet is betekend aan de betrokken verschoningsgerechtigde en daarom niet onherroepelijk is geworden.
2.2
De bestreden beschikking houdt onder meer in:
“Feiten
Naar aanleiding van een Europees Onderzoeksbevel (hierna: EOB) van de Duitse officier van justitie, is in het kader van een strafrechtelijk onderzoek op 28 februari 2023 beslag gelegd op diverse goederen, waaronder verschillende ordners, handgeschreven notities, emailberichten, een externe harde schijf, USB-sticks, een telefoonboek, laptops, desktoppen en mobiele telefoons.
Procedure
Het klaagschrift is op 7 maart 2023 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. Het klaagschrift is in raadkamer gezamenlijk behandeld met de zaak met raadkamernummer 23006116 van [betrokkene 1] , wiens klaagschrift betrekking heeft op dezelfde stukken. Vanwege de aanwezigheid van stukken die mogelijk onder het verschoningsrecht vielen, is het onderzoek in raadkamer van 14 maart 2023 aangehouden, om de uitkomst van de procedure bij de rechter-commissaris af te wachten. Op 3 april 2023 heeft de rechter-commissaris (in de procedure op grond van artikel 98 Sv) een beslissing genomen. (...)
De rechtbank heeft op 11 juli 2023 de behandeling van het klaagschrift in openbare raadkamer voortgezet (...)
Beklag
Het beklag strekt tot teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen, voor zover deze niet al zijn teruggegeven. Het gaat hierbij om de inbeslaggenomen voorwerpen met de volgende inbeslagname codes (hierna: IBN-codes): A.01.04.001, A.01.004.003, A.01.05.002 en A.01.05.003.
Door en namens de klager is aangevoerd dat het bij de klager onbekend is om welke stukken het hier precies gaat. De gegeven omschrijving stelt dat het gaat om ‘handgeschreven notities’. De klager heeft echter niet zelf kunnen nagaan of deze stukken correspondentie bevatten tussen hem en zijn (Duitse) raadsman [betrokkene 1] . Noch heeft de klager kunnen zien om welke stukken het precies ging.
Door de raadsman van de klager is aangevoerd dat de interpretatie van de rechter-commissaris over de reikwijdte van verschoninggerechtigde te beperkt is. Deze moet ook gelden voor stukken die gemaakt zijn met het oog op de voorbereiding en te voeren verdediging, zoals de Hoge Raad heeft gesteld in de zaak met nummer ECLI:NL:HR:2016:2686. Daarnaast is door de raadsman aangevoerd dat de verschoningsgerechtigde niet in de gelegenheid is gesteld om van de inbeslaggenomen stukken kennis te nemen en een standpunt in te nemen. Het klaagschrift moet daarom gegrond verklaard worden.
Beoordeling
(...)
Zoals hiervoor in het toetsingskader uiteen is gezet worden de goederen die in het kader van een EOB in beslag zijn genomen overgedragen aan de verzoekende autoriteit tenzij daarvoor beletselen zijn.
Een van de beletselen in de onderhavige zaak zou kunnen zijn dat er stukken in beslag zijn genomen die zouden kunnen vallen onder het verschoningsrecht. De rechter-commissaris heeft daartoe onderzoek verricht en daarover een beslissing genomen. De stukken waarover naar het oordeel van de rechter-commissaris, terecht een beroep is gedaan op het verschoningsrecht zijn teruggegeven aan klager en daarover zal de rechtbank dan ook geen beslissing meer nemen.
In de kern komt het klaagschrift erop neer dat de rechter-commissaris een onjuiste beslissing heeft genomen. De rechtbank stelt vast dat tegen de beslissing van de rechter-commissaris geen beroep is ingesteld door de verdediging. Het is niet aan de rechtbank om thans in de juistheid daarvan te treden. Deze beslissing is derhalve bij de beoordeling van het onderhavige klaagschrift voor de rechtbank een gegeven. De rechtbank merkt daarbij op dat de door de raadsman overgelegde jurisprudentie ziet op het beoordelingskader van de rechter-commissaris en derhalve bij de beoordeling van het onderhavige klaagschrift niet relevant lijkt te zijn.
(...)
Gelet op het bovenstaande dient het klaagschrift ongegrond verklaard te worden.”
2.3
De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang.
- Artikel 98 leden 1-4 Sv:
“1. Bij personen met bevoegdheid tot verschooning, als bedoeld bij de artikelen 218 en 218a, worden, tenzij met hunne toestemming, niet in beslag genomen brieven of andere geschriften, tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt. De rechter-commissaris is bevoegd ter zake te beslissen.
2. Indien de persoon met bevoegdheid tot verschoning bezwaar maakt tegen de inbeslagneming van brieven of andere geschriften omdat zijn plicht tot geheimhouding zich daartoe uitstrekt, wordt niet tot kennisneming overgegaan dan nadat de rechter-commissaris daarover heeft bepaald.
3. De rechter-commissaris die beslist dat inbeslagneming is toegestaan, deelt de persoon met bevoegdheid tot verschoning mede dat tegen zijn beslissing beklag open staat bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd en tevens dat niet tot kennisneming wordt overgegaan dan nadat onherroepelijk over het beklag is beslist.
4. Tegen de beschikking van de rechter-commissaris kan de persoon met bevoegdheid tot verschoning binnen veertien dagen na de betekening daarvan een klaagschrift indienen bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd. Artikel 552a is van toepassing.”
- Artikel 5.4.4 lid 1, aanhef en onder a, Sv:
“De erkenning of uitvoering van een Europees onderzoeksbevel wordt geweigerd, wanneer na overleg met de uitvaardigende staat en nadat indien nodig de uitvaardigende autoriteit is verzocht om onverwijld aanvullende gegevens te verstrekken, moet worden vastgesteld dat:
a. de uitvoering van het bevel onverenigbaar is met een krachtens Nederlands recht geldend voorrecht of immuniteit, waaronder mede wordt verstaan een verschoningsrecht, danwel onverenigbaar is met regels ter vaststelling en beperking van strafrechtelijke aansprakelijkheid in verband met de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting in andere media.”
