Voorlopige voorzieningen en dwangregeling in het schuldsaneringsrecht
Einde inhoudsopgave
Voorlopige voorzieningen en dwangregeling in het schuldsaneringsrecht (R&P nr. InsR6) 2015/6.1:6.1 Inleiding
Voorlopige voorzieningen en dwangregeling in het schuldsaneringsrecht (R&P nr. InsR6) 2015/6.1
6.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. B.J. Engberts, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
mr. B.J. Engberts
- JCDI
JCDI:ADS621480:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Schuldsanering natuurlijke personen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Wel bestaat een door insolventierechters opgesteld procesreglement (Procesreglement insolventiezaken). Dit reglement bevat evenmin een volledige regeling van de procedures van art. 287 lid 4, 287a en 287b.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De verzoekschriftprocedures van de art. 287 lid 4, 287a en 287b vormen het onderwerp van dit onderzoek. De procedures in eerste aanleg, waartoe het onderzoek zich heeft beperkt, zijn niet of nauwelijks beschreven.1 Toepassing van procedureregels uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering lijkt op grond van art. 362 lid 2 niet toegestaan. Het nagenoeg ontbreken van procedureregels heeft geleid tot de volgende onderzoeksvragen:
a. Binnen welk procedureel kader dienen de procedures van art. 287 lid 4, 287a en 287b te worden bezien?
b. Op welke wijze worden de art. 287 lid 4, 287a en 287b in de rechtspraak toegepast, tot welke procedurele problemen en onduidelijkheden geeft dit aanleiding en welke problemen doen zich voor in relatie tot het geschetste procedurele kader?
c. Wat kunnen de voorlopige voorzieningenprocedures en andere regelingen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bijdragen aan de verbetering en invulling van de (lacunair beschreven) procedures van art. 287 lid 4, 287a en 287b?
d. Tot welke voorstellen voor verbetering en aanpassing van (de toepassing van) de art. 287 lid 4, 287a en 287b kan het voorgaande leiden?
In dit hoofdstuk zal ik eerst (par. 6.2) een korte samenvatting geven van de hoofdstukken 2 tot en met 5. In die hoofdstukken zijn de onderzoeksvragen reeds beantwoord. In par. 6.3 worden enkele voor alle procedures geldende conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan die daarop voortbouwen. Mijn hoofdconclusies zijn dat:
a. een procedureel kader voor de bestudering en toetsing van de procedures van art. 287 lid 4, 287a en 287b kan worden geschetst, maar dat daarin spanningsvelden (blijven) bestaan (par. 6.3.1),
b. de drie procedures niet in alle opzichten passen bij het systeem en de aard van het insolventieprocesrecht (par. 6.3.1),
c. genoemde spanningsvelden alsook het ontbreken van procedurevoorschriften in de jurisprudentie leiden tot uiteenlopende oplossingen en daarmee tot rechtsongelijkheid en rechtsonzekerheid (par. 6.3.2),
d. de procedures van art. 287 lid 4, 287a en 287b niet aan de eisen van behoorlijke rechtspleging voldoen (par. 6.3.3),
e. door (overeenkomstige) toepassing van de bepalingen van titel 3 wel aan deze eisen van behoorlijke rechtspleging zal worden voldaan (par. 6.3.4).
Het hoofdstuk sluit af met een algemene beschouwing (par. 6.4) over de vraag of de art. 287 lid 4, 287b en art. 5 Wgs kunnen worden samengevoegd en over de vraag of overbrenging van de drie onderzochte artikelen naar een nieuwe titel in de Faillissementswet kan bijdragen aan de kwaliteit van de procedures van deze bepaling.