“1. De betrokkene bij wie in het kader van uitvoering van een Europees onderzoeksbevel voorwerpen in beslag zijn genomen danwel gegevens zijn gevorderd, of bij wie gegevens zijn vastgelegd tijdens een doorzoeking of onderzoek in een geautomatiseerd werk, aan wie een vordering medewerking te verlenen aan het ontsleutelen van gegevens is gedaan, of die een vordering heeft ontvangen om gegevens te bewaren en beschikbaar te houden, alsmede de betrokkene bij wie ontoegankelijkmaking van gegevens, aangetroffen in een geautomatiseerd werk, als bedoeld in artikel 125o, heeft plaatsgevonden wordt, indien de geheimhouding van het onderzoek daardoor niet in het gedrang komt, in kennis gesteld van zijn bevoegdheid om binnen veertien dagen na kennisgeving een klaagschrift ingevolge artikel 552a in te dienen bij de rechtbank.
3. De artikelen 552a, eerste tot en met zesde lid, 552d, eerste en tweede lid, en 552e, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de rechter geen onderzoek doet naar de gronden voor het uitvaardigen van het bevel, waarvan de uitvoering heeft geleid tot indiening van het klaagschrift.”
- Artikel 552a lid 1 Sv:
“De belanghebbenden kunnen zich schriftelijk beklagen over inbeslagneming, over het gebruik van in beslag genomen voorwerpen, over het uitblijven van een last tot teruggave, over het al dan niet toepassen van de in artikel 116, vierde lid, neergelegde bevoegdheid, over de vordering van gegevens, over het bevel toegang te verschaffen tot een geautomatiseerd werk of delen daarvan, tot een gegevensdrager of tot versleutelde gegevens dan wel kennis omtrent de beveiliging daarvan ter beschikking te stellen, over de kennisneming of het gebruik van gegevens, vastgelegd tijdens een doorzoeking of op vordering verstrekt, over de kennisneming of het gebruik van gegevens, opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk en vastgelegd bij een onderzoek in zodanig werk, over de kennisneming of het gebruik van gegevens als bedoeld in de artikelen 100, 101 en 114, over de vordering gegevens te bewaren en beschikbaar te houden, alsmede over de ontoegankelijkmaking van gegevens, aangetroffen in een geautomatiseerd werk, bedoeld in de artikelen 125o en 126cc, vijfde lid, de opheffing van de desbetreffende maatregelen of het uitblijven van een last tot zodanige opheffing. De belanghebbenden kunnen zich voorts schriftelijk beklagen over een bevel tot het ontoegankelijk maken van gegevens, bedoeld in artikel 125p. Over het beklag, bedoeld in de vorige volzin, beslist het gerecht zo spoedig mogelijk.”
2.4.1
Als in het kader van de uitvoering van een Europees onderzoeksbevel stukken in beslag zijn genomen en/of gegevens zijn vastgelegd die op een gegevensdrager zijn opgeslagen of vastgelegd, en degene onder wie de stukken in beslag zijn genomen of bij wie gegevens zijn vastgelegd, die niet de verschoningsgerechtigde is, aanvoert dat een geheimhouder de bevoegdheid tot verschoning kan uitoefenen ten aanzien van de inbeslaggenomen stukken of de vastgelegde gegevens, dan is het eerst aan de rechter-commissaris om te beslissen over het beroep op het verschoningsrecht dat is gedaan. Dat brengt met zich dat, als de rechtbank bij de behandeling van een op grond van artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a Sv ingediend klaagschrift vaststelt dat ten aanzien van inbeslaggenomen stukken of vastgelegde gegevens een beroep op het verschoningrecht is gedaan en dat de rechter-commissaris daarover (nog) niet heeft beslist, zij de behandeling van het klaagschrift moet aanhouden en de zaak in handen van de rechter-commissaris moet stellen om een beschikking te geven als bedoeld in artikel 98 lid 1 Sv. (Vgl. HR 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:223, rechtsoverweging 4.6.)Beslist de rechter-commissaris dat de inbeslagneming of, als het gaat om gegevens, de kennisneming is toegestaan, dan moet gehandeld worden zoals in artikel 98 lid 3 Sv is bepaald. De beschikking van de rechter-commissaris zal aan de betrokken verschoningsgerechtigde moeten worden betekend, onder mededeling dat deze binnen veertien dagen tegen deze beschikking een klaagschrift kan indienen bij een in die mededeling aangeduid gerecht en tevens dat niet tot kennisneming van de stukken of gegevens wordt overgegaan dan nadat onherroepelijk over het beklag van de verschoningsgerechtigde is beslist. (Vgl. HR 16 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1048, rechtsoverweging 4.2.3.)
2.4.2
In het onder 2.4.1 bedoelde geval kan zich de situatie voordoen dat in meerdere beklagprocedures het verschoningsrecht aan de orde is.In de beklagprocedure van degene onder wie de stukken in beslag zijn genomen of bij wie gegevens zijn vastgelegd die niet de verschoningsgerechtigde is (hierna: de klager), moet het oordeel in de beklagprocedure van de verschoningsgerechtigde, als dat onherroepelijk is geworden, tot uitgangspunt worden genomen. Als in die laatste procedure onherroepelijk is beslist dat inbeslagneming van de stukken of de vastlegging van gegevens in strijd is met het verschoningsrecht, is het klaagschrift van de klager in zoverre gegrond en is kennisneming van die stukken of gegevens niet toegestaan.In het geval dat het beroep van de verschoningsgerechtigde op zijn verschoningsrecht ongegrond wordt verklaard, moet de klager niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn klaagschrift voor zover het de klachten over het verschoningsrecht betreft.Als de verschoningsgerechtigde geen klaagschrift indient tegen de beslissing van de rechter-commissaris dat inbeslagneming of vastlegging van gegevens is toegestaan, moet het ervoor worden gehouden dat door de verschoningsgerechtigde geen beroep wordt gedaan op zijn verschoningsrecht. Ook in dat geval moet de klager niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn klaagschrift voor zover het de klachten met betrekking tot het verschoningsrecht betreft. In deze gevallen geldt dat, zodra vaststaat dat een beroep op het verschoningsrecht niet is gedaan of (definitief) niet opgaat, van de stukken of gegevens kan worden kennisgenomen.Als de klager in zijn klaagschrift ook andere klachten heeft opgeworpen tegen de inbeslagneming van stukken of de vastlegging van gegevens dan die betreffende het verschoningsrecht, zal over de gegrondheid daarvan nog moeten worden beslist in de beklagprocedure van de klager. (Vgl. HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3076, rechtsoverweging 2.5.3.)
2.4.3
Als de rechtbank bij de behandeling van het op grond van artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a Sv ingediend klaagschrift vaststelt dat de beschikking van de rechter-commissaris nog niet overeenkomstig artikel 98 lid 3 Sv is betekend aan de betrokken verschoningsgerechtigde dan wel de termijn van veertien dagen voor het indienen van een klaagschrift op de voet van artikel 98 lid 4 Sv nog niet is verstreken, moet zij de behandeling van het klaagschrift aanhouden.
2.5
De rechtbank heeft bij haar beslissing op het klaagschrift dat door de klager, die niet de verschoningsgerechtigde is, op grond van artikel 5.4.10 in samenhang met artikel 552a Sv is ingediend, de beslissing van de rechter-commissaris als bedoeld in artikel 98 lid 3 Sv, tot uitgangspunt genomen, omdat – zo begrijpt de Hoge Raad – de rechtbank ervan uitging dat de beslissing van de rechter-commissaris onherroepelijk was geworden omdat tegen die beslissing geen klaagschrift is ingediend door de verschoningsgerechtigde. In zijn beschikking van vandaag, ECLI:NL:HR:2024:562 in de zaak van [betrokkene 1] (23/03721 Br), de betrokken verschoningsgerechtigde, heeft de Hoge Raad overwogen dat het in cassatie ervoor moet worden gehouden dat de beschikking van de rechter-commissaris als bedoeld in artikel 98 Sv niet is betekend aan [betrokkene 1] . Gelet op wat onder 2.4.3 is overwogen, had de rechtbank de behandeling van het klaagschrift van de klager moeten aanhouden totdat de beschikking van de rechter-commissaris is betekend aan de verschoningsgerechtigde en de termijn voor het indienen van een klaagschrift is verstreken.
2.6
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Limburg, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 april 2024.
Conclusie 27‑02‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Beklag ex 552a jo. 5.4.10 Sv (EOB) waarbij klager beroep doet op verschoningsrecht van zijn advocaat. Beslissing rechter-commissaris ex art. 98 lid 4 Sv niet betekend. Oordeel van rechtbank dat daartegen door advocaat geen beklag is ingediend is in verband daarmee onbegrijpelijk. Middel in samenhangende zaak slaagt en als gevolgd daarvan ook in deze zaak, aangezien de rechtbank bij een beklag als het onderhavige de uitkomst in de zaak van de verschoningsgerechtigde tot uitgangspunt moet nemen. De conclusie strekt tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank. Samenhang met 23/03721.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/03720 Br
Zitting 27 februari 2024
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
hierna: de klager
De rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, heeft bij beschikking van 11 juli 2023 het beklag van de klager strekkende tot teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen met de IBN-codes A.01.04.001, A.01.004.003, A. 01.05.002 en A.01.05.003, ongegrond verklaard.
Er bestaat samenhang met de zaak 23/03721 Br. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en M.D. Rijnsburger en T.H.L. Kneepkens, beiden advocaat te Amsterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld. Dit middel is tijdig binnen de daartoe gestelde nadere termijn aangevuld, zodat het middel met inbegrip van deze aanvulling zal worden beoordeeld.
Het middel
4.1
Het middel komt op tegen de ongegrondverklaring van het beklag.
4.2
Namens de klager is op 7 maart 2023 een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv in verbinding met art. 5.4.10 Sv bij de rechtbank ingediend. Dit klaagschrift houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“ [klager] (hierna: klager), geboren op [geboortedatum] 1961, wonende te [plaats] aan de [a-straat 1] , te dezer zake domicilie kiezende te (1075 BH) Amsterdam aan het Valeriusplein 20, ten kantore van Jansen Kneepkens Rijnsburger Advocaten;
dat klager wordt bijgestaan door de ondertekenende raadsman mr. T.H.L. Kneepkens, advocaat te Amsterdam, die tot het ondertekenen en indienen van dit klaagschrift (met het recht van substitutie) bepaaldelijk is gevolmachtigd;
dat er op 28 februari jl. beslag is gelegd op geheimhoudersstukken dan wel documenten en/of gegevensdragers die als geheimhoudersstukken dienen te worden aangemerkt;
dat klager vermoedt dat deze stukken in het kader van een Europees onderzoeksbevel, geregistreerd onder kenmerk EOB-1-2023002061, op verzoek van de Duitse autoriteiten in beslag zijn genomen;
dat klager zich niet met het beslag kan verenigen in verband met het navolgende:
1. De in beslag genomen stukken zijn geheimhoudersstukken en dienen per direct te worden geretourneerd. In dit verband wordt verwezen naar de correspondentie inclusief bijlagen van de Duitse advocaat van klager, [betrokkene 1] (bijlagen). Over de vraag of sprake is van geheimhoudersstukken bestaat geen misverstand. Uitvoering aan het Europees onderzoeksbevel is onverenigbaar met het geldende verschoningsrecht en dient te worden geweigerd gelet op artikel 5.4.4 van het Wetboek van Strafvordering.
2. Ten overvloede wordt opgemerkt dat klager eigenaar is van de in beslag genomen geheimhoudersstukken en hij wenst zo spoedig mogelijk weer In het bezit van de goederen te worden gesteld. De (voortdurende) Inbeslagneming van de stukken levert verder strijd op met art. 1 Eerste protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en van het in art. 17 van het Handvest van de Grondrechten van de EU gewaarborgde eigendomsrecht.
3. Niet blijkt thans dat enig belang (van strafvordering) zich (nog langer) verzet tegen de teruggave van het geheimhoudersstukken. Nu dit niet (langer) het geval is, dient het beslag te worden opgeheven en de goederen te worden teruggegeven aan klager.
4. Indien niet middels schriftelijke afdoening tot gegrondverklaring van dit klaagschrift wordt overgegaan, is klager zeer wel bereid om het onderhavige klaagschrift met c.q. door middel van zijn raadsman in raadkamer van uw Rechtbank nader toe te (doen) lichten, en vragen klager en zijn raadsman zo nodig daartoe In raadkamer te worden opgeroepen.
5. De raadsman verzoekt voorts de Griffier en de Officier van Justitie het Europees onderzoeksbevel, verslag van doorzoeking en alle (proces)stukken toe te zenden. Deze stukken waren ten tijde van het indienen van dit klaagschrift nog niet voorhanden. Klager behoudt zich dan ook uitdrukkelijk het recht voor om de gronden waarop dit klaagschrift steunt nader aan te vullen, dan wel te wijzigen.
REDENEN WAAROM:
Klager Uw Rechtbank verzoekt om het klaagschrift gegrond te verklaren en een last tot teruggave van de in beslag genomen goederen aan klager te (doen) geven.”
4.3
Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer van 14 maart 2023 houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van 14 maart 2023 voor zover betreffende de behandeling van het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klager] ,
geboren op [geboortedatum] 1961 te [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [a-straat 1] , [plaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. T.H.L. Kneepkens, advocaat kantoorhoudende te Amsterdam (Valeriusplein 20BG, 1075 BH Amsterdam),
hierna te noemen: de klager.
Ter terechtzitting tegenwoordig:
mr. L.P. Bosma, rechter;
mr. E. Gulikers, officier van justitie;
mr. M.J.M. Penders, griffier.
De rechtbank doet de zaak uitroepen.
De klager en zijn advocaat mr. T.H.L. Kneepkens zijn met voorafgaand bericht niet verschenen.
De rechtbank heeft telefonisch contact opgenomen met de advocaat van de klager met de mededeling dat de betreffende geheimhouderstukken nog niet aan het kabinet RC ter beschikking zijn gesteld, waardoor de RC nog geen beslissing ex artikel 98 Sv heeft kunnen nemen. De behandeling van onderhavig klaagschrift kan derhalve niet worden voortgezet.
De rechtbank:
- schorst het onderzoek in raadkamer voor onbepaalde tijd;
- beveelt de oproeping van de veroordeelde tegen de dag en het tijdstip waarop de behandeling van de vordering ter terechtzitting wordt voortgezet.”
4.4
De rechter-commissaris in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, heeft op 3 april 2023 een beslissing als bedoeld in art. 98 Sv genomen. Deze beslissing houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“beslissing over inbeslagneming geheimhoudersstukken
(artikel 98 Wetboek van Strafvordering)
In de strafzaak tegen de verdachte:
[klager]
geboren op [geboortedatum] 1961 te [geboorteplaats]
Procedure
Op 7 maart 2023 heeft mr. T. Kneepkens, advocaat te Amsterdam, namens [betrokkene 1] , Rechtsanwalt in [plaats] , een persoon met de bevoegdheid tot verschoning, bezwaar bij de rechter-commissaris gemaakt tegen de ter uitvoering van het EOB-1-2023002061, op 28 februari 2023 onder de verdachte in beslag genomen geheimhoudersstukken.
De rechter-commissaris heeft kennis genomen van de processtukken.
De verschoningsgerechtigde heeft aangevoerd dat zijn plicht tot geheimhouding zich uitstrekt tot de volgende hierna aangeduide en onder de verdachte in beslag genomen administratie (Verteidigerkorrsepondenz als bedoeld in §§ 97 en 148 Strafprozessordnung):
- een ‘Leitz’-ordner;
- een usb-stick;
- handgeschreven aantekeningen van de verdachte ‘zu Verteidigungszwecken'.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geheimhoudersstukken terug kunnen naar de verdachte maar dat het aan de rechter-commissaris is daarover te beslissen.
Beoordeling
1. Op 7 maart 2023 heeft mr. Kneepkens op grond van artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a Sv een klaagschrift ingediend omdat, kort gezegd, tussen de onder de verdachte in beslag genomen voorwerpen, stukken zitten die onder het verschoningsrecht van zijn cliënt vallen. Het beklag strekt tot teruggave van de in beslag genomen geheimhoudersstukken.
2. Op grond van artikel 98 Wetboek van Strafvordering is het echter eerst aan de rechter-commissaris te beslissen over het beroep op het verschoningsrecht dat is gedaan ten aanzien van stukken dan wel gegevens die zijn opgeslagen op gegevensdragers. De rechtbank zal de behandeling van het klaagschrift dienen aan te houden en de zaak in handen van de rechter-commissaris dienen te stellen teneinde een beschikking te geven als bedoel in artikel 98 Sv.
3. Wanneer de verschoningsgerechtigde zich op het standpunt stelt dat het gaat om brieven of geschriften die noch voorwerp van het strafbare feit uitmaken noch tot het begaan daarvan hebben gediend en waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient dit standpunt door de organen van politie en justitie te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. Het oordeel of dit laatste het geval is komt in eerste instantie toe aan de rechter-commissaris, bij voorkeur na overleg met een gezaghebbend vertegenwoordiger van de beroepsgroep van de verschoningsgerechtigde (zoals de plaatselijk deken van de Orde van Advocaten of de Ringvoorzitter). Voor zover dat noodzakelijk is mag daartoe door de rechter-commissaris van de desbetreffende stukken worden kennisgenomen, (vgl. HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0434). Indien de rechter-commissaris - bijvoorbeeld in verband met de aard of de omvang van de inbeslaggenomen stukken of gegevens - niet in staat is zelf dat onderzoek te verrichten, zal hij het daarheen dienen te leiden dat het onderzoek wordt verricht door zodanige functionaris en op zodanige wijze dat is gewaarborgd dat het verschoningsrecht niet in het gedrang komt.
De rechter-commissaris oordeelt als volgt.
(…)
5. Bij de handgeschreven aantekeningen van de verdachte ‘zu Verteidigungszwecken’ gaat het om de stukken die in de lijst van in beslag genomen goederen zijn aangeduid met de respectieve nummers (IBN-code) (…) A.01.04.001 en/of A.01.004.003 en/of A.01.05.002 en/of A.01.05.003. Die aantekeningen zijn op 22 maart 2023 in twee verzegelde enveloppen, die zich op hun beurt bevonden in één verzegelde plastic envelop, op het kabinet van de rechter-commissaris ontvangen.
6. De rechter-commissaris heeft kennisgenomen van de handgeschreven aantekeningen van de verdachte 'zu Verteidigungszwecken’ teneinde te kunnen beoordelen of deze aantekeningen onder het verschoningsrecht van de Duitse Rechtsanwalt vallen.
(…)
6.2.
Het stuk A.01.04.001 bevat een blok ruitjespapier (A-4 formaat) waarvan de eerste acht pagina’s handgeschreven aantekeningen bevatten. Uit niets blijkt dat het hier gaat om verslagen van gesprekken tussen de verdachte en de verschoningsgerechtigde of om aantekeningen of gespreksverslagen die weergeven of samenvatten wat in de vertrouwelijkheid van het kantoor tussen de verdachte en zijn Duitse Rechtsanwalt is besproken. Wat de rechter-commissaris betreft kan er dan ook redelijkerwijs geen twijfel over bestaan dat deze aantekeningen niet onder het verschoningsrecht vallen. Voor de twee losse vellen (A-4 formaat) die zijn genummerd A.01.04.003 geldt hetzelfde.
6.3.
Het stuk A.01.05.002 bevat verzameld in een plastic A-4 map diverse aantekeningen, zowel handgeschreven als in gedrukte vorm. De eerste pagina is een notitie, gedagtekend 17 april 2016, 18:20 uur van de hand van de verdachte. Uit de aanhef blijkt voor wie de notitie is bestemd; dat is niet de Duitse Rechtsanwalt of een medewerker van diens kantoor. Hoewel de eerste pagina als ‘restricted’ is geoormerkt, blijkt uit de notitie noch uit de overige stukken dat het hier gaat om verslagen van gesprekken tussen de verdachte en de verschoningsgerechtigde of om aantekeningen of gespreksverslagen die weergeven of samenvatten wat in de vertrouwelijkheid van het kantoor tussen de verdachte en zijn Duitse Rechtsanwalt is besproken. Ook hier geldt daarom dat er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat het hier niet gaat om stukken die onder het verschoningsrecht vallen.
6.4.
Het stuk A.01.05.003 bevat een klein schrift met handgeschreven aantekeningen (zonder omslag), een geelkleurige plastic A-4 map en een rood schrift met harde omslag (A-4 formaat).
6.4.1.
Wat het handgeschreven kleine schrift betreft: uit niets blijkt dat het hier gaat om verslagen van gesprekken tussen de verdachte en de verschoningsgerechtigde of om aantekeningen of gespreksverslagen die weergeven of samenvatten wat in de vertrouwelijkheid van het kantoor tussen de verdachte en zijn Duitse Rechtsanwalt is besproken.
6.4.2.
De geelkleurige plasctic map bevat allereerst kennelijk twee van het internet gehaalde en voor eigen gebruik uitgeprinte artikelen met de titel ‘Cum-Ex-Trick kostet Steuerzahler zwölf Milliarden' en ‘Neues Schlupfloch, Wie Banken das Finanzamt erneut austricksen’. Van beide documenten (kennelijk dus afkomstig uit openbare bron) is duidelijk dat het hier niet gaat om stukken die onder het verschoningsrecht vallen. Verder bevindt zich in de map een uitgeprint, op 25 september 2019 om 10:04 uur aan de verdachte doorgestuurd mailbericht. Gelet daarop en op de mailadressen die in de mail zijn vermeld, gaat het hier niet om geheimhoudersinfo. In de gele map, in twee afzonderlijke doorzichtige plastic mappen, zitten verder nog, een door het ‘inland revenue department’ van de republiek Malta op 15 oktober 2012 afgegeven certificaat en twee notities. Het certificaat is evident geen geheimhoudersstuk. De notities zijn dat evenmin. De eerste notitie is gedagtekend 13 april 2018, tijdstip 12:26 uur en is niet afkomstig van of gericht aan de Duitse Rechtsanwalt. De verdachte is niet de geadresseerde van de notitie; aan hem is slechts een kopie ervan verstrekt. De tweede notitie is gedagtekend 14 februari 2018, tijdstip 11:06 uur. De notitie is kennelijk van de hand van de verdachte zelf en is door hem als ‘restricted’ geoormerkt Aan de notitie is een handgeschreven weergave van een schriftelijk telefoongesprek gehecht, dat
kennelijk tussen de verdachte en [betrokkene 2] op 13 april 2018 heeft plaatsgevonden alsook een agenda van het bezoek dat die [betrokkene 2] van 23 tot en met 27 april (naar de rechter-commissaris aanneemt van het jaar 2108). [betrokkene 2] , zo maakt de rechter-commissaris uit de stukken op, is de toenmalig managing director van ‘ [A] ’ en dus niet iemand die op grond van zijn beroep een verschoningsrecht toekomt.
Gelet hierop en nu verder uit niets blijkt dat het bij deze notities gaat om verslagen van gesprekken tussen de verdachte en de verschoningsgerechtigde of om aantekeningen of gespreksverslagen die weergeven of samenvatten wat in de vertrouwelijkheid van het kantoor tussen de verdachte en zijn Duitse Rechtsanwalt is besproken, kan daarom redelijkerwijs geen twijfel erover bestaan dat deze notities niet onder het verschoningsrecht van de Duitse Rechtsanwalt vallen.
6.4.3.
Het rood schrift met harde omslag (A-4 formaat) bevat handgeschreven aantekeningen en -los ingevoegd - een document ‘Central Securities Depositories Regulation’ van juni 2020 van de hand van [betrokkene 3] , [betrokkene 4] en [betrokkene 5] , allen werkzaam voor HSBC. Het gaat hier niet om geheimhouders en dus valt het stuk niet onder het verschoningsrecht van de Duitse Rechtsanwalt en datzelfde, om de eerder gebezigde redenen, geldt voor de handgeschreven aantekeningen. Niet evident is immers dat het hier gaat om aantekeningen of gespreksverslagen die weergeven of samenvatten wat in de vertrouwelijkheid van het kantoor tussen de verdachte en zijn Duitse Rechtsanwalt is besproken.
(…)
Beslissing
De rechter-commissaris:
- bepaalt dat inbeslagneming van (…) het stuk A.01.03.001 (als bedoeld in overweging 6.1) (…)niet en voor het overige wel is toegestaan.”
4.5
Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer van 11 juli 2023 houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“proces verbaal van de in het openbaar gehouden raadkamerzitting van 11 juli 2023 voor zover betreffende de behandeling van het bezwaarschrift overeenkomstig artikel 552a juncto artikel 5.4.10 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klager] ,
geboren op [geboortedatum] 1961 te [geboorteplaats] , . woonplaats kiezend op het kantoor van mr. T.H.L. Kneepkens, advocaat te Amsterdam (Valeriusplein 20BG, 1075 BH Amsterdam),
hierna te noemen: de klager.
Ter raadkamerzitting tegenwoordig zijn:
mr. M.J.M. Goessen, rechter,
D.V. Haring, griffier,mr. T.C.M. Smeets, officier van justitie.
De rechter doet de zaak uitroepen.
Ter raadkamerzitting verschijnt mr. T.H.L. Kneepkens, advocaat kantoorhoudende te Amsterdam, tezamen met de klager.
De rechter heef kort voorgehouden de documenten, die zich in het aan de rechtbank ter beschikking gestelde dossier bevinden.
De raadsman onderbouwd zijn klaagschrift met een (schriftelijk overlegde) pleitnota, welke in het digitale dossier te vinden is.
De klager voert aan:
Alhoewel een KVI verstrekt is na de doorzoeking, is voor mij niet duidelijk welke stukken er in beslag zijn genomen. Hier wordt ook geen duidelijkheid over verschaft.
De officier van justitie brengt naar voren:
De procedure is naar oordeel van het Openbaar Ministerie correct verlopen. De rechter-commissaris heeft reeds gemotiveerd aangegeven dat het hier niet meer om geheimhouders stukken gaat. Het bezwaarschrift moet daarom ongegrond verklaard worden.
De rechter verklaart het onderzoek in raadkamer gesloten doet aansluitend uitspraak.”
4.6
De door de raadsman overgelegde pleitnota houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Meneer/mevrouw de voorzitter, Edelachtbaar college,
1. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de interpretatie zoals gehanteerd door rechter-commissaris te strikt is waar het gaat over geheimhoudersstukken, namelijk:
‘Uit niets blijkt dat het hier gaat om verslagen van gesprekken tussen de verdachte en de verschoningsgerechtigde of om aantekeningen of gespreksverslagen die weergeven of samenvatten wat In de vertrouwelijkheid van het kantoor tussen de verdachte en zijn Duitse Rechtsanwalt is besproken.'
2. Deze definitie van de rechter-commissaris is volgens de verdediging, mede gelet op de jurisprudentie op dit vlak (zie bijgevoegde uitspraak), te beperkt. Ook als uit de stukken blijkt dat deze zijn vervaardigd met het oog op de verdediging en er aldus ook uit blijkt dat de stukken zijn vervaardigd om aan de advocaat ter hand te stellen is sprake van geheimhoudersstukken. Zie in dit verband ook de toelichting van [betrokkene 1] (bijlage), die reeds op voorhand met uw Rechtbank en Officier van Justitie per e-mail is gedeeld.
3. Volgens [klager] zijn alle handgeschreven notities en gespreksverslagen vervaardigd ten behoeve van zijn verdediging en om aan zijn advocaat te overhandigen en is aldus sprake van geheimhoudersstukken.
4. De verdediging verzoekt uw rechtbank dan ook het ertoe te leiden dat alle handgeschreven notities worden geretourneerd aan [klager] respectievelijk aan [betrokkene 1] .
5. Daar komt bij dat zowel [betrokkene 1] als [klager] niet in de gelegenheid zijn gesteld om kennis te nemen van de in beslaggenomen stukken. [betrokkene 1] en [klager] hadden graag kennis willen nemen van het beslag teneinde het standpunt kenbaar te maken. Dat is onverhoopt niet gebeurt. In de regel wordt een overleg belegd bij de rechter-commissaris en wordt men in de gelegenheid gesteld een standpunt kenbaar te maken ten aanzien van het beslag waarna een beslissing ex artikel 98 Sv kan worden genomen. In onderhavige zaken is dat onverhoopt verzuimd door de rechter-commissaris. Zie in dit verband ook overweging 3. van de beslissing van de rechter-commissaris. [betrokkene 1] had natuurlijk moeten worden uitgenodigd teneinde kennis te nemen van het beslag en vervolgens in de gelegenheid dienen te worden gesteld om een standpunt kenbaar te maken.
6. Dit overleg bij de rechter-commissaris is dan vaak met de advocaat in kwestie, diens vertegenwoordiger en (in dit geval) de deken. Er kan dan een standpunt worden ingenomen welk standpunt in beginsel geëerbiedigd dient te worden, tenzij de rechter-commissaris redenen heeft om daarvan af te wijken. In een dergelijk geval kan daarbij desnoods kennis worden genomen van de stukken.
7. In dit geval is de mogelijkheid om kennis te nemen van de inhoud niet geboden waar dat had wel gemoeten.
8. Het vorenstaand maakt dat de verdediging uw rechtbank verzoekt om het klaagschrift ex artikel 552a Sv gegrond te verklaren en het ertoe te leiden dat alle handgeschreven notities aan [klager] respectievelijk [betrokkene 1] worden geretourneerd en een last tot teruggave wordt gegeven.
9. Samengevat wordt opgemerkt dat er i) verzuimd is de juiste procedure te volgen waarbij ook de verschoningsgerechtigde kennis kan nemen van de stukken en ii) dat het gehanteerde criterium te eng is. Primair verzoekt de verdediging uw rechtbank het beklag gegrond te verklaren te gelasten dat de eerder aangemerkte stukken en alle handgeschreven notities waar het verschoningsrecht op ziet worden geretourneerd. Subsidiair verzoekt de verdediging uw rechtbank om de zaak vandaag aan te houden teneinde de stukken weer in handen van de rechter-commissaris te stellen en de omissie voor wat betreft het niet kunnen inzien van de stukken te herstellen.”
4.7
De bestreden beschikking houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 552a juncto artikel 5.4.10 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
(…)
Feiten
Naar aanleiding van een Europees Onderzoeksbevel (hierna: EOB) van de Duitse officier van justitie, is in het kader van een strafrechtelijk onderzoek op 28 februari 2023 beslag gelegd op diverse goederen, waaronder, verschillende ordners, handgeschreven notities, emailberichten, een externe harde schijf, USB-sticks, een telefoonboek, laptops, desktoppen en mobiele telefoons.
Procedure
Het klaagschrift is op 7 maart 2023 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. Het klaagschrift is in raadkamer gezamenlijk behandeld met de zaak met raadkamernummer 23006116 van [betrokkene 1] , wiens klaagschrift betrekking heeft op dezelfde stukken.
Vanwege de aanwezigheid van stukken die mogelijk onder het verschoningsrecht vielen, is het onderzoek in raadkamer van 14 maart 2023 aangehouden, om de uitkomst van de procedure bij de rechter-commissaris af te wachten. Op 3 april 2023 heeft de rechter-commissaris (in de procedure op grond van artikel 98 Sv) een beslissing genomen. Naar aanleiding hiervan heeft het Openbaar Ministerie zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt voor het vervolg van de raadkamerzitting.
De rechtbank heeft op 11 juli 2023 de behandeling van het klaagschrift in openbare raadkamer voortgezet en daarbij de klager, de advocaat mr. T.H.L. Kneepkens en de officier van justitie gehoord. De rechtbank heeft vervolgens terstond uitspraak gedaan.
Beklag
Het beklag strekt tot teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen, voor zover deze niet al zijn teruggeven. Het gaat hierbij om de inbeslaggenomen voorwerpen met de volgende inbeslagname codes (hierna: IBN-codes): A.01.04.001, A.01.004.003, A.01.05.002 en A.01.05.003.
Door en namens de klager is aangevoerd dat het bij de klager onbekend is om welke stukken het hier precies gaat. De gegeven omschrijving stelt dat het gaat om ‘handgeschreven notities’. De klager heeft echter niet zelf heeft kunnen of deze stukken correspondentie bevatten tussen hem en zijn (Duitse) raadsman [betrokkene 1] . Noch heeft de klager kunnen zien om welke stukken het precies ging. Door de raadsman van de klager is aangevoerd dat de interpretatie van de rechter-commissaris over de reikwijdte van verschoninggerechtigde te beperkt is. Deze moet ook gelden voor stukken die gemaakt zijn met het oog op de voorbereiding en te voeren verdediging, zoals de Hoge Raad heeft gesteld in de zaak met nummer ECLI:NL:HR:2016:2686. Daarnaast is door de raadsman aangevoerd dat de verschoningsgerechtigde niet in de gelegenheid is gesteld om van de inbeslaggenomen stukken kennis te nemen en een standpunt in te nemen. Het klaagschrift moet daarom gegrond verklaard worden.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het beklag ongegrond moet worden verklaard. Hiertoe is aangevoerd dat het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave, nu de autoriteiten om overdracht van de voorwerpen hebben gevraagd. Door de rechter-commissaris is inmiddels vastgesteld dat het hier geen stukken betreft die onder het verschoningsrecht vallen, waardoor niks aan de overlevering in de weg staat.
Toetsingskader
De rechtbank neemt in overweging dat de beklagrechter bij de behandeling van een klaagschrift, gericht tegen de inbeslagneming ter uitvoering van een EOB, geen onderzoek doet naar de gronden voor het uitvaardigen van het EOB, waarvan de uitvoering heeft geleid tot die inbeslagneming. De Duitse autoriteiten hebben daarbij verzocht om geheimhouding van het onderliggende onderzoek. Het EOB en de onderliggende stukken zijn daarom niet verstrekt aan de klager
De beklagrechter toetst evenmin de proportionaliteit van de inbeslagneming en van de daarop volgende overdracht van voorwerpen die het bewijsmateriaal vormen waarop het EOB betrekking heeft.
Het staat wel ter beoordeling aan de rechter of zich - gelet op de artikelen 5.4.3, 5.4.4 en 5.4.6 Sv - een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EOB, dan wel voor uitstel van de erkenning of de uitvoering van het EOB. Daarnaast kan de beklagrechter in voorkomende gevallen ook beoordelen of de bevoegdheid waarmee uitvoering is gegeven aan het EOB, rechtmatig is toegepast. De rechter moet zich daarbij beperken tot een onderzoek naar de formaliteiten waaraan de inbeslagneming moet voldoen. Verweren die raken aan de rechtmatigheid van het voortduren van het beslag moeten, gelet op het beginsel van wederzijdse erkenning, door de rechter van de uitvoerende staat buiten beschouwing worden gelaten (vgl. ECLI:NL:HR:2021:1940).
Beoordeling
De rechtbank is bevoegd en de klager is ontvankelijk in het beklag.
Zoals hiervoor in het toetsingskader uiteen is gezet worden de goederen die in het kader van
een EOB in beslag zijn genomen overgedragen aan de verzoekende autoriteit tenzij daarvoor
beletselen zijn.
Een van de beletselen in de onderhavige zaak zou kunnen zijn dat er stukken in beslag zijn genomen die zouden kunnen vallen onder het verschoningsrecht. De rechter-commissaris heeft daartoe onderzoek verricht en daarover een beslissing genomen. De stukken waarover naar het oordeel van de rechter-commissaris, terecht een beroep is gedaan op het verschoningsrecht zijn teruggegeven aan klager en daarover zal de rechtbank dan ook geen beslissing meer nemen.
In de kern komt het klaagschrift erop neer dat de rechter-commissaris een onjuiste beslissing heeft genomen. De rechtbank stelt vast dat tegen de beslissing van de rechter-commissaris geen beroep is ingesteld door de verdediging. Het is niet aan de rechtbank om thans in de juistheid daarvan te treden. Deze beslissing is derhalve bij de beoordeling van het onderhavige klaagschrift voor de rechtbank een gegeven. De rechtbank merkt daarbij op dat de door de raadsman overgelegde jurisprudentie ziet op het beoordelingskader van de rechter-commissaris en derhalve bij de beoordeling van het onderhavige klaagschrift niet relevant lijkt te zijn.
Van overige beletselen om de in beslag genomen goederen over te dragen aan de Duitse autoriteiten is de rechtbank niet gebleken. Door de verdediging is hieromtrent ook niets aangevoerd.
Gelet op het bovenstaande dient het klaagschrift ongegrond verklaard te worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beklag ongegrond.”
4.8
In de toelichting op het middel wordt opgemerkt dat de rechtbank kennelijk van oordeel is dat de beslissing van de rechter-commissaris reeds onherroepelijk is op grond waarvan een nadere toetsing van de weigeringsgrond als bedoeld in art. 5.4.4 lid 1 sub a Sv niet meer onderzocht is. Dat oordeel geeft volgens de stellers van het middel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dat oordeel niet begrijpelijk. Betoogd wordt dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van een reeds onherroepelijke beslissing van de rechter-commissaris. De bewoordingen van de rechtbank dat er geen beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechter-commissaris en het “thans” niet meer aan de rechtbank is om in de juistheid van die beslissing te treden, lezen de stellers van het middel zo dat daarin besloten ligt dat de rechtbank kennelijk van oordeel is dat dit op een eerder moment wel het geval had kunnen zijn, maar dat inmiddels deze beschikking van de rechter-commissaris “een gegeven” is. Dit zou onderstrepen dat de rechtbank het kennelijke oordeel is toegedaan dat geen beklag als bedoeld in art. 98, vierde lid, Sv meer kan worden ingesteld tegen de beslissing van de rechter-commissaris. Volgens de stellers van het middel wordt eraan voorbij gezien dat in het onderhavige geval geen betekening van de beschikking zoals bedoeld in art. 98, vierde lid, Sv heeft plaatsgevonden, zodat er ten tijde van de behandeling van het onderhavige klaagschrift nog beklag openstond. Daarbij wordt nog opgemerkt dat van een uitzondering als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 19 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1268 geen sprake is en daar overigens ook niets over is opgenomen. Tegen deze achtergrond zou het oordeel van de rechtbank dat de beslissing van de rechter-commissaris een gegeven was waarbij thans niet meer in de juistheid kon worden getreden van een onjuiste rechtsopvatting getuigen, althans onbegrijpelijk zijn. Volgens de stellers van het middel had de rechtbank alvorens een beslissing te nemen op het onderhavige klaagschrift de behandeling ter zitting (andermaal) aan dienen te houden tot er onherroepelijk beslist was in de beklagprocedure van de verschoningsgerechtigde.
4.9
In de aanvullende toelichting op het middel wordt nog aangevoerd dat uit de aan het dossier toegevoegde stukken blijkt dat geen enkel stuk aan het adres van de verschoningsgerechtigde en/of de klager is gezonden. Er is uitsluitend correspondentie waaruit volgt dat de beschikking van de rechter-commissaris op 3 april 2023 per e-mail aan de raadsman van de verschoningsgerechtigde en de klager is gezonden. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 19 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM0781 wordt betoogd dat een dergelijke uitreiking aan het kantooradres van de raadsman niet als een rechtsgeldige betekening kan worden aangemerkt. Volgens de stellers van het middel moet het er dan ook voor worden gehouden dat de beschikking niet betekend is aan de verschoningsgerechtigde en/of klager. Nu de in art. 98, vierde lid, Sv genoemde termijn aanvangt op het moment van betekening dient het er voorts voor te worden gehouden dat de daarin bepaalde termijn van veertien dagen nog geen aanvang had genomen, althans niet was verstreken ten tijde van de onderhavige beschikking. Overigens wordt nog opgemerkt dat uit de stukken evenmin kan worden afgeleid dat de verschoningsgerechtigde kennis heeft genomen van de (inhoud van de) beschikking, althans blijkt niet op welk moment de beschikking de verschoningsgerechtigde heeft bereikt.
4.10
In de samenhangende zaak van de verschoningsgerechtigde (Duitse) advocaat heb ik in mijn conclusie uiteengezet dat ten aanzien de procedure bij de rechter-commissaris er van moet worden uitgegaan dat geen rechtsgeldige betekening van de beschikking ex art. 98 Sv heeft plaatsgevonden. Dat was voor mij reden om te concluderen tot vernietiging van de aldaar bestreden beschikking en terugwijzing van de zaak, aangezien de rechtbank zich – bij het ontbreken van betekening – niet op het standpunt had kunnen stellen dat de beschikking van de rechter-commissaris onherroepelijk was geworden. Dat betekent naar ik meen dat ook het cassatieberoep in de onderhavige zaak gegrond is. De rechtbank dient immers in een beklag als het onderhavige de uitkomst in de zaak van de verschoningsgerechtigde tot uitgangspunt te nemen.1.Nu – zo de Hoge Raad mij volgt - op die andere zaak nog niet onherroepelijk is beslist heeft de rechtbank dus ten onrechte het beklag ongegrond verklaard.
5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6. Deze conclusie strekt tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Limburg teneinde op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden beslist en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 27‑02‑2024